De grootste wijsgeer van de wereld

HAAR IN 1938 verschenen, in 1971 herdrukte en nog altijd niet overtroffen wetenschappelijke biografie van Héloise begint Enid McLeod zo: 'Sinds Héloise stierf, bijna achthonderd jaar geleden, is haar naam blijven branden in de menselijke verbeelding, vanwege de grootheid van haar liefde voor Abélard....

Het lijkt rechtvaardig dat Étienne Gilson in de titel van zijn ook in 1938 verschenen meesterlijke dubbelstudie haar naam voorop zette: Héloise et Abélard, want zeker in grootheid van karakter en hartstocht is zij de meerdere van de filosoof, die zij, al vroeg uitzonderlijk in geleerdheid, aanvankelijk ook in kennis, zou hebben overtroffen: hij verloor zich ook aan haar geleerdheid, zoals hij al vroeg in zijn leven zich had laten verleiden door Minerva, de godin van de geleerdheid. Hij, de oudste zoon van een ridder, werd clericus en daarmee een 'geestelijke eunuch': hij koos ook voor het celibaat, en van de mannen die hem in 1118 castreerden - hij is dan negenendertig jaar - is gezegd dat zij het celibaat tot werkelijkheid voor hem maakten. Dat kan wat grof gezegd lijken, maar het is in de geest van Abélard zelf (en van zijn tijd): na zijn castratie werd hij een eunuch voor God, monnik. Hij zal zijn castratie vele malen, naar het lijkt, uitspelen ter bevestiging van zijn monastieke staat. Hij was er een meester in zelfs zijn tekorten als uitzonderlijke kwaliteiten te presenteren. Héloise hield hem voor de grootste filosoof van de wereld - en ook dat kan de grootheid van haar liefde bewijzen - en hij was zelf de eerste om dat te beamen: zijn arrogantie werd, ook door zijn bewonderende tijdgenoten, gehekeld. Aan erenamen heeft het hem niet ontbroken - 'de tweede Aristoteles' is er een van. Hij was lange tijd een van de meest gezochte leermeesters van zijn eeuw, zelf nog student viel hij zijn eigen leermeesters, de grootsten van toen, fel aan.

Hij moet door een ongekende ambitie zijn gedreven. En ze werden voor een deel vervuld. Maar zijn autobiografie, geschreven in de vorm van een troostbrief aan een - onbekende - vriend, noemde hij De geschiedenis van mijn rampspoed. Tot twee keer toe - in 1121 en in 1140, twee jaar voor zijn dood - werd hij in het openbaar door de Kerk verketterd en zijn werken werden naar het vuur verwezen. 'De logica heeft mij gehaat gemaakt', zal hij aan Héloise schrijven. De oorzaak van zijn rampspoed ligt altijd bij anderen. Die altijd op de scherpste wijze op begrip uit was, wist zich onbegrepen. Hij kreeg de adem van de heilige haat van Bernardus van Clairvaux in het gezicht en diens taal heeft hem van alles misschien het meest verpletterd; hij had slechts zijn wetenschap en geen literatuur als weerwoord. Die andere grote abt, Petrus Venerabilis van Cluny, heeft Abélard onvoorwaardelijk bewonderd en groot geacht; hij nam hem na de veroordeling van 1140 op in een van zijn kloosters. Twee jaar later stierf Abélard er.

In een van de mooiste brieven die ik ken, stelt Petrus Venerabilis Héloise, abdis van het klooster De Paracleet, van Abélards dood op de hoogte. Hij zal het stoffelijk overschot zelf naar Héloises klooster begeleiden. Het wordt daar in de kerk begraven. Tweeëntwintig jaar later sterft zij en krijgt haar graf naast het zijne. Nu liggen zij getweeën op Père Lachaise in Parijs, de stad van hun passie, die bij haar nooit geëindigd is, zoals zij hem in enkele brieven schrijft, zo onomwonden, zo ongewoon - 'eerst jij, dan Christus' - dat men ze voor vervalsingen uit later tijd heeft gehouden. Voor hem is zij de 'zuster in Christus'; hij lijkt slechts de vrome gemeenplaats, die uiting van karakterloosheid, nog te willen kennen!

AAN HET BEGIN van een vierhonderd bladzijden tellende biografie is dit een onthutsende zin: 'Pierre Abélard, nu vergeten, was eens de beroemdste man van de wereld.' Meteen in de tweede zin wordt Héloise geciteerd, in haar altijd geladen taal: 'Welke koning of filosoof kon jouw roem evenaren? Welk koninkrijk of welke stad verlangde er niet naar jou te zien? Wie rende niet toe om zijn ogen aan jou te wagen wanneer je in het publiek verscheen, wie rekte zijn nek niet uit? Welke getrouwde vrouw, welk jong meisje verlangde niet naar je in je afwezigheid en raakte niet in vuur in je aanwezigheid? Welke koningin, welke voorname en machtige vrouw benijdde mij niet mijn vreugde en mijn bed?'

Geen wonder dat zij een literaire figuur is geworden en zo onvergetelijk, over acht eeuwen en meer heen. Als Abélard al niet vergeten is, is het door haar.

In de eerste zin spreekt de wetenschap, in de tweede de liefde. Maar is Abélard zo vergeten als zijn biograaf, M.T. Clanchy, meent? Ik geloof het niet, misschien wil ik het niet geloven. Maar het kan tekenend zijn dat A.H. Bredero, de groter kenner van Bernardus van Clairvaux, in 1986 zijn afscheidscollege over Abélard gaf - De rampspoed van een gedreven schoolmeester is de mooie ondertitel ervan - en daarin het bekende verhaal van zijn leven vertelde, meer niet. Het moet onbekend zijn geworden. De werkelijk imponerende biografie van Clanchy zal hem voorlopig onvergetelijk maken.

Het bijzonderste aan deze biografie is dat Clanchy aan Abélard zijn bijzonderheid ontneemt. De ondertitel van zijn boek Abelard is A Medieval Life. Hij plaatst Abélard helemaal in zijn tijd terug (waarvan hij in zijn onsterfelijkheid los geraakt leek te zijn) en geeft hem op indrukwekkende wijze zijn context: de intellectuele en religieuze geschiedenis van de eerste helft van de twaalfde eeuw. Abélard wordt zichtbaar gemaakt in zijn wereld en daarvan heeft hij heel veel op- en overgenomen. Hij was - niet in denigrerende betekenis - conventioneler dan zijn bijna autonoom geworden gestalte doet vermoeden. Hij zit midden in het web van zijn eeuw.

Het ongewone aan hem is natuurlijk de grilligheid van zijn levensverloop en dat is de geschiedenis van zijn rampspoed. Het meesterlijke geschrift dat zijn verhaal is - een der sterkste teksten uit de middeleeuwse letterkunde, is er vele malen van gezegd - heeft ons de interpretatie van zijn levensloop welhaast opgedrongen. Die geschiedenis is ook Clanchy's belangrijkste bron, maar hij vouwt die uit, verwijdt ze binnen de tijd, maakt ze minder egocentrisch, waardoor ze, paradoxalerwijs, meer over Abélard zegt.

Men kan zeggen dat de biografie een eindpunt van een geleidelijke conventionalisering is. Nog in de vorige eeuw werd, onder meer door Renan, Abélard uit zijn tijd getild en als de eerste vrijdenker welhaast tot de patroon van de nieuwe geesten gemaakt. Elke ketter wordt ooit een voorloper. Het ketterse karakter van zijn theologische werken heeft een vrij hardnekkig leven gehad; het oordeel van de tijdgenoten lijkt haast overgenomen. Hij werd in zijn tijd verketterd vanuit de sterk spiritualistische en mystieke monastieke theologie, die de traditie was. Die was eerder beschouwend van karakter, verdiepend ook, maar het onuitsprekelijke eerbiedigend.

Misschien is Abélard - en dan ligt daar een breuk - de eerste theoloog die geen literator was (bijna alle theologie voor hem en rondom hem is literatuur), hij stelde vragen vanuit de wetenschap, van buitenaf, als men wil. Hij wilde begrijpen wat hij geloofde. Geleidelijk is gaan blijken, dat hij in zijn tijd geen eenling was, de opkomende scholastiek kende geestgenoten van hem, en steeds is ook meer - en dat is dan het eindpunt - zijn orthodoxie zichtbaar geworden. Daarmee is hij theologisch volkomen geconventionaliseerd. Als alle geleerden werkte hij in een spiegelkamer. Die heeft Clanchy in zijn biografie opgeroepen.

DE WERKWIJZE VAN Clanchy doet enigszins denken aan die van Frits van Oostrom in diens biografie van Jacob van Maerlant. Die reconstrueerde vanuit een grote algemene kennis de wereld van Van Maerlant, van wie wij alleen de werken hebben en over wiens leven niets bekend is. In het hart van het boek wordt zijn gestalte zichtbaar, een passende tijdgenoot, onvermijdelijk. Van Abélards leven is niet veel meer bekend dan zijn autobiografie en de brieven aan Héloise, maar niet alleen zijn nogal wat data onzeker, er zijn ook vele gaten. Reconstructie van zijn wereld was noodzaak, om hem daarin zichtbaar te kunnen maken. Clanchy houdt weliswaar de chronologie aan, maar het leven van Abélard beschrijft hij onder het hoofd van elke functie die hij in zijn leven heeft uitgeoefend. En de wereld van de student, van de clericus, van de magister, van de jonge man, van de man, de minnaar, de monnik worden zeer gedetailleerd en uit heel veel bronnen beschreven.

En in haast elk onderdeel verdwijnt de uitzonderlijkheid voor het meer algemene of conventionele, van de gevolgde methode het gevolg. Zo wordt deze biografie niet alleen het verhaal van de verschillende standen en functies, men krijgt ook een indrukwekkend beeld van onderwijs en wetenschap en van de organisatie daarvan, van het kloosterleven, van de ridderstand - waaraan Abélard verzaakte, al moet zijn strijdbaarheid tot het ridderideaal terug te voeren zijn - van de praktijk van de castratie zelfs. En men krijgt schitterende portretten van Abélards leermeesters en van vele andere tijdgenoten, met die van Bernardus en Petrus Venerabilis als hoogtepunten. De twee stonden tegenover elkaar, niet alleen in de kwestie Abélard. Misschien is dit het mooiste: Bernardus spuwt Abélard uit, juist als monnik ('hij draagt er alleen de kleren van! En welke onmonastieke theologie', schreef hij); Petrus Venerabilis eert Abélard na diens dood juist als de voorbeeldige monnik!

Misschien zijn beste bladzijden schrijft de auteur over het huwelijk van Abélard en Héloise, Daar komt eigenlijk heel veel in samen. Het huwelijk is een scheiding, dat is zijn mooiste vondst: Abélard zou zijn leven voortzetten en Héloise weer bij haar oom Fulbert gaan wonen. Conventies te over om die huwelijk-scheiding mogelijk te maken. Héloise heeft zich steeds tegen het huwelijk uitgesproken, ze ontkende het ook. De magister moest vrij zijn en dus 'officieel' celibatair; Abélards carrière ging haar voor haar geluk. Zij heeft zichzelf helemaal weggecijferd en liet zich - getrouwde vrouw - zelfs schaken en in een klooster onderbrengen. Die daad kostte Abélard zijn mannelijkheid. Hij heeft in feite hun relatie tot het uiterste geconventionaliseerd: beide gehuwden in het klooster. Later zal hij van het klooster van Héloise ook de geestelijke leidsman worden en er zelfs een regel voor schrijven.

'Eunuch voor God' - het was een van de symbolische aanduidingen voor het kloosterleven. Bij Abélard was ze lichamelijke en geestelijke werkelijkheid. 'Dood voor de wereld' was een andere aanduiding. Héloise gebruikt die, maar ook bij haar vallen symbool en werkelijkheid samen: zij weet zich, door de afwezigheid van Abélard, dood. Dat samenvallen van geest en letter of het door de letter gedwongen suggereren van de geest - het geeft een diep inzicht in het middeleeuwse religieuze denken. En daarmee in de maatschappij die het tekort tot vervulling weet te verbeelden. Clanchy maakt in zijn biografie heel veel van de geest van het middeleeuwse leven zichtbaar, de mentaliteitsgeschiedenis achter alle voorvallen en ramspoeden.

0 BÉLARDS FILOSOFISCHE, theologische en ethische geschriften krijgen uitgebreide aandacht en dat steeds in de context van het denken en theologiseren van zijn tijd. De grote magisters van zijn tijd, waaronder zijn leermeesters, hebben weinig of niets gepubliceerd. De oorzaak is niet alleen hun vele werk met hun onderwijs en hun studenten, maar ook gebrek aan middelen: zij hadden niet, als monniken, een grote bibliotheek en een scriptorium tot hun beschikking. Anselmus van Canterbury was abt, hij publiceerde veel. Daardoor kon Abélard hem ook aanvallen, wat hij overfel deed, met graagte bijna. Hij zelf begint pas met publiceren als hij in het klooster is en dus over faciliteiten beschikt. Monniken hadden niet alleen status, maar ook macht. Het is waarschijnlijk wat anachronistisch, maar de magisters lijken vaak, ondanks hun clericus-zijn, de eerste sprekende leken in de kerk of in de monastieke cultuur. Met alle gevolgen van wantrouwen en verdachtmakingen. Abélard moge monnik zijn geworden, maar hij heeft altijd de eigenzinnigheid gehouden van de buitenstaander, die hij als magister was. Zijn persoon en geschiedenis zijn niet uniek, maar hij is een eenling in zijn tijd.

Zijn arrogantie daagde uit, hij heeft meer vijanden dan vrienden gehad, maar wel bewondering gewekt, zeker bij zijn studenten, van wie enkelen tot de groten van de latere tijd zullen behoren. Hij was 'zonder gelijke en zonder meerdere', schreef Petrus Venerabilis na zijn dood. 'Maar hij kon', schrijft zijn biograaf in de laatste regels, 'een gelijke of meerdere niet verdragen, Héloise uitgezonderd.'

Zij krijgt van de biograaf het laatste woord, het slot van haar eerste brief aan hem: 'Ik sluit deze lange brief af met een kort einde: ''Vale, unice''.' En dat laatste woord is meer dan 'uniek'; het betekent ook dat hij voor haar de enige is. ('my only love', vertaalde Betty Radice de woorden indertijd, maar de dubbelzinnigheid is dan weg). Héloise schrijf dat als zij abdis is.

Het is een schitterend slot van de brief én van de biografie, waarin zoveel uniekheid aan Abélard is ontnomen. Zijn antwoordbrief sluit Abélard af met de woorden: 'Leef gelukkig, maar, bid ik, gedenk mij in Christus.' Dat is niet alleen conventie, maar ook een bot negeren van haar woorden. Zij was te groot voor hem. En zo maakt zij hem toch onvergetelijk, ondanks deze werkelijk zeer imponerende biografie, die ook heel goed en beeldend is geschreven.

M.T. Clanchy, A Medieval Life, Blackwell, Oxford, prijs ¿ 162,90.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden