Lachen in de LetterenTop-10

De grappigste fragmenten uit de Nederlandse literatuur: vandaag nummer 8,7 en 6

Wat zijn de leukste fragmenten uit de Nederlandse literatuur? De boekenredactie van de Volkskrant stelde een ranglijst samen. 

Een fragment uit De donkere kamer van Damokles staat op plek 7.Beeld Hilde Harsha

Nummer 8: Willem Elsschot, uit Villa des Roses (1913)

Bij de eerste oogopslag zag madame Gendron er uit als een nette, bejaarde dame, doch bij nadere beschouwing werd zij wel degelijk een heel, heel oude vrouw.

Zij was lang van gestalte en hield zich vervaarlijk recht, want zij was nu eenmaal te stijf om nog krom te kunnen groeien.

Veel vlees zat er niet meer aan, en haar handen beefden zo, dat zij met een stuk brood wel eens bij een van haar oren terechtkwam, als zij het in haar mond wilde steken. Zij kon nog zonder iemands hulp de trap afkomen, wanneer gebeld werd voor het eten, als zij maar eenmaal de leuning goed beet had. Toch stak de heer Brulot haar wel eens een hand toe, en leidde hij haar zelfs aan de arm de feestzaal binnen tot op haar plaats aan de gemeenschappelijke tafel. ‘Men moet galant zijn met dames’ beweerde hij dan. Maar vooral wanneer zij sprak kreeg men een indruk van ontzaglijke ouderdom. Schor was haar stem niet; zij scheen veeleer de intonatie te hebben weergevonden, waarmede zij als kind haar lessen van vaderlandse geschiedenis moet opgezegd hebben. Zij sprak op één toon, geraakte soms van de wijs en gebruikte zinswendingen uit het verleden. Zij liep met behoedzame stap, als vertrouwde zij de grond niet goed, en zeker zou zij de kostgangers door haar plotselinge verschijning dikwijls hebben gestoord of doen schrikken, indien zij niet voortdurend een zacht kuchen had uitgestoten, waardoor zij haar nadering aankondigde, zoals weleer pestlijders deden die bellen moesten wanneer zij de straat opliepen.

Jurycommentaar Arjan Peters:
‘Als Elsschot een personage voorstelt – en daartoe herlees ik vaak het begin van zijn verhalen – dan gebeurt dat met een precisie die aan sadisme grenst. Want hij heeft vooral een scherp oog voor verval en mislukking. Hij formuleert zo mooi dat het onderwerp geen enkele genade hoeft te verwachten; die is geheel en al gereserveerd voor zijn stijl.’

Nummer 7: Willem Frederik Hermans, uit De donkere kamer van Damokles (1958)

Een jonge priester in een kale soutane, scharrelde al de hele ochtend rond tussen de bedden. Aan zijn linkerarm droeg hij een grote hengselmand vol hulsttakjes en kaarsen. Boven de bedden van de gedetineerden maakte hij hulstblaadjes vast met punaises en op de nachtkastjes zette hij stompjes kaars met een rood lintje erom.

‘Jammer, jammer,’ herhaalde hij bij elk bed, ‘De Bilt voorspelt geen witte kerstmis voor dit jaar. Jammer, jammer, het zou bijna al te mooi zijn geweest, een witte kerstmis in het bevrijdingsjaar.’

‘Ja pater!’ galmden de SS’ers gedwee, ‘dat is heel erg jammer!’

‘Niets aan te doen,’ zei de pater, ‘het kerstmannetje heeft het zeker te druk gehad om sneeuwvlokjes te maken. Niets aan te doen. We moeten ons erbij neerleggen.’

‘Ja pater! We liggen al!’

‘Zullen we straks Stille Nacht, heilige Nacht nog eens repeteren, jongens?'

Ze begonnen onmiddellijk.

‘Nee, nu nog niet! Straks heb ik gezegd! Stilte!’

Jurycommentaar Jet Steinz:
Dit is een absurde en daarom hilarische scène, met een priester met hulsttakjes en kaarsen, heel kneuterig allemaal, die het heeft over ‘het kerstmannetje’ en ‘sneeuwvlokjes’. En dan al die gedweeë SS’ers (niet echt wat je je voorstelt bij SS’ers) die meteen beginnen te zingen wanneer de priester dat vraagt. En die daarvoor dan weer hard worden afgestraft.

Nummer 6: Bob den Uyl, uit: Een zwervend bestaan (1977)

Die avond, uitgenodigd tot een maaltijd in een restaurant door een echtpaar waarvan de vrouw zulke grote borsten meetorst dat ze zich er bij elke hap overheen moet buigen om nog een beetje te kunnen zien wat ze op haar vork schuift, zit ik juist ontspannen over mijn ervaringen op de sexbeurs te vertellen, als er een mogelijk beschonken man binnentreedt die de mooiste val maakt die ik ooit heb gezien. Zo mooi was die val dat ik er met tegenzin over schrijf; liever had ik hem voor mijzelf gehouden.

De man doet de deur achter zich dicht en struikelt dan over een zich daar op de grond bevindend voorwerp of over zijn eigen benen, dat heb ik niet kunnen vaststellen. Hij begint te vallen, maar als zijn lichaam al met een hoek van 45 graden in de lucht hangt weet hij het horizontale neerpletteren te voorkomen door snel een stap naar voren te doen. En hier begint zijn bewonderenswaardige reis, want die stap verhindert wel zijn val maar herstelt niet zijn evenwicht. Om in die hoek van 45 graden te blijven dient hij steeds snellere stappen te doen. Hij bevindt zich in een pijnlijk dilemma: moet hij die stappen voorwaarts blijven doen of zal hij zich maar neer laten storten. Waarschijnlijk instinctief kiest hij voor het eerste, en zo beweegt hij zich half lopend half vallend met steeds groter wordende snelheid door de zaal. Vergeefs probeert hij zich vast te grijpen aan alles wat hij op zijn weg tegenkomt, maar helaas ontmoet hij slechts loszittende voorwerpen die kletterend op de grond neerkomen.

Een bijzettafeltje dat zich in zijn baan bevindt had zijn redding kunnen worden, maar dit wordt door een behendige kelner precies op tijd weggetrokken. Ademloos wacht iedereen af hoe hij tegen de achtermuur te pletter zal slaan, maar met uiterste krachtsinspanning weet hij zijn route licht om te buigen, zodat hij onder spontaan applaus der gasten op topsnelheid door de klapdeuren de keuken binnenflitst. Jammer genoeg is hij nu uit het gezicht verdwenen, maar te horen is er des te meer: een groot geraas ontstaat dat merkwaardig lang aanhoudt, bonkende en weergalmende pannen en ketels, neerratelend bestek, stukvallende borden, panische kreten en vele andere niet thuis te brengen geluiden weerklinken. Dan treedt eindelijk de rust in.

Pas tien minuten later komt de eerste kelner met uitgestreken gelaat en beladen dienblad weer door de klapdeuren de zaal in, maar waar iedereen op zit te wachten, de herverschijning van de zo weergaloos vallende man, vindt niet plaats. Desgevraagd wil de kelner ook geen opheldering verschaffen.

Jurycommentaar Frank Heinen:
‘Den Uyl is een meester in de onderkoelde humor, het is ook stilistisch knap gedaan; hoezeer je je best ook doet, zijn stijl is niet te imiteren (of te evenaren).’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden