De held zingt hoog

Zingen, dat is geen kunst, dat doe je gewoon, vond Andreas Scholl. Totdat hij als student aan de Schola Cantorum in Basel Monteverdi hoorde....

HET GAAT OVER liefde. Ongelukkige liefde, uiteraard. Laat dat maar over aan John Dowland, de beroepsmelancholicus van de Engelse renaissance. Zeg liefde, en tranen vloeien, harten breken, leed is ondraaglijk, voor niemand is Vrouwe Fortuna zo wreed als voor de jongelingen die in deze liederen hun wedervaren verhalen.

Erg is het niet. Althans niet voor de luisteraars in de kleine zaal van het Concertgebouw in Amsterdam. Allicht, hier en daar verschijnt een weemoedig glimlachen, wordt een traantje weggepinkt, maar er wordt toch vooral verrukt bij gekeken. Hartenpijnen worden hier ingefluisterd met het allerzachtste, zoetste balsem dat een oor zich maar kan wensen.

Rond en gaaf vloeien klinkers in elkaar over, lossen dissonanten op, met hooguit een vage echo van schrijnende samenklanken. Die stem: teder, dwingend, verleidelijk en altijd onwaarschijnlijk zuiver en onaantastbaar schoon. Hoog en strak, omfloerst en krachtig, noch man, noch vrouw. Een engel.

Daags na het concert, een zonnige dag begin mei, zit de engel in de tuin van een hotel in Amsterdam-Zuid. Geen witte jurk, geen grote vleugels, geen goudblonde lokken. Gewoon een jongen met een bril, kort donker haar, een streepjesshirt en een honkbalpet. Andreas Scholl, internationaal gelauwerd countertenor, lacht hartelijk: 'Als we toch eens wisten hoe een engel klinkt.'

Voor alle duidelijkheid: een countertenor is tegenwoordig een natuurlijk fenomeen. Daar komen geen medische ingrepen meer aan te pas. Andreas Scholl had een volkomen gewone jeugd. Net zo gewoon als de andere Kiedricher Chorbuben die tot aan hun stembreuk de sopraan- en altpartijen in de missen en andere repertoirestukken meezingen.

Scholls grootvader, zijn vader en zijn oudere broer waren allemaal lid van het koor dat, nu zo'n 650 jaar geleden, in het kleine plaatsje Kiedrich bij Wiesbaden werd opgericht. Andreas werd, vanzelfsprekend, op zijn zevende ook lid: voetballen, tafeltennissen, elke dag een uurtje zangtraining en op zondag de mis. Heel gezellig.

Alleen Andreas' stem brak niet. Hij bleef tot z'n zeventiende sopraan zingen en werd daarna alt. Dat vond niemand raar. Behalve de zanglerares van het koor. Die vond het bijzonder. 'Zoiets heet een countertenor', zei ze tegen Scholl. 'Denk er eens over na of je er niet beroepsmatig iets mee wilt doen.' En in 1987, op z'n negentiende, verliet Andreas Scholl Kiedrich om in Basel aan de Schola Cantorum te studeren bij Richard Levitt, René Jacobs en Nigel Rogers.

'Eens kijken', was z'n gedachte, want zingen was voor Scholl eigenlijk nooit een kunst. Meer iets wat je gewoon doet. Het was een kwestie van twee maanden. Toen hoorde hij Monteverdi's Lamento della ninfa ('Liefde, waar is de trouw die de verrader mij beloofde') en was tot tranen geroerd. Wist: 'pfff, ik wil nóóit meer wat anders.'

'Wat is het bijzondere van zang? Wat roert ons? En wat fascineert ons tegenwoordig zo aan een countertenor?', vraagt hij zich af bij de broodjes die net zijn bezorgd. Hij krijgt brieven. Mensen die hem schrijven: 'Ik ken u allang, maar ik kan niet zeggen waarvan, dat zou voor u te shockerend zijn.' Daar ligt hij overigens echt niet wakker van, dit soort toespelingen op ontmoetingen in een eerder leven.

Er komen ook mensen na afloop van zijn concerten in de kleedkamer. Mensen die zeggen dat ze die-en-die aria zo prachtig vonden; die blij zijn dat ze 'even expert mogen zijn'. Maar ook mensen die helemaal niets van muziek weten, zijn aangedaan. 'Vandaag hoef ik niet meer te mediteren', zei een vrouw na een uitvoering van Vivaldi's Stabat mater. 'Like a spirit', zei een Franse circusclown bewonderend toen Scholl - met een Riesen-migraine - in Parijs de mis van Machaut had gezongen. Het maakt iets los en dat ligt ontegenzeggelijk voor het grootste deel in de muziek zelf. Scholl: 'Als ik de ziel van muziek raak, dan raak ik ook de mensen, dan beweegt alles zich in het onverklaarbare en is ook duidelijk dat het technische aspect van de muziek het minste is.' Maar de oorzaak ligt ook in zijn stem. Een man die zo hoog zingt, is in het beste geval bovennatuurlijk en in het slechtste onnatuurlijk.

Dat heeft niets te maken met onnatuurlijk zingen, benadrukt Scholl. Wanneer iemand met verkrampt gezicht staat te brullen en alle aderen in zijn hals zwellen op, dan is dat onnatuurlijk. Scholl: 'Dat het voor ons ongewoon is om een man hoog te horen zingen, is eerder een sociaal fenomeen.' In popmuziek is het geen probleem, niemand vraagt waarom de Beegees hoog zingen. Het operapubliek in de barok zat er ook niet mee. 'De mannelijkste rollen, de heldentenoren, dat waren toen heldencastraten. Julius Caesar, Admeto, alle grote koningen werden door castraten gezongen. Dat was mode, dat was toll. De held moest hoog zingen!'

Hij heeft er een geweldig boek over gelezen van Dominique Fernandez, Porporino, uit de jaren zeventig, toen 'nog niemand geïnteresseerd was in Farinelli'. Porporino is een fictief personage, een castraatzanger die op goed moment de jonge Mozart ontmoet. Ook Mozart vraagt zich af wat er dan zo attractief is aan castraatzangers. Scholl: 'En dat is toch het verlangen compleet te zijn. Niet alleen man óf vrouw - waarbij de clichés in de rolverdeling destijds nog sterker waren -, maar allebei. Castraatzangers leenden zich bij uitstek voor dat soort projecties: hoog en toch mannelijk.'

Niet voor niets heet zijn vorig jaar uitgebrachte debuut-cd bij Decca Heroes. Met Scholls eigen definitie op de omslag: 'Tot het heldendom behoort meer dan onbevreesd zegevieren. Mijn helden hebben ook hun zwakke momenten en moeten hun problemen overwinnen.' David in Saul, Bertarido in Rodelinda en Caesar in Giulio Cesare in Egitto (alle opera's van Handel) bevechten niet in de eerste plaats hun opponenten, maar hun eigen twijfel, eenzaamheid en angst. Menselijk, al te menselijk falen, zo pijnlijk weerspiegeld in een glasheldere klank, begeleid door troostrijke harmonieën.

In deze tijd, peinst Scholl, wordt veel met spiritualiteit gedaan. Mensen weten zelf niet wat ze verlangen. Neem die popmusicus, Adiemus, produceert in pseudo-latijn een hoop koeterwaals. Scholl, quasi-reciterend: 'hadiedadienatusdatusdominusblabla.' Toch krijgt deze Adiemus (een schepping van voormalig Soft Machine toetsenist Karl Jenkins) ook brieven van mensen die schrijven dat ze zo geholpen zijn door die muziek. 'We willen verlicht worden', zegt Scholl, 'maar liefst zonder ingewikkeld gedoe. Echt een boek lezen over esoterische wetenschappen of gnostiek doet niemand meer. Alles moet tot voor de deur gebracht worden. Daarom functioneren ook slechte dingen zo goed. Maar dat is niet het principe.'

Maar die kritiek geldt natuurlijk niet voor het hele genre en het zal Scholl er zeker niet van weerhouden zelf popmuziek te maken. Zijn eerstvolgende cd bij Decca wordt een pop-cd met eigen songs. Beetje bossanova, ballades, soul/funk. Dat deed hij altijd al. Bracht in Duitsland twee popsingles uit, één met de groep Generation, die daarna werd omgedoopt in Key Zero. Allebei geflopt. En een cd met nieuwe composities voor countertenor, bijvoorbeeld van Arvo Pärt, Hans Werner Henze, John Tavener en, wie weet, Philip Glass - dat zou hij ook wel willen.

Maar vooralsnog is Scholl tevreden met z'n nieuwste Vivaldi-cd. Hij had eerst het Stabat mater van Vivaldi gedaan en toen schreef een criticus dat hij benieuwd was naar het Nisi dominus. Reden om de bibliotheek in te duiken van de Schola Cantorum ('Ik kan daar alles vinden, heel luxe') en z'n artistieke vrijheid bij Decca te gebruiken ('Graag met het Australian Brandenburg Orchestra onder leiding van Paul Dyer, alstublieft').

Scholl glundert. Neem nou het 'Gloria patri'. Normaal komt er bij het Gloria altijd een batterij pauken en trompetten aan te pas. Maar bij het Nisi dominus? Het hele orkest wordt teruggebracht tot drie: viola d'amore, orgel en zanger. Vader, Zoon en Heilige Geest. Precies dat is zo mooi en zo spannend aan Vivaldi: simpel en toch staat steeds de muziek - de tekst, de boodschap - voorop. Daar gaat het om.

'Ik zing voor het publiek', zegt Scholl. 'Voor de mensen die luisteren, niet voor mezelf. Dat wil zeggen: ik heb een opdracht als zanger. Daarvoor heb ik mijn stem gekregen. Speciaal die van een countertenor, die is zo zeldzaam. Ik merk dat ik met muziek mensen kan raken, ik kan iets veranderen. Mensen komen vaak gestresst de concertzaal in, dan horen ze muziek, ze lachen, huilen misschien en als ze naar buiten gaan is er toch iets in ze veranderd. Ook al is het een heel klein beetje.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden