De Fictiefabriek

Marcel Hulspas

Op eenderde van het boek komen de auteurs bij hun uitgever op bezoek. 'Mijn indruk was', schrijft Dautzenberg, 'dat hij geen collage van overpeinzingen, ideeën en ervaringen wilde, maar een strak, helder, eenduidig verhaal dat naar een duidelijke ontknoping toewerkte.' Het liep anders. De Fictiefabriek is een greep uit de correspondentie (brieven en mails) tussen schrijver Anton ('A.H.J.') Dautzenberg en fraudeur Diederik Stapel. Beiden Tilburgers. Dat schept een band. En omdat Dautzenberg, zoals Stapel het in zijn eerste mail formuleert, 'een verfrissende kijk op de wereld' zou hebben, zou hij hem wellicht kunnen helpen 'ooit nog van waarde' te zijn. Een larmoyante openingszet. Maar ze kunnen het goed met elkaar vinden.

Ze drinken, wandelen, gaan op 'verlovingsbezoek' bij elkanders ouders, zoenen zelfs, en ze babbelen wat af. En ze smeden snode plannetjes. Maar een 'roman in brieven' is het niet. Zoiets vereist de bereidheid om de ander inzicht te verschaffen in je diepste drijfveren. Dautzenberg doet dappere pogingen. Hij wisselt het gemijmer over films, boeken en de maatschappij (politiek is een leugen, de media zijn onbetrouwbaar, dat soort werk) af met verhalen over zijn jeugd, zijn angsten en zijn medicijngebruik. Hij prijst Stapel als intelligent, vindt zijn fraude onbelangrijk (wetenschap is vooral onzin, bewijst hij aan de hand van krantenkoppen), maar Stapel laat niets los.

Terwijl Dautzenberg ingeklemd zit tussen sociale fobie en een diepe hunkering naar erkenning, wil Stapel zo snel mogelijk weer geliefd en gerespecteerd worden. Maar iedereen is tegen hem. Stapel wentelt zich in zijn ellende. Daarin kunnen ze elkaar geruime tijd vinden. Een afwijzing hier, een zuur stukje daar, het wordt breed uitgemeten.

Op pagina 280 komt Stapel voor het eerst (en laatst) te spreken over zijn wandaden. Dat wil zeggen, hij vertelt het in een verhaal over een scholiere, Della, die hem interviewde. Die vorm heeft hij blijkbaar nodig. Della had maar één vraag: waaróm had hij het gedaan? Stapel mompelt over zijn opvoeding, de prestatiecultuur, dronken van succes... hij moet het antwoord schuldig blijven? 'Ik kan mijzelf op duizenden manieren verklaren, maar het zal nooit genoeg zijn.' Maar niemand zit te wachten op causale verklaringen; het gaat om het morele waarom. Hoe kon hij zijn collega's zo lang bedriegen? Die vraag durft hij zichzelf niet te stellen.

Zo'n vijftig pagina's later barst de bom. Dautzenberg constateert dat Stapel 'een huilerige heg' heeft opgetrokken waarachter hij zich comfortabel voelt. 'Vind je het wellicht prettig om voortdurend publiekelijk in scherven uiteen te vallen?' Stapel reageer kortaf: die brief was 'hier en daar wat kinderachtig'. De toon wordt snel bits. Een paar mailtjes later lijkt de vrede getekend maar de lezer weet: dit komt nooit meer goed. Een maand later schrijft Stapel zijn laatste brief. 'Dank, dank, dank, ik schrijf niet meer.' Dautzenberg bood niet de troost die hij zocht.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden