De gedachte aan Broek POOLSE HISTORICUS SCHETST LEVENDIG BEELD VAN DE BEGINPERIODE VAN HET TOERISME

RUIM EEN EEUW geleden, in de jaren 1873 en 1874, maakte de toen nog jonge Italiaanse schrijver Edmondo de Amicis een rondreis door Nederland....

HAN VAN GESSEL

Fel keerde hij zich in zijn reisverslag, dat hij de simpele titel Olanda meegaf (vertaald als Nederland en zijn bewoners), tegen de kritikasters die zich beklaagden over het feit 'dat de Nederlanders gewoon zijn met vervelende langdradigheid over hun ongelukken te spreken'. Het zeuren dus, maar hij had wel anders meegemaakt. Ook van die praatjes over de spreekwoordelijke gierigheid kon hij gruwen. De Nederlanders waren voor hem 'buiten enige twijfel' Europees kampioen liefdadigheid.

En dan het stedenschoon. Vooral het toch betrekkelijk eenvoudige dorpje Broek in Waterland, ten noorden van Amsterdam, bracht hem in een euforische stemming. 'Van het ogenblik af aan dat ik de eerste bladzijde van dit boek schreef, heb ik mijzelf telkens tot voortschrijven aangemoedigd door de gedachte aan het genoegen dat ik smaken zou, wanneer we aan het dorp Broek gekomen zouden zijn. Ik heb dagen van moedeloosheid gehad, waarin ik op het punt was om al mijn geschrijf in het vuur te werpen, maar die stemming werd altijd door de gedachte aan Broek weer overwonnen.'

Lyrisch verhaalt hij over de aanblik van Broek. Een stad uit de winkelkast van een Neurenbergse speelgoedwinkel, een vereniging van tenten van rijk geworden kunstenmakers, een gril van een oosterling die dronken is van opium - 'en ge hebt een flauw begrip van Broek'. Tot ver in de omtrek is de Broeker schoonmaakwoede befaamd. 'Wat men verhaalt van volksopstandjes te Broek tegen vreemdelingen die kersepitten op straat wierpen, is een fabeltje; maar waar is het dat iedere bewoner die een blad of een strootje voor zijn deur ziet neerwaaien, het gaat oprapen en in het water werpen.'

Precies een eeuw voor de reis van De Amicis maakte de Franse filosoof Denis Diderot een tocht door Holland. Hij was vooral geïnteresseerd in de politieke en maatschappelijke krachten die Holland tot het 'Egypte van Europa' hadden gemaakt. Hij roemt de Hollandse tolerantie en koopmansgeest. Als auteur van de Encyclopédie beschrijft hij niet alleen nauwkeurig hoe het Hollandse staatsbestel in elkaar zit, maar ook wat er allemaal in het huishoudboekje van een gezin met drie kleine kinderen, drie dienstboden en een huisknecht staat.

Ondanks deze wat boekhoudkundige benadering is zijn reisverslag (Voyage en Hollande, 1780-1782) allesbehalve saaie lectuur. In Zaandam werd hij getroffen door de aanblik van een meisje. 'Hoewel knappe mannen en vrouwen in Holland een zeldzaam verschijnsel zijn, heb ik er tussen die Zaanse meisjes één gezien bij wie haar levensgeschiedenis op haar gezicht af te lezen was. Ze was knap, maar niet echt mooi; toch heb ik nog nooit zo'n aantrekkelijk snoetje gezien (. . .). Mijn God, wat een oogopslag! Ik ben nog kwaad op mezelf dat ik niet naar haar naam heb gevraagd.'

Een grap gaat hij niet uit de weg. In Den Haag ontmoette hij een man en diens vrouw. De man, vertelt hij, was na vijf jaar huwelijk nog steeds zeer verliefd op zijn vrouw. Toch was hij ongelukkig, omdat zijn vrouw gekweld werd door hevige flauwtes. 'Op een dag zei ik tegen hem dat er een remedie tegen flauwtes bestond. 'Ja', antwoordde hij me, 'die ken ik. Ik ben jong, ik hou van mijn vrouw, ik bedrijf zo vaak als ik kan de liefde met haar, maar het helpt niets.' 'Dat is niet de remedie die ik bedoel.' '

In zijn inleiding geeft Diderot tips voor reizigers. Je moet je goed voorbereiden op een reis, je moet flink wat kennis verzamelen, je moet op z'n minst bekend zijn met de taal van het land, je moet niet te snel oordelen, je moet niet generaliseren, je moet veel luisteren en weinig praten, je moet allerlei mededelingen naar waarde weten te schatten. 'Wanneer u zich houdt aan deze voorschriften, waaraan nog talloze andere zouden kunnen worden toegevoegd, zult u bij terugkomst in uw vaderland merken dat uw landgenoten graag naar u luisteren en niet meer denken aan het spreekwoord dat zegt: wie van verre komt, kan mooi liegen.'

De Amicis en Diderot zijn typische vertegenwoordigers van een reiscultuur die haar oorsprong vond in de zestiende eeuw. Zij werden geprikkeld door een grote mate van nieuwsgierigheid naar een land en een bevolking die beide hoog in aanzien stonden. Zij kwamen om te observeren en te bestuderen. Hun bevindingen legden zij nauwgezet vast, de een wat afstandelijker en neutraler dan de ander. En zij reisden op eigen kompas, met eigen middelen en volgens een door hen zelf opgesteld reisplan.

Deze individuele vorm van reizen kreeg in de tweede helft van de negentiende eeuw concurrentie van het georganiseerde toerisme. Het was de Engelsman Thomas Cook die halverwege de eeuw begon met het organiseren van gemeenschappelijke trips. Hij zette de kroon op zijn werk met de organisatie van een reis om de wereld. Zijn zoon John bouwde het familiebedrijf verder uit. Vooral Egypte werd een geliefd reisdoel. De activiteiten van vader en zoon Cook legden de grondslag voor de ontwikkeling van het massatoerisme in de twintigste eeuw.

Wie nu in het vliegtuig stapt voor een geheel verzorgde reis naar verre oorden, zal zich niet het hoofd breken over de vraag hoe het allemaal begonnen is. Toch is de geboortegeschiedenis van het toerisme een boeiend verhaal, dat doorspekt is met kruidige anekdotes en verrassende ontdekkingen. De Poolse historicus Antoni Maczak vertelt dit verhaal met verve in een internationaal standaardwerk, dat nu vertaald is onder de titel De ontdekking van het reizen - Europa in de vroeg-moderne tijd.

Maczak heeft een schat aan reisliteratuur uit de zestiende en zeventiende eeuw doorgevlooid om zicht te krijgen op het prille toerisme. Alle aspecten komen aan bod: van de gesteldheid van de wegen tot de herbergen, en van de kosten tot de 'souvenirs'. Hij beperkt zijn onderzoeksterrein tot West- en Midden-Europa, omdat, zoals hij in zijn inleiding zegt, in het ooit door de Romeinen bezette deel van Europa 'een bewustzijn van een gedeelde, gemeenschappelijke cultuur' bewaard was gebleven.

De bakermat van het toerisme lag in Italië, stelt Maczak vast. Dat had alles te maken met de aanwezigheid van een al in de Middeleeuwen opgebouwd netwerk van wegen en herbergen ten dienste van rondtrekkende kooplieden, geestelijken en pelgrims. De Renaissance, met haar vernieuwde aandacht voor de voortbrengselen van de klassieke Oudheid, lokte vanaf het begin van de zestiende eeuw geleerden, kunstenaars en vermogende geïnteresseerden naar het land.

Rome was het eerste grote trefpunt van toeristen. In een beschrijving van de stad uit 1526 wordt gemeld dat er 236 herbergen (alberghi) waren; uitgaande van een inwoneraantal van 54 duizend betekent dit 1 herberg op elke 228 inwoners (ter vergelijking: Florence telde toen veertig herbergen, dat wil zeggen 1 op elke 1500 inwoners). In Rome ontstond ook de gewoonte om gidsen en plattegronden te maken om de reizigers te helpen hun weg te vinden te midden van de monumenten en oudheden. Tussen 1475 en 1600 verschenen maar liefst 127 gidsen over Rome.

De reis naar en door Italië was vaak geen pretje. Overal loerde gevaar: vallende rotsblokken, onbegaanbare wegen, rovers, ongedierte in de herbergen, de pest. De introductie van de koets (in de loop van de zestiende eeuw) verhoogde het reisgenoegen, maar bracht nieuwe problemen met zich mee als onderdelen het begaven vanwege het hobbelige wegdek. De tocht per koets was overigens alleen weggelegd voor welgestelde reizigers. Velen trokken te voet langs de wegen; 'mijn Apostelpferde' noemde een Duitse Italiëganger zijn benen.

Reizigers bewapenden zich vaak met zwaarden, musketten of pistolen om zich ongewenste lieden van het lijf te houden. In Rome boden leden van de Zwitserse garde zich aan als gids én beschermengel. 'Om de pest, die ons overal de weg had versperd, te ontlopen, hadden we te kampen met grote ergernis, grote angst en verschrikkelijk slechte wegen', zo verwoordde een Poolse reiziger zijn ervaringen. 'Er waren talrijke gevaarlijke plaatsen, waar het wemelde van de struikrovers, dus we konden bijna niemand (. . .) vinden die graag met ons mee wilde reizen.'

De komst van geregelde postkoetsverbindingen in de zeventiende eeuw luidde in de ontwikkeling van het toerisme een nieuwe fase in. Die diensten brachten, zegt Maczak, een minder grote omwenteling in het maatschappelijk verkeer teweeg als later, in de negentiende eeuw, de komst van de trein, maar toch waren ze 'een stap in de richting van de integratie van vreemdelingen en toeristen in het lokale verkeer'. Iedereen nam plaats in het rijtuig: 'heren en knechten, geleerden en boeren, dames en dienstmeiden, priesters en leken, edelen en kunstenaars, lieden van alle leeftijden en nationaliteiten.'

V ANAF HET EIND van de zestiende eeuw werd de 'Grand Tour' populair. Een reis naar de kunstschatten van Italië werd voor velen in Europa een felbegeerd doelwit, ofwel als bekroning van de opvoeding ofwel als verrijking van het leven. Het waren de hoogtijdagen van de herleving van de klassieke cultuur. Veel reizigers maakten gebruik van het Latijn om zich verstaanbaar te maken. De steden kregen vaste epitheta: het heilige Rome, het geleerde Padua, het rijke Venetië, het mooie Florence, het grote Milaan, het welvarende Bologna, het edele Napels, het trotse Genua.

Veel kunstenaars trokken naar Italië om de bewonderde kunstwerken met eigen ogen te zien en tegelijk alle mogelijke ervaringen in tekeningen vast te leggen. Maczak geeft het voorbeeld van Albrecht Dürer, die drie reizen maakte: twee naar Venetië en een naar de Nederlanden. Die reizen leverden 'een rijke oogst op het terrein van de grafische kunst' op. 'Terwijl Dürer reisde, tekende hij voortdurend en die bezigheid speelde geen geringe rol in de reis zelf. De kunstenaar was geïnteresseerd in het landschap en in de mensen.'

Een aparte categorie reizigers vormden de geleerden. Maczak: 'Het observatievermogen van een geleerde, in combinatie met zijn literair talent en geneigdheid tot schrijven, hebben soms bronnen van informatie opgeleverd die van grote waarde voor het nageslacht zijn gebleven.' Geleerden trokken eropuit om zelf onderzoek te doen, in bibliotheken of anderszins. Vaak ook legden zij verzamelingen aan van curiositeiten die zij op hun tocht tegenkwamen. Daaruit ontstonden de 'rariteitenkabinetten'.

Aan het eind van zijn boek bespreekt Maczak de vraag welke plaatsen je als toerist in de zestiende en zeventiende eeuw niet mocht missen. Dat waren, zegt hij, in ieder geval Rome, Parijs, Londen en - 'met een zekere aarzeling' - Loreto, 'voor vrome katholieken en nieuwsgierige protestanten'. Maar behalve de grote steden waren er ook een paar plaatsen die onder toeristen om speciale redenen zeer populair waren. Tot die plaatsen hoorde ook Loosduinen bij Den Haag.

Loosduinen? Wat was er zo bijzonder aan Loosduinen? Op zichzelf viel daar niet veel te beleven, maar er was een gedenkplaat te zien in een kapel, en daar ging het om. Op die plaat stond dat in 1276, op Goede Vrijdag rond negen uur, Margaretha, gravin van Henegouwen, op 42-jarige leeftijd het leven had geschonken aan 365 kinderen, die allen waren gestorven en na te zijn gedoopt daar waren begraven.

Toeristen die op deze wonderlijke mededeling afkwamen, kregen van een plaatselijke gids de legende achter de plaat te horen: de gravin had een vrouw bespot die een tweeling had gebaard (moeders van meerlingen werden in die tijd beschuldigd van zedeloosheid), waarop de vrouw een vloek over haar had uitgesproken, met succes. Ze kregen ook nog de twee doopvonten te zien die bij het dopen waren gebruikt.

De meeste toeristen in de zestiende en zeventiende eeuw, laat Maczak zien, waren geïnteresseerde reizigers. Zij trokken eropuit om kennis te maken met andere culturen en andere mensen. In veel gevallen vertrouwden zij hun ervaringen aan het papier toe, waardoor een levendig beeld ontstaat van de beginperiode van het toerisme.

Niet iedereen was bij thuiskomst even enthousiast. 'Om het kort te zeggen: ik heb een slecht volk en een goed land aangetroffen', schrijft een Engelsman over Italië. 'Ik heb vele mooie steden gezien met schitterende gebouwen, maar met vervuilde bewoners die zich slecht gedragen, versterkte steden met kunstmatige bolwerken en sterke muren, maar zwakke kapiteins met verschrikkelijke manieren die toegeven aan elke opwelling van zinnelijkheid.' Dat moeten we maar tot de categorie 'stereotypen' rekenen, reageert Maczak laconiek.

Han van Gessel

Antoni Maczak: De ontdekking van het reizen - Europa in de vroeg-moderne tijd.

Vertaald uit het Engels door Aris J. van Braam.

Het Spectrum; 470 pagina's; * 49,90.

ISBN 90 274 5533 3.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden