De fez van Perk, het konijn van Reve

Na drie jaar verbouwen is het Letterkundig Museum in Den Haag heropend. Een fraai ‘Pantheon’ toont de honderd Nederlandstalige schrijvers die ertoe doen....

Het is een walhalla voor quiz-makers. Wie was de eerste beroepsschrijver in de Nederlandse literatuur? Voor welk personage was een rector van het Gymnasium Haganum de inspiratiebron? Welk boek gaf de aanzet tot het Kinderwetje van Van Houten? Welk beroep komt onder schrijvers het vaakst voor? Welke dichter zat voor moord in een tbs-kliniek? En welke dichter werd vermoord? (De antwoorden staan onderaan dit artikel.)

Ze hebben gemeen dat ze allemaal morsdood zijn, de honderd schrijvers en dichters uit het Nederlands taalgebied die een plaatsje hebben gekregen in het Pantheon in het Letterkundig Museum in Den Haag. Harry Mulisch zit er dus nog niet bij, de andere Grote Twee wel. Bij wijze van troost mocht Mulisch de tentoonstelling gisteren openen, zonder de lauwerkrans op het hoofd die hier zijn stenen versie draagt.

Het museum gaat na drie jaar verbouwing weer open, en hoe. Er zijn twee grote permanente tentoonstellingen: het Pantheon en de Nationale Schrijversgalerij. Die laatste expositie – 425 schilderijen van schrijvers, dood of nog levend – was al voor de verbouwing te zien, maar is intussen flink gegroeid. De schrijvers hangen er alfabetisch; pruikenkoppen naast rockers; seksbommen naast blauwkousen – erg prettig voor de bezoeker die zijn favorieten zoekt.

Volgens Sjoerd van Faassen, hoofd collecties, is deze manier van presenteren, dwars door chronologie, stromingen of stijlen heen, in de ogen van kunsthistorici een gruwel, maar voor dit museum werkt het uitstekend: ‘Het gaat hier om de schrijvers.’

En daarom hangt hier een schitterende Jan Sluyters (Jan Kuijper als peuter) naast een schalks lachend zigeunermeisje (Johanna Kruit) door ene A.J. Mathey, een modernistisch schilderij van Hendrik Wiegersma (Albert Kuyle) naast goedbedoeld plakwerk van Huub Beurskens die collega-dichter Wiel Kusters vereeuwigde. En wat kon die oplichter Han van Meegeren (Martien Beversluis, Ben van Eysselsteijn) prachtig schilderen!

Topstukken zijn Menno ter Braak door Paul Citroen, Frans Kellendonk door Kees Knopper en drie W.F. Hermansen – twee door Alphons Freijmuth en een abstract portret door Han Jansen, alle drie met streepmond. En natuurlijk het enige groepsschilderij: de redactie van het tijdschrift Podium in 1961, door Willem Schrofer. De hoekig afgebeelde schrijvers zijn meteen herkenbaar: Henk Hofland staart naar eigen verten; Campert steekt er energiek eentje op.

De verzameling telt veel zelfportretten, van dubbelkunstenaars of schrijvers die álles in hun winkel runnen. ‘Best aardig schilderij eigenlijk’, zegt Van Faassen, wijzend naar het zelfportret van Jules Deelder. Verdomd, vooral die ronde, open, naar links afwijkende mond is perfect.

Ook hier zijn punten te verdienen. Welke schrijver is het ijdelst geportretteerd, wie het best gelijkend? Welke schrijfster lijkt verbazend op Nelleke Noordervliet? Wie staat zowel afgebeeld in manlijke als vrouwelijke gedaante? En wie is de lelijkste onder de schrijvers?

De grootste verrassing van het vernieuwde Letterkundig Museum is het fraai uitgevoerde Pantheon. De bezoeker maakt een wandeling langs honderd schermen, voorzien van oortjes. Per schrijver wordt een bondig, helder verhaal verteld, een typering van het werk en enkele opmerkelijke levensfeiten, begeleid door beeld- en geluid. Een paar minuten, en dan door naar de volgende dode grootheid.

De jongst gestorvene is Anne Frank. Generatiegenote van Reve en Mulisch, altijd en overal de jongste, en hoewel krankzinnig beroemd, nooit de schrijfster geworden die ze zich voornam te zijn. De meest recente dode is de Frans Kellendonk (1951-1990), een jonggestorven talent, wiens roman Mystiek Lichaam (1986) slecht begrepen werd; toen hij, lijdend aan aids de dood al in de ogen keek, moest hij zich verdedigen tegen beschuldigingen van antisemitisme, heiligschennis en homohaat, omdat hij personages opvoerde met zulke denkbeelden.

In de afdeling ‘ophef’ zijn meer boeken verzameld die deining veroorzaakten: Eenzaam avontuur van Anna Blaman bijvoorbeeld, met ‘schokkende’ lesbische passages, en Literatuurwetenschap: het raadsel der onleesbaarheid van Karel van het Reve, waarmee deze in 1978 literatuuronderzoekers die meenden literatuur wetenschappelijk te benaderen, effectief belachelijk maakte.

In het midden van de Pantheon-ruimte vinden we de afdelingen ‘Wording’ en ‘Vorm en stijl’. We zien een kladschrift van Constantijn Huygens lange dichtwerk Hofwijck (1650) en dat van Couperus’ De stille kracht (1900) en Bordewijks Noorderlicht (1945) en het typoscript van Terug tot Ina Damman van Simon Vestdijk en een brief van Martinus ‘Pom’ Nijhoff aan zijn vriend Gerrit Achterberg.

Carry van Bruggen vond het volstrekt onnodig dat haar manuscripten zouden worden bewaard en tentoongesteld. De brief waarin ze dat schrijft aan W. Moll. de grondlegger van het museum, is natuurlijk wél bewaard.

In het audiogedeelte kunnen we luisteren naar schrijvers die, dichtbij en levend door hun bekende stemgeluid, voorlezen uit eigen werk. De overbeschaafde, trage Bloem leest het onvergankelijke gedicht ‘November’, Reve draagt sonoor ‘Roeping’ voor, F. B. Hotz leest met zachte stem voor uit het verhaal ‘Liebestraum’. Marten Toonder leest met Bommeliaanse dictie een passage uit De bovenbazen. Lucebert, die ‘Poëzie is kinderspel’ voordraagt met zijn bronzen geluid, demonstreert briljant de onwaarheid van die titel.

Het zijkamertje, gewijd aan ‘Biografie’, toont slechts een fractie van de schatten die het museum in dozen heeft opgeslagen. Het blijft leuk, die tastbare dingen. De reisspiegel van Hendrik Marsman. De cadeautjes die Renate Rubinstein kreeg van haar geheime minnaar Simon Carmiggelt: een pen, een horloge. Het dodenmasker van Bilderdijk. De carnavalsonderscheidingen van nationale lolbroek Godfried Bomans. De kimono van wereldreiziger Slauerhoff. De fez van Jacques Perk, de hoed van de fors uitgevallen dandy Lodewijk van Deyssel. De stofzuiger die Vestdijk liet loeien als hij schreef, het konijn uit De avonden van Gerard van het Reve en hé, de trombone van F. B. Hotz, waaraan hij uren zat te poetsen voordat hij het geluid eindelijk goedkeurde.

Het is een zeer complete tentoonstelling geworden die, zoals projectleider Joris Kwast zegt, appelleert ‘aan alle zintuigen’. Duizend jaar letterkunde in 100 schrijvers. Alleen de boeken, die moet de bezoeker thuis zelf nog lezen. Voor het onderwijs biedt deze aanpak perspectief. Enkele bezoekjes aan dit Pantheon maken op scholieren waarschijnlijk meer indruk dan vele lessen ‘taaie’ literatuurgeschiedenis.

‘Het is wel degelijk de bedoeling’, zegt directeur Aad Meinderts, ‘dat we hiermee een canon presenteren. Met het Pantheon zeggen we: dít is wat je moet weten van de Nederlandstalige literatuur.’

De hamvraag is natuurlijk: zijn dit wel de honderd schrijvers die ertoe doen? Wie bepaalt dat? In dit geval was dat een commissie van schrijvers en literatuurhistorici – onder anderen Frits van Oostrom, René van Stipriaan, Marita Mathijsen en Maarten Asscher. Er werden rigoureuze keuzes gemaakt. Tweeëntwintig Vlamingen, bijvoorbeeld, is niet veel. Daar kunnen we hier in het noorden wel mee leven. Maar doet het ook recht aan de literaire verhoudingen in het hele taalgebied?

Van de meeste schrijvers is duidelijk waarom ze erin staan. Soms is het eerder omdat ze de tijdgeest goed vertegenwoordigen dan dat hun werk van hoge literaire kwaliteit is – bijvoorbeeld bij Anna Blaman – soms is het andersom: eenlingen die werk van hoge kwaliteit maakten, zoals Nescio, Vasalis en Hotz. Enkele schrijvers zijn evidente voorlopers van een literaire stroming, zoals Jacques Perk (de Tachtiger) of Rhijnvis Feith (preromantiek). Maar is diens larmoyante Julia nog werkelijk te lezen? En waarom ontbreekt Hans Lodeizen dan, als de ‘Jacques Perk’ van de Vijftigers? Was hij van minder belang dan, laten we zeggen, Virginie Loveling of P. A. de Génestet, die niemand meer leest? Er ontbreken meer belangrijke dichters: J.A. Dèr Mouw bijvoorbeeld, en P. C. Boutens.

Bij enkele grote namen – Spinoza, Erasmus, Huizinga – kun je je afvragen of zij in de eerste plaats literaire schrijvers waren. En rechtvaardigt dat ene, hartverscheurende boek van Anne Frank haar plaats in deze canon? Vincent van Gogh schreef schitterende brieven. Toch is hij een ietsepietsje beroemder als schilder dan als schrijver.

Nog een probleempje. Hoe vinden toekomstige grote dode schrijvers hun plaats in deze eregalerij? Ooit zal Harry Mulisch sterven, en Hella S. Haasse helaas ook. Moeten enkele mindere goden dan voor hen wijken?

Nee, zegt Aad Meinderts. ‘Deze tentoonstelling blijft zo. Dit is wat we nu vinden. Over vijf, zes jaar, beoordelen we opnieuw welke schrijvers een plaats verdienen.’

Een canon is niet in lood geklonken. Er zal altijd opnieuw discussie oplaaien over groot, groter, groots, en zo hoort het ook. Aan deze honderd schrijvers valt nog genoeg te ontdekken.

Tot slot de quiz-antwoorden. Die luiden, in goede volgorde: Jacob van Maerlant, Bint, J. J. Cremers Fabriekskinderen (1863), jurist, Gerrit Achterberg en Jacob Israël de Haan.

En bij het onderdeel schilderkunst: het zelfportret van de keizerlijke Arthur Japin is het ijdelst. Barber van de Pol is het meest levensecht afgebeeld (door Oscar de Wit) en van Henriëtte van Eyk zou je zweren dat ze Nelleke Noordervliet is. William/ Dirkje Kuik veranderde tussen twee schilderijen door van geslacht. En de lelijkste schrijver is de arme, bolwangige J.F. Helmers (van De Hollandsche natie, 1802).

Wie alle vragen goed heeft, hoeft het Pantheon en de Nationale Schrijversgalerij niet meer te bezoeken. Of toch: om de vreugde der herkenning.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden