De glans van een koeienflank

De zeventiende eeuw bracht ons gevoel voor dagelijkse schoonheid bij. Dankzij het spel van licht en kleur dat we van de landschapsschilderijen van Jan van Goyen en Jacob van Ruisdael kennen, fietsen wij nu ook bij slecht weer opgeruimd door de polders, vol bewondering voor de imposante luchten boven de...

ZE was Tsjetsjenië ontvlucht, maar nu met een bus weer op weg terug naar haar land. Een kind zat op haar schoot. De vrouw droeg een hoofddoek en had de kraag van haar jas hoog opgeslagen tegen de kou. Met de rug van haar arm had ze een stuk van het bemodderde raam schoongeveegd. Zo keken zij en het kind naar buiten, toen de bus stopte en de fotograaf hen zag.

Hij zag geen ontredderd stel, van huis en haard verdreven, geen stel zielepoten, beroofd van alles. Nee, de fotograaf zag iets schitterends. Hij zag de glans van de Gouden Eeuw. In een razendsnelle beweging stelde hij zijn diafragma in en drukte af.

In alle kranten van januari van dit jaar stond de foto afgebeeld. Iedereen roemde hem: om z'n tonale kwaliteiten - de kleuren op de foto waren gedempt en toch contrastrijk -, om z'n compositie - de gezichten van vrouw en kind waren heel ingenieus alleen door de schoongeveegde ovaal op het busraam zichtbaar -, om de bedachtzame uitdrukking van de geportretteerden, en, ten slotte, om het aloude, bijbelse motief van moeder en kind op de vlucht. Maar niemand zei het direct: deze foto prikkelde onze verbeelding omdat ze ons deed denken aan de zeventiende eeuw, aan het Meisje met de Parel dat Vermeer ooit schilderde, aan de verstilde interieurs van Gabriël Metsu en Gerard ter Borch, waar de ontvangst van een brief met dezelfde bedachtzame oogopslag werd begroet.

Aan die Gouden Eeuw hebben wij veel te danken. Niet alleen honderden prachtige kunstwerken, waar we in musea en catalogi van kunnen genieten. We ontlenen aan die eeuw ook een kijk op de wereld, die we als gestandaardiseerd 'mooi' hebben leren aanvaarden. Dankzij het spel van licht en kleur dat we van de landschapsschilderijen van Jan van Goyen en Jacob van Ruisdael kennen, fietsen wij nu ook bij slecht weer opgeruimd door de polders, vol bewondering voor de imposante luchten boven de horizon. Dankzij de doorsnee stier, de doorsnee paarden en honden van Paulus Potter appreciëren we de glans van een koeienflank, een paardenhals, een hondensnoet.

Dankzij de kalme aandacht voor details en de orde, waarmee kunstenaars als Willem Kalf en Abraham van Beyeren hun stillevens schilderden, weten wij nu hoe een werkelijk schoon gedekte tafel eruit hoort te zien. De zeventiende eeuw, met andere woorden, bracht ons gevoel voor dágelijkse schoonheid bij - in tegenstelling tot de Renaissance, dat een tijdperk van geïdealiseerde schoonheid was.

Het Rijksmuseum in Amsterdam viert feest. Het museum viert het feit dat op 31 mei 1800 het museum voor publiek openging. Tweehonderd jaar lang al stromen de mensen toe, vooral naar de meesterwerken uit de Gouden Eeuw: de Nachtwacht, het Melkmeisje - ze behoeven niet eens meer de naam van hun makers. Het laatste decennium komen er zo'n anderhalf miljoen bezoekers per jaar. Wie terugrekent naar 1800 komt tot het verbijsteringwekkende aantal kijkers. Tientallen miljoenen mensen die zijn opgegroeid met het besef van de schoonheid, de rijkdom en originaliteit van de Hollandse zeventiende eeuw. Dat betekent ook dat dat besef verankerd moet zijn geraakt in ons onderbewustzijn: het is overgegaan van generatie op generatie op generatie. Buiten- en binnenlandse kunstenaars versterkten het. Monet, Van Gogh, Whistler, Breitner en talloos veel anderen bezochten het Rijksmuseum om hun eigen positie te bepalen ten opzichte van de 'reuzen' van vroeger.

De Gouden Eeuw, kun je daarom zeggen, is allang van iedereen. En dat gelukkige feit heeft er ongetwijfeld toe geleid dat de organisatoren van De Glorie van de Gouden Eeuw hebben besloten om dé grote jubileumtentoonstelling van het jarige museum niet vergezeld te laten gaan van uitgebreid wetenschappelijk onderzoek. Dat is opmerkelijk en gedurfd. Het werd immers wel gedaan bij voorgaande respectabele overzichten van de zeventiende eeuw, bij monografische retrospectieven als die van Jan Steen, Rembrandt en Johannes Vermeer, en bij de tentoonstellingen die deelgebieden in kaart brachten. Dat onderzoek gold zelfs vaak als voorwaarde op basis waarvan buitenlandse instellingen kunstwerken in bruikleen gaven.

Dat die buitenlandse instellingen voor deze jubileumtentoonstelling toch zo ruimhartig topstukken hebben afgestaan, zegt iets over de luister waarmee het jubileum omgeven is en de goede naam van het Rijksmuseum. Een groot deel van het museum is ontruimd en opnieuw ingericht. Beneden, in het Prentenkabinet, hangen de mooiste tekeningen en prenten van de zeventiende eeuw tegen een stemmig grijsblauwe achtergrond. Hier is onder andere te zien hoe virtuoos verscheiden Rembrandt in zijn stijl was: van heel fragiel en nauwkeurig, tot los en bijna impressionistisch.

Boven - te beginnen bij de Erezaal - strekt zich een parcours van zalen uit: het buigt van links naar rechts en weer terug en eindigt bij het begin. Drieëntwintig verfrissend fel gekleurde zalen heeft de bezoeker dan doorlopen. Ze zijn ingedeeld naar thema's als 'Educatie en verfijning', 'Marine-schilderijen', 'Imposante Historieën', 'Het Delftse Licht', 'Lucht en Water' en 'Licht en Schaduw'. Dat is de enige tekst die hoog op de muren staat. Die afwezigheid van uitleg hindert nergens. Want de chronologische ontwikkeling van het begin naar het eind van de zeventiende eeuw, de ontwikkeling van realisme naar classicisme, van verfijnd naar ruw en weer naar verfijnd schilderen, wordt toch wel zichtbaar.

Wie meer feiten wil weten, kijkt in het kleine tekstboekje dat gratis meegaat op de tocht, of later in de catalogus. Maar beter nog is het ogen en geest te laven aan de schilderijen, de beelden en de kunstnijverheidvoorwerpen, naast en door elkaar. Sommige daarvan, zoals een allegorisch schilderij van Cesar van Everdingen over de geboorte van Frederik Hendrik, zijn nog nooit in het openbaar tentoongesteld. Andere, zoals Het Glas Wijn van Vermeer uit de Gemäldegalerie in Berlijn, zijn voor het eerst in Nederland te zien.

Ruim negentig van de tweehonderd stukken op de bovenverdieping zijn afkomstig uit de collectie van het Rijksmuseum zelf. Je bent geneigd aan ze voorbij te lopen - ze zijn immers vaak genoeg op zaal te zien. Maar doe dat niet! Alle schilderijen zijn voor de tentoonstelling schoongemaakt en op ongerechtigheden nagezien. En zo schittert een bepaald niet zonnig vergezicht met hutjes en een landweggetje van Philips Koninck je tegemoet. Het rood van de daken piept hier en daar vrolijk tussen het mos- en donkergroen, het okergeel en grijs uit. Maar ook verder is dit schilderij opmerkelijk.

Koninck, die tussen 1650 en 1665 faam verwierf met het schilderen van panoramische landschappen, wordt altijd geroemd als een representant van de 'realistische' manier van schilderen die in Holland halverwege de zeventiende eeuw opgang deed. Anders dan zijn collega's uit Italië en Frankrijk bouwde Koninck zijn vergezichten niet op volgens een centraal perspectief, met coulissen in de vorm van heuvels of rotsen en een verdwijnpunt in het midden van een vaak pastorale compositie. Nee, Koninck 'ontrolde' het landschap voor de ogen van de toeschouwer. Hij suggereerde een landschap als een bloem, die zich aanbiedt aan de kijker zonder franje of gekunsteldheid.

Bij Koninck kun je derhalve alle kanten opzwerven: naar de torenspitsen in de verte, het vissertje schuin op de voorgrond, de zompige stroken land die als aan repen gescheurde lakens tussen water en lucht liggen. En met gemak stel je je het landschap voor dat zich verder uitstrekt dan het doek. Dit is de wereld zoals zij eruitzag vanaf de toppen van het duin bij Haarlem.

Maar echt is ze niet, en natuurlijk evenmin. Kijk naar de verhoudingen tussen mens en hut, naar de onmogelijke stapeling van dorpje op dorpje. Konincks landschap is in werkelijkheid een raadselachtige constructie, en dat valt des te scherper op als je zijn schilderij vergelijkt met dat van zijn collega Jacob van Ruisdael in dezelfde zaal.

Van Ruisdael schilderde rond 1670 vanaf ongeveer dezelfde duintop de Bleekvelden bij Haarlem. Het prachtige doek, afkomstig uit het Kunsthaus in Zürich, toont hoe het landschap ook kan zijn. Van Ruisdael koos weliswaar eveneens voor een 'realistisch' vergezicht, maar zijn vergezicht stokt, wordt aan de horizon begrensd door de silhouetten van de Haarlemse Sint Bavo en andere kerktorenspitsen. In plaats van een platte horizon, zoals bij Koninck, waarbij het land opgaat in de lucht, riep Van Ruisdael zijn kijkers een halt toe, een wel heel symbolische halt.

Die kolossen van kerkgebouwen met hun fragiele maar venijnige spitsen vormen intermediair tussen land en lucht. Het is daardoor moeilijk dit landschap niet religieus te duiden. De kerk - als lichaam van God - is immers de spirituele schakel tussen mens en natuur. Zij alleen schenkt zin en ordening.

Wie deze donkerrode zaal met landschappen betreedt, heeft al achttien zalen achter de rug. Veel, van afbeeldingen en wellicht ook in werkelijkheid bekende, meesterwerken zijn dan al gezien - al Rembrandts schilderijen, inclusief zijn prachtige Flora uit Sint-Petersburg en De ontvoering van Europa uit het Getty in Los Angeles. Ook de beroemde kerkschilders, stillevenschilders en italianiserende landschapsschilders hebben hun mooiste werken vertoond. En toch, temidden van al die topstukken, is er nog plaats voor ontdekkingen.

De National Gallery uit Dublin stond twee schitterende schilderijen af van de interieurschilder Gabriël Metsu. Vooral Metsu's Dame die een brief leest (het allermooiste schilderij op de tentoonstelling) is een ontdekking. Hoe weinig recht doen de reproducties aan de parelende kracht die het pastelkleurige schilderij bezit.

Uit een onbekende particuliere collectie komt een even simpel als mooi Stilleven met drie mispels en vlindertje, dat Adriaen Coorte aan het eind van de zeventiende eeuw schilderde. Dit paneeltje is een typisch voorbeeld van schoonheid die voor het oprapen ligt voor wie maar wil zien.

Coorte koos de drie vruchten om hun verzadigde bloedrode kleur en babyzachte glans. Hij schikte ze naast elkaar op een tafelblad, heel eenvoudig. Niks geen diagonale doorkijkjes of ingewikkelde stapelingen die collega's als Kalf of Heda in hun pronkstillevens tentoonspreidden. De kunstenaar schilderde de vruchten puur om hun kleur, vorm en schaduw. Geen van de mispels is beter of slechter, rijper of rotter dan de ander.

Op een dag in 1696 liep Coorte door de keuken van zijn huis. Zijn oog viel op een mand met mispels, en als door een bliksemschicht getroffen zag hij hoe mooi ze waren. Met al het talent dat hij in zich had, beeldde hij de alledaagse vruchten af, alsof het altaarstukken waren, kostbare tulpenvazen of rijkbewerkte zoutvaten. Dát beeld liet hij ons na.

Dankzij Coorte, en anderen, zijn wij gewend geraakt door zoiets gewoons als een mispel heen te kijken. Want achter die alledaagsheid, weet ieder, gaat de grootste schoonheid schuil.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden