De fuik van de ideologie

MISSCHIEN HAD Nico Rost (1897-1967) de Nederlandse Egon Erwin Kisch kunnen worden, maar hij werd het niet, hij kwam niet verder dan de vertaling van de 'razende reportages' waarmee zijn Tsjechische vriend zoveel roem vergaarde....

JAN BLOKKER

Hij kende ze vrijwel allemaal persoonlijk. Hij was 25 toen hij zich, als zovelen van zijn generatie, in Berlijn vestigde: door de 'culturele hoofdstad van Europa' onweerstaanbaar aangetrokken als een mot door het lamplicht. Berlijn zelf was voor een aankomende broodschrijver te duur, maar van het nabijgelegen dorp waar hij onderdak vond, kostte het maar een uurtje om het Romanisches Café te bereiken, en daar Zuckmayer en Brecht, Hasenclever en Döblin, Gottfried Benn en Carl Einstein te kunnen zien zitten. Aanvankelijk De Telegraaf, later het Algemeen Handelsblad en de NRC en ten slotte ook literaire tijdschriften waren de afnemers van zijn altijd vlotte, informatieve artikelen en recensies.

De schrijversdroom was niet Rosts enige - politieke dromen woelden daarnaast. Mogelijk zaten de twee elkaar in de weg, zodat van geen van beide uiteindelijk iets bevredigends terecht is gekomen. Bij terugblik ziet zijn rijk gevulde en in zekere zin avontuurlijke leven er tamelijk verdrietig uit.

Al vroeg verruilde hij, zij het tijdelijk, de prille Weimar-republiek voor de even prille Sovjet-Unie. Ook in dat opzicht was hij geen uitzondering: duizenden van zijn generatiegenoten uit het westen trokken naar het Licht in Moskou. Met Duitse vrienden reisde hij door het reëel-bestaande-socialisme-in-aanbouw: zelf nog niet helemaal 'bekeerd' en meer geïnteresseerd in Meyerhold, Majakovski en overige kunstenaars van het Nieuwe Rusland dan in het bolsjewistisch experiment, en als het om politieke keuzen ging een groter bewonderaar van Trotski dan van Stalin. Maar dat kon allemaal nog, tot 1928.

Tegen die tijd was hij trouwens weer terug in Berlijn, na een paar rusteloze intermezzi in Nederland en Ascona. Zonder nog een 'erkend' communist te zijn was hij de laatste jaren van Weimar notoir links genoeg om in 1933 hoog genoteerd te staan op de lijst van verdachten met wie het Derde Rijk wilde afrekenen. De oogst van een door de SA ondernomen huiszoeking was er ook naar: de boekenkast bleek niet alleen vol te staan met Marx, Engels, Lenin en Trotski, maar ook met het werk van Duitse auteurs, dat een paar maanden later ceremonieel op de brandstapel zou worden gegooid. In april zat Rost drie weken in het concentratiekamp Oranienburg. Hij genoot de eer een van de allereerste politieke gevangenen te zijn.

In de door Hans Olink gepubliceerde levensbeschrijving komt het beeld tevoorschijn van een man die tot dat moment nog nauwelijks bewust heeft gekozen, behalve voor de marmeren tafeltjes en de bierlucht in het Romanisches Café: 'kulturell angehaucht' zouden z'n Duitse vrienden zeggen, en nog steeds vervuld van het verlangen om van de cultuur om zich heen ook zelf werkelijk deel te worden - door een roman te schrijven bijvoorbeeld in plaats van ze alleen maar te vertalen.

Was het daar maar bij gebleven.

Vanaf het moment dat hij zich formeel tot het communisme bekende - eerst nog met het portret van Trotski boven z'n schrijftafel, maar al gauw bereid om Stalin 'de architect van het geluk' te noemen - is het eigenlijk misgegaan. Hij mengde zich in de troosteloze polemieken die al in de vooroorlogse CPH gewoonte waren, schreef een infame brochure tegen Jef Last, die de afvallige André Gide niet had willen afvallen (en waarschuwde daarin tegen 'homoseksuelen en pederasten' die in hun kliekvorming een gevaar betekenden voor 'de opbouw van het socialisme'), maar wekte tegelijkertijd de argwaan van zijn gelovige kameraden door vrienschap te blijven onderhouden met vervaarlijke 'sociaal-fascisten' en anarchisten. Partijdiscipline - dat blijkt het aardige aan Rost - is nooit helemaal aan hem besteed geweest.

Olink laat in zijn boek de al dan niet literaire waarde van wat Rost schreef, onbesproken en als het gaat om zijn nogal ongrijpbaar gedrag in de bezettingstijd - als je de optelsom van zijn faits et gestes maakt, moet je eerder aan Weinreb denken dan aan een achttienkaraats verzetsstrijder - onthoudt hij zich van een eindoordeel. Hij noemt z'n deels journalistieke speurtocht in terechte bescheidenheid ook geen biografie, maar een 'biografische schets'. En wat er ook aan twijfel kan hebben bestaan is natuurlijk 'geadeld' door het feit dat Rost uiteindeljk in Dachau terechtkwam, waar hij warme banden aanknoopte met zulke uiteenlopende lotgenoten als Teengs Gerritsen, Telders, Wiardi Beckman, Ed Hoornik en de jonge W.L. Brugsma.

Zijn passie voor lezen, gevoegd bij de flair waarmee hij zich zelfs in het kamp van lectuur wist te (laten) voorzien, moeten hem hebben doen overleven. In gevangenschap maakte hij de aantekeningen voor het enige boek dat hem in de buurt bracht van de literaire canon: Goethe in Dachau. Het was geen roman, het was ook geen Egon Erwin Kisch, het was er iets tussenin - de beschrijving, zou je kunnen zeggen, van hoe het vege lijf gered kan worden door de grote geest. In de eerste 'golf' van concentratiekampliteratuur moet het verslag iets gehad hebben dat je er nu niet meer precies van afleest, maar dat het in z'n authenticiteit meteen wereldberoemd maakte.

Vermoedelijk was het succes nergens zo groot als in het 'nieuwe' Duitsland dat al gauw de DDR heette. Daar was Rost in 1945 onmiddellijk terug - in de oostelijke helft van Berlijn, zonder het Romanisches Café waarvan zelfs geen ruïne meer over was, maar met een groot aantal van de schrijvende vrienden uit de dagen van de Weimar-republiek. Daar werd hij door Grotewohl en Pieck als een held vereerd, daar schreef hij een hagiografie over de eerste, daar werden in een paar jaar tijd vijftigduizend exemplaren van Goethe in Dachau verkocht.

En uitgerekend daar kwam Rost in 1951 ten 'val'. Op grond van aanwijzingen in de Stasi-archieven oppert Olink dat Paul de Groot de hand heeft gehad in Rosts 'ontmaskering', die - o, ironie - tot een verkettering leidde die wat de bewoordingen betreft sprekend leek op het demasqué dat Rost dertien jaar tevoren op Jef Last had toegepast.

Voor de derde keer binnen twintig jaar werd de man die zich zo hartstochtelijk verknocht voelde aan de Duitse cultuur, door de Duitsers uitgeroepen tot een bedreiging van hun cultuur.

De tragiek - en minder hoef je het toch niet te noemen - heeft Rost gedeeld met talloze bevlogen generatiegenoten van wie je achteraf geneigd bent te denken dat ze met een fractie meer twijfel in hun ziel de verschrikkelijke dans hadden kunnen ontspringen. Groots en meeslepend hebben ze geprobeerd te leven - je komt in de biografie van Rost bij wijze van spreken de hele Europese literatuur uit de eerste helft van de twintigste eeuw tegen, en met een beetje meer geluk was hij de afstandelijke chroniqueur van een adembenemend tijdperk geworden.

Maar helaas, hij liep in de fuik van zijn ideologie, en stierf als een 'heimatlose Linke'.

Want dat moet je hem nageven: hij is nooit rechts geworden.

Jan Blokker

Hans Olink: Nico Rost - De man die van Duitsland hield.

Nijgh & Van Ditmar; 299 pagina's; ¿ 45,-.

ISBN 90 388 5496 X.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden