Top-10 Humor

De grappigste fragmenten uit de Nederlandse literatuur

V Zomer Magazine kiest de grappigste fragmenten uit de Nederlandse literatuur. Bij wijze van inleiding vroegen we hoogleraar psychologie Madelijn Strick: wat is humor? Daarna nummer 10: het verhaal ‘Tot zoens’ van Remco Campert.

Remco Campert Foto ANP

In 2007 was literatuurcriticus Kees Fens gevraagd het boekenweekessay te schrijven, over humor, ondanks zijn eerdere uitlatingen over het onderwerp: ‘Echte humor is een diepbijtend zuur. Ik zou niet graag een definitie van humor geven.’ 

Een definitie gaf Fens in zijn essay dan ook niet. Wel vertelde hij waar en wanneer volgens hem de befaamde Britse humor was ontstaan, namelijk op 22 juni 1535, toen bisschop John Fisher uit de Londense Tower werd gehaald en naar het schavot geleid, waar de beul hem zijn hoofd zou afslaan. Op weg naar het schavot vroeg hij om zijn schoudermanteltje; hij vatte liever geen kou.

Wat is humor? De bekendste definitie komt van schrijver Godfried Bomans, die humor in een van zijn aforismen omschreef als overwonnen droefheid. Dat is één vorm van humor. Humor kan vrolijk en licht zijn maar ook gitzwart; lief maar ook vals; subtiel maar ook plat. Humor heeft talloze gedaanten en wordt door iedereen anders beleefd. De een vindt Simon Carmiggelt een droevige druiloor, de ander noemt hem de grappigste schrijver aller tijden. Wel poppen als het om humor in de Nederlandstalige literatuur gaat steevast dezelfde namen op: Bomans en Carmiggelt dus, maar ook Remco Campert, Arnon Grunberg, Kees van Kooten, Bob den Uyl, Ronald Giphart, Herman Brusselmans.

En Gerard Reve, uiteraard.

Wat is humor? ‘Het simpelste antwoord is’, zegt psycholoog Madelijn Strick van de Universiteit Utrecht, ‘dingen op een niet serieuze manier zeggen of doen. Gek doen met de bedoeling een ander aan het lachen of glimlachen te krijgen.’ 

Strick, gepromoveerd op humor in de reclame, besteedt deze zomer aan reizen en aan het schrijven van een boek over humor, dat in 2019 moet verschijnen. De werktitel: Humor is een van de vier pijlers van het universum, de andere drie ben ik vergeten. Centraal daarin staat het effect van humor op de inhoud van een boodschap. ‘Als bijvoorbeeld een cabaretier grappen gebruikt in zijn show, maakt dat zijn punt dan overtuigender of juist niet?’

Humor is niet exclusief menselijk. ‘Dieren kunnen ook gek doen. Je hebt vogels die het leuk vinden af en toe op de kop te vliegen; dat zou je kunnen zien als humor. Ze lachen er niet bij maar het is wel iets geavanceerds. Simpele dieren zijn alleen gericht op overleving – voedsel, seks en veiligheid – maar een dier dat intelligenter is, gaat spelen. En humor is een vorm van spelen. Hoe slimmer dieren zijn, hoe meer ze spelen.’

Lachen doen dieren ook. Strick: ‘Lachen wordt gezien als aangeboren, kinderen beginnen er al heel vroeg mee en blinde kinderen lachen ook, die nemen dat niet over van hun ouders. Maar lachen heeft niet per se met humor te maken. Lachen is een uiting van plezier en vooral ook van sociaal contact, lachen doe je om te laten zien dat je elkaar aardig vindt. Mensen zitten de hele dag naar elkaar te lachen zonder dat sprake hoeft te zijn van humor.’

De komende weken brengt V Zomer een selectie van de grappigste fragmenten uit de Nederlandse literatuur, bijeengezocht door de boekenredactie van de Volkskrant. Strick zal elk fragment kort becommentariëren. Overigens denkt ze bij de woorden ‘Nederlandse literatuur’ niet meteen aan humor. ‘Ik heb het idee dat de Nederlandse literatuur vrij serieus en zwaar is, dat schrijvers proberen vooral de diepere emoties te raken. Nederlandse auteurs houden van kunst met een grote k. Ze vinden het ook prettig een beetje moeilijk te doen, bijvoorbeeld door met het einde te beginnen. Ik denk dat het in Engeland normaler is gewoon een lekker verhaal te vertellen. Maar dat zeg ik niet als wetenschapper, gewoon als mezelf.’

Er zijn verschillende ingrediënten die een saaie tekst tot een grappige tekst kunnen maken. Onaangepast gedrag is er een, overdrijving ook; verder scoren leedvermaak, herkenbaarheid, afstand en relativering dan wel ironie of sarcasme, zelfspot en absurditeit hoog. ‘Het wordt leuk wanneer je heilige huisjes omver werpt’, zegt Strick. ‘Aanschoppen tegen mensen voor wie je eigenlijk bang bent of die ontzag oproepen. Het moet tegen een grens aanschurken. Daarbij geldt een belangrijk onderscheid tussen naar boven trappen en naar beneden trappen. Dat eerste is meestal leuk, omdat het gericht is tot mensen met meer macht, of het nou politici zijn of acteurs die zichzelf heel interessant vinden. Naar beneden trappen, dus iemand belachelijk maken die lager in de hiërarchie staat dan jij, is bijna nooit grappig.’

Al geldt ook daar dat dingen die niet mogen, juist weer leuk kunnen zijn. ‘Humor heeft vaak met spanning te maken, dat zie je ook tijdens begrafenissen waarbij je zomaar de slappe lach kunt krijgen. Mensen die een tic hebben, raar praten: je mag er niet om lachen en daarom doe je het juist wel. Taboe-onderwerpen zijn spannend. In wezen is elke emotie, dus ook humor, gemakkelijker op te roepen als je al een hogere hartslag hebt; als sprake is van enige opgewondenheid.’

Van alle emoties is humor de meest persoonlijke. Strick: ‘Het is ook een van de moeilijkste om op te roepen bij anderen.’ In dat verband is er een interessant m/v-verschil: ‘Mannen zeggen net zo vaak als vrouwen dat ze een partner zoeken met gevoel voor humor. Maar mannen bedoelen dan dat ze iemand zoeken die om hun grappen lacht, en vrouwen dat ze een man zoeken die hen aan het lachen maakt. Grappen maken hoort bij macht. Anderen aan het lachen kunnen maken, in het middelpunt van de belangstelling staan: daar is een zekere mate van macht voor nodig.’

 ‘Poostzeven,’ bijt ik hem toe. ‘Twee van zus. En een anvulflop.’

Tot Zoens van Remco Campert

Op de Ramblas, onderaan, dicht bij het beeld van Columbus, staan de schoenpoetsers van Barcelona; slordige vrijbuiterige mannen die beschuldigend wijzen naar je schoeisel en er met zware, gebarsten stemmen op aandringen dat je, voor het te laat is, je schoenen laat reinigen.Uit natuurlijke schroom liep ik de eerste dagen van mijn verblijf met een boogje om hen heen of wendde grote haast voor, maar er kwam een ogenblik waarop ik om van het gezeur af te zijn besloot om op zo’n offerte in te gaan. Ik ging op een terras zitten en na mijn toestemmend knikje hurkte een slaaf aan mijn voeten en begon te smeren, te borstelen en te poetsen aan mijn spiksplinternieuwe, een paar dagen tevoren in Amsterdam gekochte schoenen.

‘Mooie schoenen’, zei hij na een poosje. ‘Si,’ antwoordde ik in smetteloos Spaans.

‘Italiaanse schoenen?’, vroeg hij.

‘Italiaanse schoenen’, bevestigde ik.

Verder wist ik niks. Plotseling betrok het gezicht van de schoenpoetser en staakte hij zijn bezigheden. Hoofdschuddend tikte hij met zijn vinger op een kreukeltje in het bovenleer van mijn schoen. Daarna bestudeerde hij de onderkant van mijn schoenen en maakte meewarige geluiden. Wat hij daar aantrof scheen ook niet veel soeps te zijn.

Op dat moment was ik verloren. Ik maakte nog een gebaar van niets aan te doen, zo is het leven, alles kreukelt eens, toen zijn gezicht begon te stralen en hij mijn been in een houdgreep nam en op zijn geweldige dij sleurde, zodat ik bijna van mijn stoeltje gleed. Met zijn vrije hand rommelde hij in zijn kistje en bracht een zool te voorschijn die eruitzag als een grote plak drop. Voor ik kon bedenken wat ‘Nee, niet doen, meneer’ in het Spaans was, begon hij die zool vast te timmeren op de onderkant van de nog maar kort geleden in gebruik genomen schoen. Ook de andere schoen werd in een bliksemactie opgelapt. Al na twee dagen gingen de overbodige nieuwe zolen los zitten, zodat ik me hol flappend door de stad bewoog, als een pinguïn met slecht bevestigde voeten.

Zo’n voorval heeft natuurlijk alles te maken met gebrek aan kennis van de Spaanse taal. Een keer ging ik in hetzelfde land een ­sigarettenwinkel in om postzegels en een envelop te kopen, producten die men zich daar naast de rookwaren kan aanschaffen. Tabacos staat er op zo’n winkel, een woord dat een beetje doet denken aan het soort Spaans dat je op je eigen houtje verzint als je nog heel jong bent.

Ik wist dat het woord voor postzegel sello was en dat een envelop een sobre was; er kon dus weinig misgaan, dacht ik. Maar de winkelier keek me wanhopig aan toen ik mijn bestelling had geplaatst en begon weifelend achter zich te tasten naar een sigarettenmerk waarvan hij bijna zeker wist dat het niet bestond.

Later, toen alles op zijn pootjes was terechtgekomen, vroeg ik me af hoe het nu allemaal geklonken zou hebben als het Nederlands was geweest.

Ongeveer zó, vermoed ik.

‘Goedegommel.’ (Dat is mijn ochtendgroet bij het binnenkomen van de winkel.)

‘Wat wenst u?’ (De winkelier heeft al iets schichtigs in zijn blik gekregen.)

‘Twee pestzagels van zus peezzetas en een vanderlop, astamblief.’

‘Wélk merk zei u precies?’

De winkelier begint aan een lange opsomming van zijn sigarettenmerken.

Ik begrijp dat er iets niet goed is gegaan.

‘Nee, nee, geen sigoeretzums. Ik wil hebben poeszeggers en een ankerdop. Asserbieft.’

De winkelier helpt eerst een paar andere klanten en drukt me dan een doosje lucifers in de hand.

Verdomme, ik spreek het toch zeker duidelijk genoeg uit. ‘Poostzeven,’ bijt ik hem toe. ‘Twee van zus. En een anvulflop.’

Wat kán hij bedoelen? zie ik de winkelier denken.

En hij zegt, zijn moerstaal sterk vereenvoudigend: ‘Wij deze niet hebben.’

Hij deze niet hebben? Dat wil er bij mij niet in.

‘Wat?! U niet hebben portvlegels en een appulloep?’

‘Neen. Wij hebben Kameelfilter, Marobórolo en Felipe Maurice. En natuurlijk heerlijke sigaremanze en pipotabakkos.’

Gelukkig komt er nu een klant binnen die ook postzegels moet hebben en ik begin opgewonden knikkend op de te voorschijn gebrachte zegels te wijzen. De winkelier begrijpt me en even later heb ik er twee van zus te pakken en kort daarop mijn vanvulvop.

‘Muy bien, muy bien’, zegt de winkelier zoals men tegen een kind spreekt dat een eenvoudige optelsom tot een goed einde heeft gebracht.

‘Hel god, hel god’, echo ik tevreden.

En met een welgemeend ‘tot zoens’ verlaat ik de zaak.

Jurycommentaar

Julien Althuisius: ‘Ik las dit verhaal denk ik vijftien jaar geleden, toen ik met mijn toenmalige vriendinnetje naar Barcelona was. Ik moest destijds huilen van het lachen. Toen ze enigszins geïrriteerd zei: ‘Nou ja, doe even normaal’, liet ik het haar lezen. Zij hield het ook niet droog.’

Jeroen van Merwijk: ‘Ik trad een keer jaren geleden op tijdens de een of andere Nacht van de Humor of iets dergelijks, in Amersfoort meen ik. Meestal bracht ik het er bij dat soort gelegenheden aardig van af, maar die avond moest ik ná Remco Campert, die zonder een spier te vertrekken en terwijl de gehele zaal letterlijk zo ongeveer stierf van de lach, op zijn dooie gemakje twee columns voorlas, waaronder Tot zoens. Ik was vervolgens volkomen kansloos. Mijn carrière in een notendop: altijd overal weliswaar op de juiste plek, maar op het verkeerde moment. Campert schrijft ergens dat hij schrijft om mensen te laten lachen en ik kan me eigenlijk geen betere reden voorstellen.’

Madelijn Strick: ‘Campert bedient zich hier van drie belangrijke humoringrediënten. De eerste is zelfspot, de meest geliefde vorm van humor waar iedereen mee wegkomt; het maakt je benaderbaar en sympathiek. Dan: het moment waarop het been van de hoofdpersoon op de dij van de schoenmaker wordt getrokken en hij bijna van zijn stoeltje glijdt is op zichzelf al hilarisch. Tot slot zit de dialoog met de winkelbediende zit vol fantasie en wordt er enorm overdreven.’

De jury van Lachen bestaat uit Julien Althuisius, Erik van den Berg, Bo van Houwelingen, Bart Koetsenruijter, Haro Kraak, Jeroen van Merwijk, Arjan Peters, Katinka Polderman, Wilma de Rek, Jet Steinz, Madelijn Strick en Aleid Truijens.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.