De geschiedenis van de laatste folly

ELK JAAR sterft in Engeland de laatste excentriek. Het zal tot de tradities horen. Even lijkt er een einde aan een tijdperk gekomen, maar het land herstelt zich snel en een aantal maanden later sterft de volgende laatste....

De altijd doorgaande aanwezigheid van de laatste excentriek moet aan Mark Amory zijn ontgaan. Hij gaf zijn onlangs verschenen biografie Lord Berners de ondertitel 'The last eccentric'. Berners stierf in 1950. Op de achterzijde van het omslag staat een korte typering van de hoofdfiguur: 'Componist, schrijver en schilder - de levensgeschiedenis en het excentrieke tijdperk van Lord Berners'. In dat excentrieke tijdperk vallen onder meer twee wereldoorlogen en een wereldcrisis. Maar wellicht is het de excentriek, die immers middelpuntvliedend leeft, eigen zich van alles wat buiten hem om gebeurt niets aan te trekken. Hij leeft aan de randen en denkt dat dat de wereld is. Als het om een excentrieke tijd gaat, dan zijn dat vooral de jaren twintig, waarvan de jaren dertig de nagalm zijn. We moeten 1935 als het excentrieke jaar van Berners beschouwen. In dat jaar werd op zijn landgoed Farindon, in de buurt van Oxford, een drieëndertig meter hoge folly voltooid. 'De laatste in Engeland gebouwde folly', is gezegd. Een folly is een fantasiebouwsel - in een namaakstijl - dat geen enkele andere functie heeft dan ornament te zijn. Een folly is kunst om de kitsch. 'De laatste folly' zou voor de levensbeschrijving van Lord Berners een betere ondertitel zijn geweest.

Dat landgoed - het huis is gebouwd in een prachtige neo-klassieke stijl, zo harmonisch dat het Berners' grilligheden wel moest uitlokken - was een erfenis. Tot 1918 heette Berners Gerald Tyrewhitt; hij was de zoon van een marine-officier en een moeder van zeer gegoede afkomst, een grootmeesteres in nutteloze bezigheden. In 1918 sterft zijn oom, ongehuwd en kinderloos. Gerald erft de titel en alle bezittingen. De onbetaalde employé aan de Engelse ambassade in Rome - hij leefde van een toelage van zijn moeder - is ineens puissant rijk. Hij is dan vijfendertig jaar. Hij heeft nu, kan men wat kwaadaardig denken, ineens het geld om excentriek te worden. Maar hij maakt zijn moeder de hoofdbewoner van het landhuis en laat er voor zichzelf een appartement in bouwen. Vanaf nu is zijn leven gewijd aan de kunst en aan de levenskunst. De kunst is die van de avant garde, de levenskunst die van de society, die in de moderne kunst een middel ziet zich te onderscheiden. Modernisme en snobisme vinden elkaar. Berners zal zich in beide kringen met graagte bewegen. Misschien moet men zeggen: de kringen zullen zich graag om hem bewegen, want hij was een groot gastheer. Maar zijn vele vrienden lieten zich, althans over zijn uiterlijk, weinig vleiend uit: de verfijning die Berners nastreefde, leek door zijn voorkomen gelogenstraft: 'Hij had een natuurlijke air van rustige, lelijke gedistingeerdheid'; 'eerder een bediende in een kleermakerszaak dan een componist'; 'een oester'; 'hij was opmerkelijk lelijk - klein van stuk, getaand, kaal, gezet en aapachtig. Er is het verhaal dat niemand die Gerald ooit in bad heeft gezien, nadien ooit meer dezelfde wordt.' Hij moest het duidelijk van zijn vrienden hebben.

BERNERS GING in zijn jeugd natuurlijk naar Eton, maar hij maakte de school niet af. Hij begon een culturele tour over het continent, mede om zijn talen te leren. Hij zou in diplomatieke dienst gaan. Voor de examens slaagde hij echter niet. Al kreeg hij ten slotte een ambtelijke functie, eerst aan de ambassade van Istanbul, later aan die van Rome. Hij was intussen zijn muzikaliteit bewust geworden. Hij bleek al vroeg een uitzonderlijke aanleg te hebben, niet als herscheppend, maar als scheppend kunstenaar. Als componist staat hij in grote muzikale naslagwerken. Stravinsky, door Berners aanbeden, vond hem al vrij vroeg de grootste levende componist van Engeland. Of hij dat oordeel gehandhaafd heeft, weet ik niet. Berners' muziek was zeer modernistisch. Zijn belangrijkste werk heet zijn balletmuziek, die overigens niet vaak is uitgevoerd. Hij bewoog zich in de toen moderne balletwereld, in muzikale en literaire kringen - de Sitwells, die zich het modernst achtten in Engeland, waren goede vrienden van hem. Hij schilderde ook, zoals velen schilderen.

Als schrijver, vooral van autobiografische romans, had hij in latere jaren succes, hoewel de beste kritieken kwamen van de critici uit zijn vriendenkring. Hij was, in de lijn van de traditie, een echte dilettant, met een te vluchtige geest voor een professioneel kunstenaarschap, met te veel afhankelijke bewondering voor de groten ook. Zijn artistieke geest uitte zich het meest in invallen: de folly, de in felle kleuren beschilderde duiven die rond zijn huis vlogen, - hij was met genoeg excentrieken bevriend om zelf ook geen pogingen te doen: Dali, Gertrude Stein, Edward James (nog rijker, zeker excentrieker, maar vooral creatiever), John Betjeman, die nog op weg was excentriek te worden. En nog een aantal nu vergetenen, die overigens meer grillig lijken dan ongewoon.

Berners voelde zich duidelijk aangetrokken tot het surrealimse, al uitte zich dat bij hem meer in uiterlijkheden dan in de geest. Wellicht kan men hem in veel opzichten het best typeren als iemand die aan alles wat nieuw was kon meedoen, zonder door dat nieuwe in zijn kern te worden geraakt. Hij is door tijdgenoten wel vergeleken met Jean Cocteau, waarschijnlijk om zijn veelzijdigheid, maar de Fransman schitterde in het vele dat hij deed oneindig veel sterker. Die was, als men wil, een professionele amateur, met bovendien een zeer spitse en flitsende geest. Wat de biograaf aan wit van Berners doorgeeft, is wat doorgebakken. Maar Berners had natuurlijk zijn virtuoze momenten. In klein gezelschap nam iedereen de uitdaging aan ter plaatse een gedicht maken over 'noses' en 'roses'. Berners kwam onmiddellijk met dit meesterlijke nonsensvers te voorschijn:

Some people praise red roses

But I beg leave to say

That I prefer red noses

Red noses are so gay.

A Kempis says we must not cling

To things that pass away.

Red noses last a lifetime

Red roses but a day.

Red roses blow but thrice a year,

In June, July and May,

But those who have red noses

Can blow them every day.

IS IEMAND als Lord Berners, nu toch niet meer dan de geur van een tijd geworden, een biografie waard? Mark Amory is het bekendst om de door hem zeer goed verzorgde editie van de brieven van Evelyn Waugh (heel wat daarin figurerende personen komen ook in deze biografie voor; het blijft een kleine wereld). Hij is de boekenredacteur van The Spectator, maar hij zou, denk ik, een voortreffelijk schrijver zijn van een gossip-column. Hij kan, de biografie wijst het, fraai roddelen en hij beschrijft de gasten op Berners' partijen alsof hij er zelf bij is geweest. (Als in alle gossip-columns zijn ook bij die partijen bijna altijd dezelfde mensen aanwezig). Ik denk dat zijn biografie het best is te beschouwen als een eindeloos uitgebreide society-column. Wat de auteur aan wetenschappelijkheid aan Eton en Oxford heeft overgehouden, stopt hij in de eerste hoofdstukken: die over het voorgeslacht van Berners. Maar al snel neemt de elegantie het over van de eruditie. Men kan zeggen dat het leven van Berners daartoe haast dwong. Typerend kan zijn dat we aan feitelijkheden over de uitvoering van Berners' muziek veel te weten komen, maar over het karakter van die muziek, de plaats ervan binnen de moderne muziek ook, nauwelijks iets. Deze biografie is nog het best als een gastenboek te omschrijven.

Amory kent wel de lichte ironie van de distantie, maar die ironie is van een gelijke behagende aard als die van veel figuren uit het boek. Alles is tenslotte spel. Amory, die van 1941 is, moet minstens dertig jaar te laat zijn geboren. Zijn geest is die van de twintiger en dertiger jaren. Hij lijkt zich alsnog bij de kringen van toen te hebben aangesloten.

Een gastenboek, maar ook die biografie van een tijdperk, zij het dan dat excentrieke tijdperk van bepaalde kringen. En ik vermoed dat voor het oproepen van dat tijdperk deze biografie is geschreven. Berners' was de ideale hoofdfiguur ervoor, gezien zijn centrale plaats in de kunst-society van de jaren twintig en dertig. Veel publicaties wijzen uit dat er in Engeland, dat steeds normaler wordt, een licht nostalgisch heimwee is naar die tijd en die wijze van leven. Zeker de extravagantie moet op afstand nog bekoren, wellicht ook die curieuze samensmelting van adel of rijken met kunstenaars. Wie een aantal biografieeën van de laatste jaren in herinnering roept, zou zelf een lijstje kunnen maken van de 'noodzakelijke' vaste gasten voor een party of weekend. Maar dit moet het allerbekoorlijkste zijn: ondanks alle kunst, wat toch vaak niet meer is dan geflirt met kunst, gaat het om een leven van champagnekleurige leegheid. En dat is misschien wel het hoogst bereikbare. Om aan die heimwee-gevoelens tegemoet te komen, is Berners een biografie waard, ook al kan men het boek het best een zomerbiografie noemen: te lezen in het lange licht van de zomer, dat niet lijkt op te houden, als eens de jaren twintig.

BERNERS WAS homoseksueel, hoewel, naar de auteur discreet vanachter zijn hand te verstaan geeft, seksueel niet erg actief. Hij had in elk geval jarenlang een vaste huisgenoot, die iedereen, Berners waarschijnlijk ook wel, een beetje gek vond. De man deed waar hij zin in had. Na Berners' dood trouwde hij en leefde nog lang en gelukkig op het landhuis.

De biografie geeft te vermoeden dat achter alle sprankeling, luchtigheid en oppervlakkigheid (behalve in zijn muziek dan) een diepe ernst schuilging. Berners moet belezener zijn geweest dan de auteur kan vaststellen. Zijn gedachten over religiositeit - hij werd door de bekeerde Penelope Betjeman bewogen ook katholiek te worden - zijn heel goed. Hij bleef de ongelovige die hij niet wilde zijn, maar religiositeit was, in zijn gedachten, een aanleg, als muzikaliteit. Hij miste het talent voor God. Ik denk dat hij vooral zijn hele leven het kind is gebleven dat hij was, een kind dat altijd zijn zin deed of kreeg. Maar zijn laatste jaren weigerden hem tegemoet te komen. Geen goede biografie zonder een slecht einde. Ook hier maken we de - vroegtijdige - aftakeling mee. En het daaruit volgende pessimisme, dat zich dan - want een ziek lichaam is voor velen het centrum van de wereld - tot de politiek, de kunst en de maatschappij uitstrekt. Als ik niet meer kan, kan de wereld ook niet meer. Berners sterft weinig excentriek, gewoon in bed. 'Mijn hart is gebroken', schreef Diana Mosley aan haar moeder. Ja, met haar man, Sir Oswald Mosley, de fascistenleider, was Berners bevriend. En dat levert een vaker voorkomend paradoxaal beeld op: de avantgardist in de kunst is politiek en maatschappelijk uiterst rechts. Dat is allerminst excentriek. Hij werd gecremeerd in Oxford. Of er gekleurde rook uit de schoorsteen kwam, wordt niet vermeld.

Mark Amory: Lord Berners, the last eccentric. Chatto & Windus, London, *79,60.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden