De Grote Curve van Henri Laurens

Het is eenvoudig de beelden van Henri Laurens voor lief te nemen. Tot je bedenkt hoe voor hem elk werk een sprong in het duister moet zijn geweest.

Nu (naakt), 1921.Beeld ADAGP, Paris 2014, collectie Centre Pompidou

Op het Lange Voorhout vliegt een roofvogel. Geen echte natuurlijk, maar eentje van polyester en aluminium. Met gestrekte vleugels strijkt hij neer op een al even artificiële valkenier. Kinderen stuiven eropaf, en dat begrijp je wel, het is een mooi beest: elegant gestileerd en toch direct herkenbaar. De maker heet Cyrille André, een kunstenaar van Frans/Algerijnse afkomst. Maar dat hij hier vliegt, komt misschien ook een beetje door Henri Laurens.

Moderne plastische kunsten
Die naam had ik niet paraat. U misschien ook niet. Laurens was een Franse beeldhouwer, levend van eind 19de tot halverwege eerste helft 20ste eeuw, die in die periode het stokje van Rodin overnam als 's lands fakkeldrager van de moderne plastische kunsten. Hij was bevriend met Braque, Gris, Delauney, Jacob en Matisse, en experimenteerde met het kubisme tot hij in de jaren dertig zijn signature style vond: rond, open, semi-abstract met veel glooiende vormen. De Brit Henry Moore zag het, jatte het en elleboogde Laurens, zo stel ik me voor, onbedoeld van het hoofdpodium. Museum Beelden aan Zee, dat deze zomer aandacht besteedt aan Franse sculptuur, rijp en groen (op het Lange Voorhout dus de hedendaagse, zie kader), en wiens directeur Jan Teeuwisse sowieso een lintje verdient voor zijn inzet voor het tonen van buitenlandse beeldhouwkunst hier te lande, probeert hem nu te in ere te herstellen met een monografische tentoonstelling.

De Grote Curve

Henri Laurens 1885-1954, De Grote Curve
Museum Beelden aan Zee, Scheveningen, t/m 26/10.
Beeldenaanzee.nl

Le Drapeau (de vlag), 1939.Beeld ADAGP, Paris 2014, collectie Centre Pompidou

Een pittige klus. Er is iets met deze Laurens, iets waar hij weinig aan kan doen, maar dat toch tegen hem werkt, zo bij de eerste kennismaking: zijn herkenbaarheid. Die is nogal groot. Je kijkt naar zijn werk en denkt aan Moore, maar ook aan die obligate mollige figuurtjes die de vitrines van galeries in iedere provinciestad bevolken. Tenminste, ík dacht dat. En het temperde m'n enthousiasme eerlijk gezegd, totdat ik me voorstelde wat voor indruk Laurens moet hebben gemaakt op de goegemeente van zijn tijd. Hoe vreemd hij - en met hem een relatief kleine groep andere beeldhouwers - afstak tegen de heersende beeldhouwkunst.

Hegemonie
Die beeldhouwkunst was naar hedendaagse maatstaven namelijk onvoorstelbaar eenvormig. Zij kende, uitzonderingen daargelaten, slechts één gezicht: het klassieke. Had je een rotonde, en moest er op die rotonde een monument komen ter ere van zeg, de Triomf van de Republiek, dan was de vraag niet of maar hoeveel goden, leeuwen en half ontklede nimfen je wilde hebben. Ik chargeer, absoluut, maar de naweeën van de academie waren nog altijd voelbaar. Die hegemonie ging totaal aan diggelen. Door toedoen van Rodin, Maillol, Picasso, Archipenko, Lipchitz, Brancusi. En dus ook deze Henri Laurens.

Zijn tentoonstelling in Beelden aan Zee is bescheiden, maar hoogwaardig en biedt goed inzicht in Laurens' ontwikkeling. Ik heb een voorkeur voor het vroege werk, het kubistische, en dan in het bijzonder voor een vijftal voorstudies in broos terracotta. Een jockey, een naakt, een vrouwenkop, stuk voor stuk koukleumen: kop, romp, ledematen - alles zit dicht opeengedrukt. Veel is mooi aan deze stukken, vooral de vlakken waaruit ze zijn opgebouwd. Hoe die het licht steeds onder een andere hoek vangen, tekening brengen in een massieve vorm.

Laurens maakte ze niet erg lang. Zijn figuren werden ronder, organischer, gestroomlijnd, gestileerd op een manier die me soms doet denken aan die smeltende robot uit Terminator. De ledematen komen los van het lichaam. Soms een beetje te los, misschien. Hier en daar plakt Laurens een arm aan een lijf zoals ze in België erkertjes en andere uitbouwsels tegen woningen aanplakken: schijnbaar willekeurig, zonder al te veel rekening te houden met de hoofdvorm.

Sprong in het duister
Dat zijn uitzonderingen. De meeste beelden ogen als uit één stuk. Heel goed is Dormeuse, een potige dierlijke figuur, op de rug gelegen, maar het werk dat ik hier wil uitlichten is Nu à la Grappe uit 1952. Een naakt met een tros, aldus de titel, maar mij deed het denken aan de Farnese Hercules, die uit Napels, met die knuppel en die appeltjes achter z'n rug, zij het eentje met vrouwelijke heupen en dikke dijen. Het is makkelijk om zo'n beeld voor lief te nemen, helemaal met het gelijk van de geschiedenis aan je zijde, maar vergeet niet hoe iedere afwijking van realisme een sprong in het duister was; hoe iedere deformatie op het onbegrip moest worden gewonnen.

Was die sprong uitgebleven dan was een trits Laurens-achtige beeldhouwers wellicht nooit tot wasdom gekomen: Henry Moore, Nikki De Saint Phalle, tot een wat minder bekende Nederlandse beeldhouwer als Ed van Teeseling aan toe. En die kranige valkenier op het Lange Voorhout, die had er misschien ook niet gestaan.

La Banderole (de banderol), 1931.Beeld ADAGP, Paris 2014, collectie Centre Pompidou

Kopstoot

Gelijktijdig met de Henri Laurens-expositie is op het Lange Voorhout de jaarlijkse beeldenmanifestatie te zien. Die gaat over Frankrijk, is getiteld Grandeur en heeft dus inderdaad als thema: grote beelden. Noemenswaardig: een taart van beschilderd polyester, het paard van Troje op een boot, bovenproportioneel tuinmeubilair en een weergave van een kopstoot van Zinédine Zidane aan de Italiaanse verdediger Materazzi tijdens de WK-finale van 2006.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden