De feilloze afstandelijkheid van een ambtenaar

NEDERLAND blinkt niet uit in eerbetoon aan dichters uit het verleden, en gelezen worden ze, op een enkele uitzondering na, vrijwel nooit....

Dat uitgerekend Nachoem M. Wijnberg de Herman Gorter-prijs krijgt, mag verbazingwekkend heten. Hoewel deze in 1961 geboren dichter inmiddels een oeuvre van zes dichtbundels en een roman op zijn naam heeft staan, kan niet beweerd worden dat hij het met zijn critici erg getroffen heeft. Guus Middag noemde zijn werk lelijk en onbeholpen, 'zonder enige noodzaak of bevlogenheid of humor', en Arie van den Berg begon zich bij de wat langere gedichten na één poging te vervelen.

Rob Schouten repte van quasi-naïef voortmurmelen, en de meeste recensenten vielen over het feit dat Wijnbergs werk zo weinig muzikale kenmerken vertoonde dat het wel proza leek. Maar het pijnlijkst was, dat niemand er iets van begreep. De verzamelde kritiek weet zich met Wijnbergs poëzie geen raad.

Maar gelukkig hebben de critici zich vergist. Wat poëzierecensenten in hun ergernis over Wijnbergs poëzie schrijven, is over het algemeen niet alleen buitengewoon vaag, het is bovendien grotendeels onwaar. Wie met een nuchtere blik naar deze gedichten kijkt en vervolgens de recensies leest, moet constateren dat er sprake is van een bijna Babylonische spraakverwarring. Dichter en critici spreken elkaars taal niet, ze hebben een tolk nodig om elkaar te verstaan. Hoe komt dat?

De oorzaak van het misverstand is misschien gelegen in de instelling van de lezers. Die instelling is niet bij alle soorten poëzie dezelfde. Als we gedichten indelen op grond van hun toegankelijkheid en de mate waarin hun vorm een open of gesloten indruk wekt, kunnen er vier genres onderscheiden worden, die alle hun eigen leeshouding oproepen. Ontoegankelijke poëzie met een gesloten structuur, zoals die van Hans Faverey of Gerrit Komrij, veronderstelt een gevoeligheid voor de technische vaardigheden van de dichter, alsmede een intellectuele behoefte raadsels te ontsluieren.

Ontoegankelijke poëzie met een open structuur, zoals die van Lucebert, dwingt de lezer ertoe zich willoos over te geven aan de machtige stroom van taalmuziek: de lezer doet vaak niet eens een serieuze poging te begrijpen wat er staat, hij wil zich laten meeslepen. Toegankelijke poëzie met een gesloten structuur wordt geschreven door iemand als Jean Pierre Rawie en, meer recent, Menno Wigman. Ieder woord staat op de juiste plaats, en na twee zinnen weet je dat het gedicht waarschijnlijk te doorgronden is. Ten slotte is er poëzie die in min of meer gewone spreektaal begrijpelijke mededelingen doet, waarbij men het gevoel heeft dat sommige zinnen eventueel best anders geformuleerd hadden kunnen worden.

Hiertoe behoort het aangename geleuter van Campert, maar ook de ironisch weemoedige poëzie waarmee Kopland begon. Bij zulke gedichten schakelt de lezer zijn behoefte aan muzikaliteit uit, zoals hij dat ook in dagelijkse gesprekken doet.

Iedere lezer heeft zijn eigen voorkeursgenre, maar van een beroepslezer mag verwacht worden dat hij zich voor alle genres openstelt. Dat is ook niet het probleem. De moeilijkheid ontstaat pas bij de grensgevallen, of liever gezegd, bij de dichters die niet direct in dit schema passen. Hoe moet je je bijvoorbeeld instellen op de gedichten van Gerard Reve? Of op de zieke beweringen van Jan Arends? Een veel gebruikte truc is, te stellen dat het hier geen echte poëzie betreft. En helaas heeft dit lot ook Nachoem Wijnberg getroffen: 'Het wil maar geen poëzie worden', zegt Middag.

Wijnberg wordt verweten dat zijn gedichten muzikaliteit ontberen. Het klopt dat opvallende ritmische patronen en ronkende binnenrijmen ontbreken, maar dat is ook het geval bij Cees Buddingh' en K. Schippers. De structuur van Wijnbergs gedichten zou onduidelijk zijn. Zelfs als dat waar is, waarom is dat dan geen bezwaar bij Lucebert? De verhaaltjes die Wijnberg vertelt, zouden onduidelijk zijn. Inderdaad, maar geldt dat niet ook voor die van Hendrik de Vries? En Wijnbergs stijl is houterig en afstandelijk - maar wat dacht u van Simon Vestdijk en Lloyd Haft? Kennelijk leest men Wijnberg met de verkeerde verwachtingen, alsof men bij Jules Deelder naar filosofische gelaagdheid zoekt en bij Eva Gerlach naar akoestische bombardementen. Alsof men brood gaat kopen bij een slager. Daar moet een verklaring voor zijn.

Laten we een willekeurig gedicht lezen, 'Hij kamt zijn haren zelf':

Waar is de moeder, de vader,

doen zij ergens alsof zij slapen?

Hij vertrok met zijn broers een jaar geleden

maar zij verstopten zich voor elkaar.

Ten slotte komt hij bij twee

tegen wie doof gedaan werd.

Zij staan in het midden van hun groot huis

en strelen elkaar met een vinger over de mond.

Hij vraagt hem te leren lezen en schrij ven.

In ruil daarvoor wil hij het huis schoonmaken,

het vuil verbranden, de voordeur ope nen

als iemand naar binnen wil kijken.

Wie zo'n gedicht wil interpreteren, moet alles vergeten wat hij over poëzie geleerd heeft. In de allereerste plaats moet hij zich ontworstelen aan de terreur van Awater, die voorschrijft dat er niet staat wat er staat. Is beeldspraak de meest kenmerkende eigenschap van bijna alle soorten poëzie, Wijnbergs gedichten bevatten zo goed als geen metaforen. Een vinger is bij hem een vinger, een hond een hond, een huis is gewoon een huis. Ook is het vrijwel nooit mogelijk Wijnbergs gedichten als allegorieën op te vatten, en vertrouwde symboliek komt niet voor. Zelfs verwijzingen naar de Weense wonderdokter ontbreken. De lezer raakt in verwarring doordat hem alle gereedschappen waarmee hij zijn onbehagen zou kunnen bestrijden, uit handen geslagen worden. Er staat wat er staat.

Daarbij komt dat wat er staat bijna altijd heel goed mogelijk is in de werkelijkheid die u en ik als de normale beschouwen. Wijnbergs gedichten zijn niet innerlijk tegenstrijdig, ze kennen het logische en lineaire verloop van een verhaalplot, er gebeuren geen dingen die niet kunnen. Een bewering als die van Marc Reugebrink, als zou Wijnberg de geldigheid van de taal ter discussie stellen, is apert onjuist. Hier wordt niets ter discussie gesteld, hier worden feiten geregistreerd.

Evenmin kun je over een gedicht als het bovenstaande volhouden dat het de vaagheid van een nachtmerrie of het rituele karakter van een mystieke tekst heeft. Integendeel, wat er staat is glashelder, en noch op woordniveau noch op het niveau van de zinsbouw is sprake van meerduidigheid. Wijnberg formuleert met de feilloze afstandelijkheid van een ambtenaar.

Het onbehagen dat de lezer bij zo'n gedicht bevangt, wordt dan ook niet veroorzaakt door zijn onvermogen te begrijpen wat er staat, want dat is wel duidelijk, maar door de aard van de beschreven gebeurtenissen en door de afwerende toon. Om met dat laatste te beginnen: Wijnberg kiest het perspectief van een verteller die bij de gebeurtenissen betrokken is, maar doet alsof hij er niets mee te maken heeft. De stijl suggereert vaak dat de spreker zijn best doet zo normaal mogelijk te praten, terwijl je vermoedt dat hij zijn paniek bezweert door over irrelevante details te beginnen. Veel van zijn zinnen zijn afleidingsmanoeuvres. Vaak zijn het juist die op het eerste gezicht belachelijke details die de lezer als een stomp in zijn maag raken. Om een voorbeeld te geven, in de volgende regels gaat het over een student:

Mijn vermoeidheid hongert naar de onderbroken studie

en ik kan de dagen niet doorbrengen in ruimtes met meubels

en vol van dicht op elkaar staande gelovigen met hun dochters

of andermans dochters, en hun on doorzichtig behaarde ledematen.

Begint men al naar adem te happen bij die vervreemdende 'ruimtes met meubels', de 'ondoorzichtig behaarde ledematen' werken op wie zich er weerloos voor openstelt, als een moker. Evenzo treft de tweede strofe van het volgende, wederom metafoorloze gedicht ('Zachte huid') de lezer als een trap in zijn kruis:

Kinderen maken rustig.

Zij hebben een zachte huid.

Zij slapen op je graf.

Zij hebben grote ogen.

Zij kijken rustiger.

Zij slapen naast elkaar.

Je geeft elk kind een dood dier

om te leren in te slapen met een dier in zijn hand,

gezicht tegen gezicht gedrukt.

Als het dier al zijn haren verloren heeft

neem je het kind het dier af en leg je 's nachts

een levend dier naast zijn opgerold lichaam.

Dat brengt ons op Wijnbergs thematiek. Hoewel hij de meest uiteenlopende situaties en gebeurtenissen schetst, gaat het in de meeste gevallen om eenzame personages die op een vrij omslachtige manier naar contact zoeken. Er komt veel seks voor in Wijnbergs bundels, maar van intimiteit is nooit sprake: 'Aan het einde van een warme middag gaat hij zijn huis binnen/ neemt hij een douche, trekt schone kleren aan,/ stapt weer in zijn auto,// rijdt naar een vrouw die aan een zich uitrollende weg staat.// Kinderen zagen deze man met een vrouw terwijl hij/ onbeheerst // op de achterbank van zijn auto'. Huiveringwekkend is de volgende beschrijving:

Zij heeft mooie houdingen. Zij liet zich

rechtopstaand door een man in een trein neuken

en door een naakte man, terugleunend op een trap

in een stil huis.

Wijnberg verplaatst zich met hetzelfde gemak in hoeren als in marskramers, hij vertelt over Caesar en Cicero, over koningen en rabbijnen, over honden en olifanten, over China en Babylon. De teksten zijn vaak opgebouwd als een mop zonder pointe, een parabel zonder moraal. Als er al van een afloop sprake is, is die meestal verschrikkelijk.

Vermoedelijk is dat een van de redenen waarom lezers zich bij Wijnbergs gedichten niet op hun gemak voelen. Hij beschrijft een werkelijkheid die we niet kunnen wegredeneren door haar metaforisch te duiden. Wat Wijnberg schrijft doet écht pijn. Daarom is hij een groot dichter.

Piet Gerbrandy

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden