De getijdenboeken van de gebroeders Van Limburg

Paul, Herman en Jan - de gebroeders Van Limburg zijn de belangrijkste boekkunstenaars van de Middeleeuwen. In hun gebeden- en getijdenboeken is het goddelijke vermenselijkt. Hun kostbare bladzijden mogen in museum Het Valkhof in Nijmegen nu even het licht verdragen. De schittering van het denkbeeldige kenmerkt deze grote tentoonstelling waarmee de stad Nijmegen haar tweeduizendjarige bestaan viert.


Nijmegen, Het Valkhof (Kelfkensbos 59), t/m 20 november. Geopend: di t/m vr 10-17u za zo 12-17u. Tel. 024-3608805 (www.museumhetvalkhof.nl).

De schittering van het denkbeeldige kenmerkt de grote tentoonstelling in Museum Het Valkhof waarmee de stad Nijmegen haar tweeduizendjarige bestaan viert. De bijeengebrachte kunstwerken zijn niet groot in aantal en hebben in de sober ingerichte zalen de ruimte gekregen, te veel misschien, want vele zijn klein, bladzijden uit getijdenboeken, tekeningen, beelden. Of toch weer niet te veel, want de grote ruimte suggereert een ruimte in de tijd, maar niet minder een Europese ruimte van Gelre, Bourgondië, Italië, Engeland zelfs en, even, in het hart daarvan de stad Nijmegen, waar de drie Gebroeders Van Limburg, de belangrijkste boekkunstenaars van de Middeleeuwen, geboren werden en opgroeiden. Een indrukwekkend spel van illusies van samenhang, beïnvloeding, nawerking wordt hier opgevoerd, een netwerk van relaties wordt zichtbaar, een netwerk soms met heel dunne draden. En daarin worden de mindere kunstwerken - getijdenboeken waarin de vroomheid groter is dan de kunst - in rang en stand verheven, medewerkers als ze zijn aan het tot stand komen of uitbloeien van een grootse periode in de Europese boekkunst: de latere levensjaren van Jan de Hertog van Berry (1360-1416), een eclectisch genie dat een tentoonstelling als deze had kunnen ontwerpen. Tot zijn eigen glorie.

Twee hoven spelen een centrale rol: dat Van Gelre en dat van Bourgondië. Zij onderhielden relaties met elkaar. Op de tentoonstelling liggen twee bladen uit het gebedenboek van Maria van Gelre. Op een ervan is zij zelf afgebeeld, biddend uit haar boek, twee engelen wederzijds; zij draagt een lang blauw gewaad, waarvan de sleep uit de miniatuur reikt tot in de omlijsting ervan. We zien een hofcultuur afgebeeld, die niet minder verfijnd is dan die van Bourgondië, in overvoed en uiterste elegantie. De onbekende meester van het gebedenboek is een tijdgenoot van de Gebroeders Van Limburg, alle vier waren ze in dienst van het hof - de onbekende bij het hof van Gelre, de broers bij het hof van Bourgondië. De hoofse wereld heeft hun hele werk beïnvloed; de getijdenboeken deelden in de verfijning en geest ervan; de uitbeelding van de heilsgeschiedenis en de levens van de heiligen is de indrukwekkende oerkracht van het Romaans en het oud-christelijke kwijt en heeft mede een hoofse gestalte gekregen. De vermenselijking van het goddelijke is een veredeling, op ongeëvenaarde hoogte in het beroemdste van de getijdenboeken van de hertog: Les Très Riches Heures, waaraan overigens ook andere kunstenaars dan de Gebroeders Van Limburg hebben gewerkt, ook aan enkele bladen van de Kalender, twaalf grandioze 'schilderijen' die worden beschouwd als 'de grootste schilderkunstige prestatie van de vroege 15de eeuw.' De hoofse getijdenboeken nemen de plaats in van de gebedenboeken in de kloosters en zijn vanuit de eeuwenoude monastieke tradities gemaakt. De 'vermenselijking' is ook een vorm van secularisering.

De tentoonstelling is drieledig: de Nijmeegse wereld waaruit de gebroeders Paul, Herman en Jan van Limburg kwamen, hun werk en hun nawerking. Paul werd geboren in 1375, Herman vijf jaar later, Jan in 1385. Zij stierven alle drie in Bourges in 1416, waarschijnlijk door de pest. Hun vader was maker van houten beelden, hun moeder kwam uit een schildersgeslacht. Haar broer, de oom dus van de drie, was de schilder Jan Maelwael, die een grote carrière maakte als hofschilder van Filips de Stoute. Tot de wereld van afkomst van de broers behoren ook getijdenboeken, enkele met de stroefheid die de broers glansrijk zouden overwinnen, met de compactheid ook die zij ongedaan zouden maken in een schitterend spel met de ruimte. Er is opgegraven aardewerk uit de 14de eeuw en een heel fraaie collectie houten beelden (overigens in Nijmegen geïmporteerd!). De wereld van afkomst is een tentoonstelling op zich, van de rijke kunstwereld van Gelre, het Rijnland en andere streken. Van de drie afdelingen is deze, toch eigenlijk het voorportaal, het grootst, wat de expositie enigszins disproportioneel maakt.

Het hart, het tweede deel - en daarnaar is de hele expositie genoemd - laat werk van de gebroeders zien. Grandioos (een wat groot woord voor zo iets verfijnds) zijn hier de zeventien pagina's uit het getijdenboek Les Belles Heures, met de hoogtepunten 'De verkondiging aan de herders' - hier een bijna dagelijks gebeuren -, 'De vlucht naar Egypte', en vooral het bijna lieflijke 'De dood van de heilige Antonius'. Even, voor de duur van de tentoonstelling, mogen de bladzijden licht verdragen; dan verdwijnen ze weer in een kluis in Washington (zoals Les Très Riches Heures in het duister van een kluis in Chantilly ligt). Deze hoogtepunten worden nog overtroffen door de enige miniatuur die de gebroeders bijdroegen aan Les Petites Heures: een portret van de hertog zelf die op pelgrimage gaat. Dit is misschien wel de rijkste afbeelding op de tentoonstelling. De hertog is schitterend gekleed in een gesterde mantel, daarop is de kleine pelgrimsstaf geborduurd, zoals ook op de kleding van zijn gevolg. Een bode wijst de weg, een elegante hazewindhond springt vooruit. De pracht- en kunstlievende hertog als nederige pelgrim. Vroomheid als vertoon, wat de getijdenboeken ook zijn.

Het derde deel laat in een aantal schitterende pagina's uit verschillende getijdenboeken de nawerking van de drie broers zien. Het licht, dat bij de broers over de wereld en de heilsgeschiedenis is opgegaan, is hier haast overal aanwezig. Wanneer de tentoonstelling de laatste bladzijde omslaat - een los blad uit het Egmond-brevier, gemaakt door de grote Meesters van Zweden van Culemborg, kan de nu uit de prachtige constructie gestoten en alleen gelaten kijker denken, hoezeer de hele iconografie die hij nu gezien heeft, de vroomheidscultuur van de katholieke kerk tot in de 20ste eeuw is blijven beheersen, met alle intimiteit en verfijning ervan ook. Een hofhouding van eeuwen is het werk van de broers gevolgd. Geen wonder dat de barbaarsheid van The Book of Kells, uit de achtste eeuw, zo overweldigend is.

Tussen de drie delen is een kunstmatige eenheid geschapen. Die geeft de tentoonstelling die illusoire allure. Men wordt tijdelijk betoverd, Nijmegen is even het hart van het 15de-eeuwse Europa, waarin kunstenaars - zie de miniaturisten uit de nawerking, maar zie ook bijvoorbeeld de Italiaanse invloeden in het werk van de broers - elkaars werk kenden en het netwerk over Europa legden dat nu in Het Valkhof zichtbaar is gemaakt. Buiten de prachtige illusie om is de expositie er vooral een van eenlingen, zelfstandigheden, haast autonome kunstwerken die zich vooral in vitrines even aan ons laten zien. Wie alles afzonderlijk wil zien en niet in de opvlucht van de grote gedachten is geraakt, zal de expositie enkele keren moeten bezoeken. Wat de bidder eens moest stichten, vraagt nog altijd geduld.

De titel van de tentoonstelling verraadt iets te veel toeëigening: De Gebroeders van Limburg; Nijmeegse meesters aan het Franse Hof 1400-1416. Het gaat natuurlijk om dat woord 'Nijmeegs'. De drie zijn pas in Frankrijk zichtbaar en meester geworden. Hun Nijmeegse tijd is een Umwelt, zoals die in het eerste deel van de tentoonstelling gestalte heeft gekregen. Ook een stad die tweeduizend jaar bestaat, zal bijna alles van de eer van drie verre plaatsgenoten aan Frankrijk moeten laten. De titel is ook wat 'vergrotend'. Het is prachtig dat we een klein aantal van de miniaturen van de drie eindelijk 'in het echt' kunnen zien, maar de overigens begrijpelijke afwezigheid van het meeste dat de drie maakten - daaronder het grootste, Les Très Riches Heures - geeft de tentoonstelling toch een bescheidener karakter dan de titel te vermoeden geeft.

De titel is ook die van het zeer omvangrijke boek dat bij de tentoonstelling verscheen. Dat boek is misschien wel het zwaarste bewijs voor het bestaan van de trend bij een tentoonstelling een boek te produceren dat het begrip 'catalogus' ver achter zich laat en waarvan de inhoud het specialisme dat elke tentoonstelling is, ver te buiten gaat. Een zelfstandige publicatie haast uit de geleerdentuinen van de universiteiten. Over alles wat men op de expositie niet kon zien, kan men in het Nijmeesge boek alles lezen.

Het boek lijkt de voorlopig definitieve publicatie over de Gebroeders Van Limburg en hun werk. En over hun wereld en de hen omringende kunstwereld. Alle invloeden, relaties, samenhangen die de tentoonstelling suggereert, worden hier in vijftien uitvoerige studies beschreven, feitelijk of vermoedensgewijs. Handschriften worden geanalyseerd of op een onderdeel onderzocht (een zeer verhelderend stuk van Boudewijn Bakker over het landschap in het werk van de Gebroeders, niet minder over de schilders als alchemisten), de betrekkingen met de noordelijke en zuidelijke kunst wordt bestudeerd (knap werk waar zo veel verloren is gegaan), de relaties ook van de afbeeldingen met de rijke wereld van de Hertog van Berry. De mooiste mededeling tussen zoveel academische teksten vond ik deze:

'Ook het maken van gereedschappen behoorde bij het vervaardigen van een kunstwerk: voor elke toepassing moest het gereedschap precies op maat en in vorm worden gemaakt. Bijvoorbeeld de marterharen penselen: de rechtste, fijnste haren uit het midden van een gekookte hermelijnstaart worden tot kleine bosjes samengevoegd, in water gedoopt en met de vingers uitgeknepen. Nadat ze met een schaar waren bijgeknipt, werden bosjes van de gewenste omvang met zijden wasdraad bijeengebonden en in schachten van verschillend formaat geschoven: de slagpennen van gieren, ganzen, kippen of duiven dienden als beslagring, waarmee de stijf vastgebonden haren aan een lange houten steel werden bevestigd. Hoe korter de penseelpunt, zo heette het, hoe beter het resultaat.'

Dit kleine bestiarium van het penseel staat in de bijdrage 'Materialen en technieken van de Gebroeders van Limburg' van Margaret Lawson. Boeiend schrijft zij over het onbekende: het vervaardigen van de kleuren bijvoorbeeld, waaronder het blauw waarvan de miniaturen van de gebroeders de triomf zijn. Uit het vele (waarin onvermijdelijk, veel speculatie) wil ik nog noemen het interessante stuk dat Peter Roelofs schreef over de beroemde oom van de broers, Jan Maelwael.

De drie hadden hun erflaters. Hun werk namen ze mee naar hun eerste werkgever, Filips de Stoute. Wat zich daar in Bourgondië in hen voltrok en wat tenslotte tot een der artistieke hoogtepunten uit de Middeleeuwen zal leiden, weten we niet. Daarom is misschien de denkbeeldige schittering van de tentoonstelling in Museum Het Valkhof het enig mogelijke. En dus zeer zinvol.


Nijmegen, Het Valkhof (Kelfkensbos 59), t/m 20 november. Geopend: di t/m vr 10-17u za zo 12-17u. Tel. 024-3608805 (www.museumhetvalkhof.nl).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden