De fysiognomie van een meesterjongleur

Met 'een brul van woede' kwam de duivelskunstenaar in 1881 op de wereld. Vlak voor zijn dood kraste hij zijn spiegelbeeld met vitriool op papier....

Claude en la belle Paloma in een rood autootje, Jacqueline als 'mater dolorosa', de meester en zijn model, enkele sombere portretten die herinneren aan Géricaults gekken, een dromerige Françoise, een broeierig bacchanaal d'après Poussin en virtuoos getekende kubistische portretten: het is maar een kleine greep uit de vele tientallen schilderijen en tekeningen van Pablo Picasso, 'de jongleur van het portret', op de expositie Picasso et le portrait.

In het Parijse Grand Palais hangen ook foto's van geportretteerden, 'het materiaal'. Want op de expositie roeren we in Picasso's pot-au-feu; we proeven zijn keuken. Elk schilderij is een collage. Soms herken je een of ander motief van Manet of Greco, of Velazquez, de neus van Olga Khokhlova of de grote, zwarte ogen van Jacqueline Roque.

De duivelskunstenaar Picasso werd in 1881 'met een grimas en een brul van woede' geboren, schreef de Catalaanse kroniekschrijver van diens jeugd, Josep Palau i Fabre. Kort voor zijn dood, toen hij bijna tweeënnegentig was, kreeg hij bezoek van zijn biograaf Pierre Daix. De schilder liet Daix een met vitriool getekend werk zien, zijn laatste met vet krijt op een stuk papier gekraste zelfportret.

Het is een spiegelbeeld, dus moet hij waarschijnlijk voor de spiegel hebben gezeten, 'met de dood voor ogen'. Het portret, nu in bezit van de Japanse Fuji Television Gallery, hangt op Picasso et le portrait, een expositie van het Newyorkse Museum of Modern Art en het Musée Picasso. Het toont een uiterst grimmig en angstig kijkende man, ongeschoren, de ogen dood in hun kassen. Hij stierf, zoals hij was geboren, met een grijns en een brul.

De tentoonstelling toont ons 'le pot-au-feu du peintre', Picasso's werkwijze - het 'transformerende stoofpotje' van de schilder. Het is volgens de Franse schrijver Pascal Bonafoux 'zijn manier van koken', of zoals de ondertitel in het Newyorkse Moma luidde: Representation and Transformation.

Elk schilderij is een zelfportret. Het is de schilder die zich spiegelt in het gelaat van de anderen. De geportretteerde is de spiegel. Maar elk doek of elke tekening is ook een groepsportret. Picasso schilderde of tekende niet het gezicht van iemand, maar tegelijk vele gezichten in één portret. Hij parafraseerde niet alleen thema's van anderen, op bekende doeken van Manet of Greco, of Velazquez, maar ook de gelaatstrekken van zijn vrouwen, zijn kinderen en zijn vrienden.

Hij maakte portretten van de dichters André Salmon, Guillaume Apollinaire en Max Jacob, van zijn kunsthandelaren en verzamelaars, zijn vrouwen en kinderen. De tentoonstelling toont zijn vroege schilderijen, het portret van zijn vader en moeder, van zijn dode vriend Casagemas die op jonge leeftijd zelfmoord pleegde, en - gerangschikt in periodes, overeenkomstig de vrouw met wie hij toen leefde - de kubistische en de latere neoclassicistische schilderijen.

Een schilder, heeft Leonardo da Vinci ooit gezegd, schildert altijd zichzelf. Picasso citeerde geregeld die uitspraak van Leonardo. 'Achter de gelaatstrekken of grimassen van de geportretteerden schuilt de schilder.'

In zijn studieschetsen voor het portret dat Helena Rubinstein bij hem had besteld, 'transformeerde' hij het gezicht van zijn model. Haar fysiognomie vertoont, tekening na tekening, steeds meer de trekken van Picasso's gezicht.

Dat had hij naar eigen zeggen ook met zijn vader. 'Telkens ik een man teken', zei Picasso, 'denk ik aan mijn vader. . . . Voor mij is “de man” don José, en dat zal altijd zo blijven.' Wanneer hij iemand schilderde, werd zijn onderwerp - de geportretteerde op de stoel voor hem - een beeld. De geportretteerde was vaak zijn spiegelbeeld.

De tentoonstelling laat zien hoe Picasso portretten met fragmenten 'genereert'. Hij gaf zijn figuren gelaatstrekken mee van anderen of van hemzelf, of trok een masker over hun gezicht. Op die manier werden ze een deel van de collage. En toch blijven ze, door de meesterlijke hand van Picasso, ook weer zichzelf. Je herkent zijn vrouwen, ook bij de geabstraheerde portretten, en zijn vrouwen herkenden de andere vrouwen in de details op de schilderijen.

Vroeger heetten een landschap of een vaasje bloemen Portret van een landschap of Portret van een vaas. In de ogen van Picasso is de geportretteerde - een geliefde of de schilder zelf - zo'n onderwerp. In de woorden van de dichter Stéphane Mallarmé gaat het bij het schrijven van een gedicht of het maken van een schilderij om de sensaties die het onderwerp oproepen: peindre non la chose mais l'effet qu'elle produit, de esthetische emotie.

Picasso's Demoiselles uit 1907, een bordeeltafereel in de Barrio Chino, de uitgaansbuurt van Barcelona, was een keerpunt. 'Het is alsof iemand petroleum drinkt en spuwt om vuur te maken', zei een collega-schilder toen hij Les demoiselles d'Avignon in de Bateau-Lavoir zag, het atelier van Picasso in Montmartre. Picasso schilderde als het ware gemaskerde gezichten. In zijn schetsboeken zie je hoe hij te werk ging. Gelaatstrekken veranderden, bekende gezichten werden toneelspelers in een verzonnen tafereel.

Op een klein schetsje uit 1903, nauwelijks een vuist groot, heeft hij zich als een aap afgebeeld, 'Picasso par lui même'. De schilderende aap, met penseel en potlood achter zijn oren, is zijn alter-ego. Hij etaleert zonder schaamte zijn geslacht. Picasso was een markante verschijning. Op de tentoonstelling hangen tientallen foto's van hem, geen aapjes, maar portretten van een trotse man. 'Picasso was een zeer bewust genie', schrijft Gilot - zijn vrouw tussen 1946 en 1954, 'hij had een dwingende behoefte om voortdurend een genie te zijn en wat hem betreft was niets zo belangrijk als wat hij moest doen.'

Hij heeft, vóór 1907 en na 1938, tientallen zelfportretten gemaakt. Ze vormen geen geschilderde autobigrafie, het zijn niet zulke portretten 'van vlees en bloed' die Rembrandt tijdens zijn leven maakte, maar een mise-en-scène van zijn uitgesproken ego. Ze tonen de flamboyante jonge schilder, titel: Yo, Picasso, 'Ik, Picasso', de kunstenaar met zijn model en de schilder op latere leeftijd. De portretten zijn geen relaas van zijn leven; ze geven niet 'de tijd van het hier en nu' weer, maar de 'artistieke tijd', de eeuwigheid.

Er hangen griezels, katachtige Rembrandt-tronies, groteske en verwrongen gezichten van een oude schilder. Maar de tentoonstelling is geen knekelhuis. Het zijn geen anomalieën, ook al zijn de schijnbaar gekneusde portretten van vrouwen of vrienden 'in een soort woedeuitbarsting' geschilderd, in een delirium. Picasso schilderde en tekende nu eenmaal met de tomeloze drift van de stierenvechter, een ander Picassiaans alter-ego, de man van de corrida.

Hij schilderde weinig gemangelde lijven, geen spuug en bloed zoals bij Francis Bacon, nauwelijks taferelen vol kommer en kwel of toegetakelde lichamen. Soms zijn de schilderijen zelfs uitgesproken frivool en grappig: de biomorfe portretten van de rondborstige Marie-Thérèse Walter, zijn Arlésiennes (Lee Miller) of de transparant geschilderde portretten van Nusch Eluard, een femme fatale.

Stijl is voor een schilder dodend, vond Picasso. Die wordt een maniertje. Die houdt schilders in een camisole de force gevangen, een dwangbuis.

Picasso's creatieve en steeds vernieuwende kracht was verbazingwekkend. Hij heeft vele duizenden schetsen gemaakt, honderden carnets. Ze vormen zijn werkdagboek, zijn systeem van denken. William Rubin, die een groot deel van de catalogus schreef, noemt Picasso's manier van portretteren 'panphysiognomonie': vele ogen, neuzen, oren en monden. Zijn vrouwen - Olga, Sara, Marie-Thérèse, Dora, Françoise en Jacqueline - waren zijn choses, zijn 'onderwerpen'. Picasso bracht hun gezichten bijeen.

Zijn portretten zijn voortdurend in beweging. Het zijn metamorfoses. Die verandering, portret na portret, is het thema van Picasso et le portrait. Picasso maakte geen objectieve portretten maar interpretaties.

Het zijn 'conceptuele portretten'. De schilderijen die hij van Wilhelm Uhde, Ambroise Vollard en Daniel-Henry Kahnweiler maakte, misschien wel drie van zijn mooiste doeken, zijn als het ware landschappen. Het zijn, zoals Rainer Maria Rilke over de Cézannes schreef die hij op de Parijse Salon d'Automne had gezien, 'totale schilderijen'. De doeken zijn kubistisch, maar tegelijk vertonen ze ook een bijna illusionistisch realisme. Je herkent Kahnweiler, Vollard en Uhde, maar tegelijk zijn ze bij Picasso op een geraffineerde manier ook weggeschilderd.

In de Renaissance, zei Leon Battista Alberti, 'staken boven de veelzijdigen sommige alzijdigen torenhoog uit'. Da Vinci was zo iemand. In de schitterende catalogus Picasso et le portrait maakt Rubin een vergelijking tussen de alzijdige Da Vinci en Picasso. Hun werk is verbluffend, hun oeuvre is een onuitputtelijk 'panorama van inventies'.

Leonardo was, net zoals Picasso, een viriel man. Hij was, zeker in zijn jeugd, een aantrekkelijk iemand. Zijn weetgierigheid en alzijdigheid kenden geen grenzen. Soms keek Leonardo urenlang naar een spat verf op een van zijn schilderijen. Hij was een uiterst begaafd fysiognoom die schitterende tronies of portretten van mismaakten tekende. Het gezicht was in zijn ogen 'de spiegel van de ziel'.

Picasso maakte, zoals de grote Leonardo, vele honderden van zulke 'grotesken'. Want in elke portrettist sluimert ook een karikaturist. Hij was een van de alzijdigste kunstenaars van de Twintigste Eeuw. Dat laat, na vele tientallen andere exposities, ook deze tentoonstelling nogmaals zien: het immense Picassiaanse universum is onuitputtelijk. Telkens opnieuw maakt het nieuwsgierig.

Picasso et le portrait. Van 18 oktober tot en met 20 januari 1997. Catalogus: FF 380,-.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden