De heilige grond van Nagorno- Karabach

KARABACH-OORLOG (1988-1994) Het is door geen land ter wereld erkend: Nagorno-Karabach. Armeniërs vochten zich los van Azerbeidzjan en joegen de Azeri’s weg....

Wat de Eiffeltoren is voor Parijs, is een royaal geproportioneerd, uit de grond oprijzend beeldhouwwerk voor Stepanakert, het hoofdstadje van Nagorno-Karabach. Wij Zijn Onze Bergen heet het, poëtisch en in harmonie met het desolate landschap eromheen. Een stenen driehoek en rechthoek symboliseren vrouw en man – beiden voorzien van ogen, neus en mond. Romp en ledematen ontbreken. Die zijn niet nodig, zeggen de inwoners. Het lichaam onder de gebeeldhouwde gezichten is de heilige grond van Nagorno-Karabach. Alle Armeense inwoners van Karabach zijn als de man en vrouw van Wij Zijn Onze Bergen, vinden ze: diep verbonden met deze mystieke bodem.

Dieper dan de Azeri’s die hier nog niet zo lang geleden ook woonden. Meer dan veertigduizend woonden er voor de oorlog in 1988 begon. Toen het zes jaar later tot een staakt-het-vuren kwam, was Karabach nagenoeg geheel van Azeri’s gezuiverd.

Meer dan een miljoen mensen waren van huis en haard verdreven. Azeri’s én Armeniërs waren gevlucht voor het oorlogsgeweld. Armeniërs waren verdreven uit Azerbeidzjan. Azeri’s waren verdreven uit Armenië. Om en nabij de honderdduizend mensen waren verminkt. Tienduizenden omgekomen. Allemaal om een stukje grond van vierduizend vierkante kilometer, eentiende van Nederland.

Ook veertien jaar na de laatste gevechten eist dit stukje grond nog levens. Het staakt-het-vuren wordt geregeld geschonden; door de Azeri’s, zeggen de Armeniërs; door de Armeniërs, zeggen de Azeri’s. Bijna maandelijks lopen kinderen op ooit in grote hoeveelheden gelegde mijnen. Anno 2008 prijkt Nagorno-Karabach nog steeds in de toptien van gebieden met de hoogste mijnendichtheid per vierkante kilometer.

Sinds 1994 functioneert dit stukje land als een de facto onafhankelijk staatje. Het is door geen land ter wereld erkend. Minder dan 140 duizend mensen zijn hier achtergebleven, nagenoeg allemaal Armeens: het staatje is praktisch etnisch homogeen. Zij gedenken alleen de Armeense doden, de Azerische worden elders herdacht. Het dagelijks leven kent vele rituelen die draaien om Armeense heroïek en Armeens slachtofferschap. Elk klaslokaal in elk schoolgebouw heeft een gedenkhoek met zwart-witfoto’s van omgekomen leerlingen. In de laatste oorlogsjaren gingen zelfs jonge jongens onder de wapenen. Het onderwijs lag volledig plat. Iedereen wende aan 12-jarigen met kalasjnikovs.

Voor talloze zwart-witportretten in de grauwe Sovjet-flats van Stepanakert branden kaarsen. In een modern beeldhouwwerkje in het centrum is een rouwende moeder herkenbaar. Bijna iedere inwoner van Karabachs hoofdstadje, formaat Helmond, heeft wel een vader, opa, echtgenoot, broer, zoon of neef verloren. Kogelgaten worden gedicht, ruïnes herbouwd, onkruid gewied, kapotgeschoten militair materieel opgeruimd – maar de verloren familieleden keren niet terug.

De gesneuvelden zijn het offer dat het Armeense volk moest brengen voor de grond van Karabach, zeggen de nabestaanden, voor de aarde waaruit de gezichten van Wij Zijn Onze Bergen omhoogrijzen. De rechthoek- en de driehoek van het kunstwerk zijn terug te vinden op de emblemen van Karabachs officieel nog steeds illegale leger en politiemacht.

Dit ministaatje kent vele oorlogshelden wier beeltenissen in het landschap prijken. Allemaal zijn ze dood. Zo is daar de legendarische Armeense commandant Monte Melkonian, volgens de Azeri’s een oorlogsmisdager. In 1992 leidde hij de veldslagen die als beslissend worden beschouwd voor de Armeense overwinning. Juni 1993, een half jaar voor het staakt-het-vuren, liep hij in een Azerische hinderlaag. Een andere held van Karabach: Karo Kaqhedjian, alias ‘de Witte Beer’. Deze naar de Verenigde Staten geëmigreerde Armeniër gaf in 1991 zijn carrière eraan om te strijden voor de grond van Karabach. Hij zag Amerika niet terug, maar mag zich in Karabach verheugen in gedenktekens.

Nagorno-Karabach: het was het allereerste gebied dat de wereld in de late 20ste eeuw confronteerde met de duistere diepten die onder het Sovjet-oppervlak schuilgingen, het echte leven achter de propagandafilms vol fijne fabrieken, mooie flats en socialistisch geluk. Praten over de geschiedenis zoals die zich werkelijk had voltrokken, was in de Sovjet-Unie zeventig jaar lang taboe geweest. Gorbatsjov hief dit taboe medio 1985 op met zijn politiek van glasnost. Amper twee jaar was die aan de gang toen de nieuwe openheid in Karabach etnisch-nationalistische gevoelens deed ontvlammen. Nagorno-Karabach bleek een prototype. Wat hier gebeurde, gebeurde spoedig elders, op andere plekken in de Kaukasus, en dichterbij West-Europa, op de Balkan. Het heette wel ‘de terugkeer van de geschiedenis’.

Armeniërs en Azeri’s betwistten de zeggenschap over Nagorno-Karabach (en andere gebieden) toen de bolsjewieken de Kaukasus medio 1920 bij de Sovjet-Unie inlijfden. Niemand minder dan Stalin, toen Lenins volkscommissaris voor nationaliteiten, kwam met een oplossing die de territoriumdrift moest beteugelen en toewijding aan het communistische project moest garanderen. Hij sneed Nagorno-Karabach af van Armeens gebied door er een autonome enclave van te maken binnen de nieuwe Sovjet-republiek Azerbeidzjan.

Die geste was ook bedoeld als tegemoetkoming aan Turkije dat, hoopten Lenin en Stalin, weldra ook het communistische pad zou opgaan. De Turken, etnische broeders van de Azeri’s, hadden net hun eigen gebied van Armeniërs gezuiverd. Alom vreesden zij een grote Armeense Sovjet-republiek die Turkse territoria zou opeisen. Van het nieuwe kleine Armeense Sovjet-republiekje dat nu ontstond, hoefden de Turken niet bang te zijn.

Decennialang werden de gevoelens van rancune, frustratie en verbittering over het grote onrecht dat het Armeense volk was aangedaan, alleen geuit bij flessen wodka en wijn in de kleine keukentjes van de betonnen flats, of in duistere achterafzaaltjes. De wrok groeide door de jaren heen. Azerbeidzjan voerde in Armeense optiek een slinkse politiek om Nagorno-Karabach ‘Azerischer’ te maken. Medio 1988 was nog maar tweederde van de inwoners Armeens.

Wat jarenlang in het geheim werd gezegd, kon door de glasnost ineens openlijk worden verkondigd. Op 20 februari 1988 spraken Armeense afgevaardigden van de kleine Karabach-Sovjet hun afschuw uit over de gebeurtenissen van bijna zeven decennia eerder. Zij stemden voor de afscheiding van Karabach van Azerbeidzjan en voor vereniging met Armenië. Amper twee dagen later kwam het bij Askeran al tot een bloedig treffen.

Het bleek het begin van een geweldspiraal. In de vier jaar die volgden, ging het van kwaad tot erger. De Sovjet-Unie viel uiteen, Armenië en Azerbeidzjan werden onafhankelijke staten, bouwden legers op en kochten waar ze konden wapens. Winter 1991 was de totale oorlog een feit. Voorjaar 1994 kwam het tot een staakt-het-vuren, na tweeënhalf jaar van intense strijd en enorm menselijk leed.

Wat heeft het opgeleverd? Een illegaal ministaatje. Armenië kan het erkennen noch inlijven op straffe van medeverantwoordelijkheid voor oorlogsmisdaden. Een ministaatje vol ruïnes, littekens en spooksteden. Het meest sinister is het volledig onbewoonde Agdam waaruit in 1993 meer dan 160 duizend Azeri’s werden verdreven.

Een ander gevolg van de oorlog: een hele generatie jongeren voor wie dit ministaatje de enige realiteit is die ze kennen. Ze waren baby, peuter of kleuter toen de oorlog woedde. Ze zaten met hun moeders en oma’s in de schuilkelders terwijl hun vaders, opa’s en oudere broers vochten. Aan de oorlogsjaren hebben ze hoogstens vage eigen herinneringen. Omgekomen familieleden hebben ze nooit gekend, voor hen zijn ze zwart-witfoto’s.

De nieuwe generaties van Karabach groeien op met de gedenktekens in klaslokalen. Ze leren op school dat Armeense tradities nergens zo goed bewaard zijn als in Nagorno-Karabach, dat de Armeense taal nergens in zo’n pure en oorspronkelijke vorm wordt gesproken.

Dit illegale ministaatje is voor hen zowel een voldongen feit, een reden van trots als een stevig paar gesloten luiken – luiken die hun verhinderen de wereld in te kijken. De jongeren van Karabach zeggen het niet makkelijk, maar velen zouden willen dat die luiken zouden opengaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden