Achtergrond Edgard Tytgat

De gewoonheid maakt de ondoorgrondelijke wereld van Tytgat nog waarachtiger

Ter gelegenheid van een tentoonstelling van werken van de Belgische kunstenaar Edgard Tytgat is zijn meesterwerk Huit Dames eenmalig te zien in het Stedelijk Museum Schiedam.

Een deel van Huit Dames van Edgard Tytgat Beeld M-Museum Leuven

U moet het werk van Edgard Tytgat (1879-1957) kennen. De Vlamings schijnbaar naïeve-, maar stiekem geraffineerde schilderijen van kermissen, circussen, schilders en hun (in verre staat van ontkleding verkerende) modellen zijn onweerstaanbaar. Het is sexy spul. Ze gaan over lust en schaamte en wroeging, bekende thema’s waarop Tytgat een eigen mythologie bouwt, ondoorgrondelijk als de goden zelf. Een fraaie tentoonstelling van Tytgats schilderijen en tekeningen (deels overgenomen uit het M-Museum Leuven) is nog tot begin september te zien in het Stedelijk Museum Schiedam. Ter gelegenheid daarvan toonde het museum afgelopen maandag Tytgats magnum opus, de beeldroman Huit Dames.

Er was bekijks, daar in Schiedam. Tweemaal twintig man zag hoe medewerkers met stofhandschoentjes zich al toelichtend een weg door het honderden tekeningen tellende boekwerk bladerden. Echtparen die bij wijze van spreken nog bij Tytgat in de klas hadden gezeten, tuurden naar een vrouw die onuitsprekelijke dingen deed met een zwijntje. Men kuchte. Men genoot.

VPRO-radiomaker Wim Noordhoek, die voorafgaand aan de presentatie een leuke inleiding gaf, vertelde dat Tytgat de reputatie had immer goedgeluimd te zijn. Het grootste drama van zijn leven was dat hij als kleuter op de Brusselse kermis van de ‘paardjesmolen’ was gevallen; een naar verluid dusdanig harde smak dat men de jonge Tytgat naar huis moest dragen, alwaar hij direct ook maar een sterfbed kreeg. In één moeite door werd hem een ‘engelencoupe’ aangemeten – het kapsel dat men in België indertijd gaf aan opgebaarde kinderen. Tytgat ging niet dood, maar de engelencoupe behield hij – het werd zijn signature look. Zoekt men op zijn werk de kunstenaar zelf, dan speure men naar een man met onnatuurlijk symmetrisch opwippende krullen.

Huit Dames maakte hij tijdens de oorlogsjaren. De reeks beslaat vijf banden, in totaal vijfhonderd tekeningen, uitgevoerd in waterverf en vergezeld van gekalligrafeerde bijschriften, sommige vrij cryptisch. Veel grijstinten, af en toe een steunkleur: geel, groen, rood; hier en daar een nabootsing van de etstechniek aquatint. Veel elementen erin (de jager, vogelkooien) treft men ook op Tytgats schilderijen. De acht dames die de hoofdrol vertolken, modelleerde de schilder naar vrouwen uit zijn kennissenkring. Het werk kent slechts een oplage van één. Vooralsnog.

Was Tytgat van plan het boek te publiceren? Wim Noordhoek (‘Ik ben een liefhebber, geen kenner’) heeft daar zijn twijfels over: ‘Tytgat maakte vaak boekjes voor vrienden, onder andere voor de schilder Rik Wouters en zijn vrouw, en zo begon dit wellicht ook. Waarschijnlijk liep het een beetje uit de hand.’ Het werk is in het bezit van een nicht van Tytgat. Slechts één deel – het vierde – werd ooit in druk uitgegeven. Men had het plan om de reeks integraal te publiceren tijdens de opening van het retrospectief in Leuven vorig jaar, maar dat project strandde vanwege terugtrekkende fondsen. Nu wacht het meesterwerk op een uitgever. Die staan vooralsnog niet in de rij.

Het ís ook een ondoorgrondelijk verhaal. Het draait om ene Mathilde, een jong meisje dat in een klooster belandt, waar monniken spelletjes spelen met acht vrouwen die zijn vernoemd naar de dames uit het kaartspel: schoppenvrouw, hartenvrouw. Ze spelen geen Pim Pam Pet. Ze spelen het soort spelletjes waarmee de Markies himself zich kostelijk zou hebben vermaakt. In een scène worden de vrouwen gedwongen elkaar ‘een likje’ in het tussenbeense te geven, waarna zij die naar zeep smaken getrakteerd worden op een pak rammel. Later worden twee van hen opgesloten in een reusachtige kooi, en getergd met stokken met veren. In post-Dutroux België heeft dit een andere lading dan het in Tytgats tijd had, wellicht. Aan de andere kant: Tytgats vrouw Marie (die vaak model stond) had indertijd al liever niet dat de reeks openlijk werd getoond.

Zo beschreven klinkt het allemaal een stuk grimmiger dan het in werkelijkheid aandoet. Het geweld en het masochisme van het verhaal worden verzacht door de schaal en de humor van Tytgats fraaie tekenstijl. Die heeft iets van Matisse en ook van die Leipziger schilders die de laatste decennia furore maakten; het is zeer suggestief en tegelijk zeer specifiek. Een vogelkooitje, een jas aan een kapstok: Tytgat heeft er echt werk van gemaakt.

Beeld M-Museum Leuven

Wat de reeks vooral geniaal maakt, zijn de terzijdes die Tytgat tekende, sommige zeer alledaags. Van de grote vogelkooi waarin de vrouwen worden opgesloten zien we bijvoorbeeld niet enkel het moment van gevangenneming, maar ook wat eraan voorafging: het in elkaar timmeren van het gevaarte door een monnik, het door het trapgat manoeuvreren ervan (‘Beetje naar boven, ja, ja. Oké, en nu een stukje naar mij toe, rustig... rustig...’). Zulke schijnbare trivialiteiten doen denken aan de huiselijke uitweidingen destijds in The Sopranos, toen Tony een halve aflevering op de plee zat, of toen een van zijn trawanten scènes lang rondliep met een lik mayonaise op z’n wang. Hun gewoonheid maakt die ondoorgrondelijke wereld van Tytgat nog waarachtiger.

Edgard Tytgat, Vlaamse Meester, t/m 2/9 in Stedelijk Museum Schiedam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden