De geschiedenis van de vooruitgang

Hebben de gepamperde kinderen van de babyboomers echt iets nieuws te melden?

'Vierentwintig jaar geleden ben ik geboren in een land dat af is.' Zo begint Rutger Bregman zijn boek De geschiedenis van de vooruitgang. Zulke titels worden doorgaans door gerijpte professoren geschreven, op het toppunt van hun geleerde leven. Een ambitieuze onderneming, vindt de jonge historicus (1988) ook zelf. 'Het is nogal wat, ik weet het. Maar het is de moeite van het proberen meer dan waard.'

De lezer weet dus dat hem een probeersel te wachten staat. De grondtoon is die van een zoekende jongeman die al weet dat de wereld om hem heen af is. Althans, dat denkt hij. Later neemt hij die gedachte terug en volgt er een pleidooi dat tot meer idealisme aanspoort. Waarom is mij niet duidelijk. Als ik het goed begrijp om een gevoel van onbehagen te bestrijden over de vooruitgang die haar beloftes niet heeft ingelost. De eerste regel van het boek suggereert nu juist dat dit maar al te goed is gelukt.

Nochtans weet Bregman nu al dat de geschiedenis van de vooruitgang haar einde nadert, want we zijn rijker, gezonder en veiliger dan ooit. En vooruitgang is voor hem gewoon wat de meesten van ons als vooruitgang beschouwen, wat hij dan weer een nogal subjectief uitgangspunt noemt. Dat is allemaal nogal tegenstrijdig, zoals het hele boek - een geschiedenis vanaf de prehistorie - bol staat van de wilde associaties en de onevenwichtigheden. Dat hoeft niet te verbazen, want Bregman is pas 24 en schiet in zijn overmoed alle kanten op. Volgens de uitgever in een wervelende stijl, en inderdaad: vlotte zinnen schrijven, kan hij. Dat verdient waardering, slechts weinig jongeren (en ik vrees nog minder ouderen) hebben zo'n brede belangstelling. Maar het zegt ook iets over het huidige Nederland, dat meer dan ooit een jongerencultuur is en in puberale trekken blijft steken. Dat is al bijna traditie. Harry Mulisch liet zich voorstaan op zijn 'eeuwige leeftijd' van 17 jaar. Het weerhield hem er niet van om zijn hele leven in het werk van grote filosofen en wetenschappers te grasduinen en naar eigen inzicht het wereldraadsel op te lossen.

Bregman heeft net zo'n bravoure, alleen valt het met die eigen inzichten nogal tegen. Als lezer raak je eerst verbluft door het gemak waarmee de auteur door de geschiedenis raast, tot je beseft dat hier de eerste generatie aan het woord is die met internet is opgegroeid. Waar tot voor kort allerlei kennis in bibliotheken bijeengescharreld en verwerkt moest worden, ligt die nu binnen handbereik. Een enorme vooruitgang, waarvan Bregman handig gebruikmaakt bij het presenteren van allerlei 'weetjes'. Ik had nooit van James Ussher (1581-1656) gehoord, een Ierse bisschop die op grond van zijn kennis van de Bijbel en de Oudheid berekend had dat God de wereld schiep op de vroege zondagochtend van 23 oktober 4004 voor Christus. Dit wordt door Bregman niet opgevoerd om het christelijke denken te ridiculiseren, maar om te laten zien dat Ussher in de ontwikkeling van de wetenschap een plaats heeft gehad. Dat inzicht is bepaald geen gemeengoed.

Maar als Bregman naar de eigen tijd toegaat, produceert hij een orgie van gemeenplaatsen. Francis Fukuyama wordt geniaal genoemd en vervolgens met geleende argumenten de les gelezen. Er is een sneer voor Frits Bolkestein, die linkse intellectuelen gebrek aan levenservaring verweet. Volgens Bregman zal hij daar best gelijk in hebben, maar zijn conservatieven eigenlijk geen intellectuelen. De auteur maakt zich zorgen over de 'klimaatcrisis' en noemt de klimaattop van Kopenhagen (2009) misschien wel de grootste mislukking sinds de Tweede Wereldoorlog. Op zulke momenten besef je met een groentje van doen te hebben die de echo is van meningen om hem heen.

Dat is niet erg, als de auteur zich dat zelf beter bewust was geweest. Dan had hij niet naar de prehistorie hoeven afdalen, een wel heel omslachtige omweg om de vooruitgang ten grave te dragen terwijl er voor de generatie van Bregman ongekende mogelijkheden in het verschiet liggen. Daar

zit waarschijnlijk de kneep. Hoe is het om in het internettijdperk - iets wat werkelijk nieuw is en toen Bregman geboren werd nog niet bestond - jong en slim te zijn? Wat valt er nog te protesteren als je als kind van babyboomers gepamperd bent? Als (oudere) lezer denk je dat daar het onbehagen schuilt, waarbij het snelle zapdenken van Bregman ook niet verder komt dan een vaag idealisme dat vroeger meer substantie had.

Als hier van optimisme sprake is, dan is het verkrampt. Wat opvalt bij de twintigers die nu zo hoog van de toren blazen, is hoe vroegoud ze zijn. Een jongerenleider als Sywert van Lienden (22) maakt zich druk of er straks nog wel pensioen is als zijn generatie aan de beurt is. Als vijftiger krijg je dan zin om te gaan gooien. Wat zijn dat voor jongeren? Niet dat Bregman zich zulke zorgen maakt, hij verzet zich tegen een hang naar nostalgie (zoals het behoud van de natiestaat). Het beste is dan zo snel mogelijk voor zichzelf te spreken en niet namens een nieuwe generatie die zich tot een nieuw geluid verplicht voelt dat er niet is. Dat is een dwangbuis die elk denkend individu bij voorbaat de mond snoert. Over de geschiedenis van de vooruitgang zijn heel wat betere boeken geschreven. Misschien doe ik de auteur tekort, maar dat is niet erg. Rutger Bregman is ongetwijfeld een talent en heeft nog heel wat vooruitgang voor de boeg.