In het spoor van de jonge RembrandtOnno Blom

De familie van molenaarszoon Rembrandt leefde van de wind

De molen (1645). National Gallery of Art, Washington.Beeld Getty

Wie Rembrandt tracht te doorgronden moet beseffen dat hij een molenaarszoon was. De wind bepaalde al generaties lang het leven van zijn familie.

Mijn moeder groeide op aan de Rijn, waar de rivier het oude centrum van Leiden uitstroomt. Het bovenhuis van mijn grootouders keek aan de overkant van het water uit op een houtzaagmolen, de Heesterboom. Als de molen werd opgezeild en begon te draaien, stapte ik als jongetje met mijn opa in zijn vuurrode bootje en staken we de Rijn over. Samen gingen we de molen in, klommen over de smalle trappen naar de top, waar je over de hele stad kon uitkijken.

Binnenin hoorde ik het knarsen en kraken van het gigantische raderwerk. De as wentelde om en om, liet houten raderen draaien, die in machtige cadans metershoge gekartelde bladen op en neer lieten bewegen. In een fontein van houtstof ­werden boomstammen in stukken gezaagd alsof het luciferhoutjes waren.

Rembrandt was een molenaarszoon. Het is het woord dat in de beginzin van bijna alle biografieën wordt genoemd. Dat is ook belangrijk: Rembrandts ­vader, Harmen Gerritszoon, was een telg uit een molenaars­familie die al vier generaties in Leiden werkte en woonde. De moutmolen bepaalde hun hele bestaan. De familie leefde van de wind.

Er is over de molen van Rembrandts vader in de loop der tijd veel onzin beweerd. De mare ging zelfs dat die in Koudekerk zou hebben gestaan. Op een oude ansichtkaart van die ‘Rembrandtmolen’ staat het kwatrijn:

Toen Rembrandt nog op vaders molen te schilderen zat

Bleef daar de glorie van zijn ­gaven

Niet onder ’t stuivend meel ­begraven,

Maar klonk en blonk van stad op stad.

Onderzoek in het Regionaal ­Archief in Leiden leerde me dat de molen van Rembrandts voorouders aan vaders kant net ­buiten de stad aan de Rijn stond. Op de vogelvluchtkaart van ­Jacob van Deventer uit 1650 kun je ’m nog zien. Hij stond, verdomd als het niet waar is, op een steenworp afstand van de plek waar mijn moeder ­opgroeide en mijn grootouders hun hele leven sleten.

Die molen werd op 29 november 1573 in de fik gestoken door de Spanjaarden die Leiden belegerden. Rembrandts grootmoeder, Lijsbeth, verwierf na het Leidens Ontzet op 3 oktober 1574 eerst een aandeel in De Pelicaen, op het uiterste noordwestelijke puntje van de stadswal. Kort daarna kreeg ze toestemming om 50 meter verder, vlak naast de Witte Poort, een standerdmolen neer te zetten op het bolwerk. Met die molen, die ‘de Rijn’ werd genoemd, groeide Rembrandt op.

Sommigen denken dat op het schitterende, dreigende schilderij uit 1645 – toen Rembrandt al lang en breed in Amsterdam woonde – de molen van zijn ­vader wordt verbeeld. Ik denk van niet.

De alwetende oud-stads­archivaris van Leiden, Piet de Baar, zelf een molenaarszoon, wees mij er fijntjes op dat de wieken op het schilderij verkeerdom draaiden: met de klok mee, in plaats van er tegenin. Dat gebeurde in Holland nooit. ‘Hoe kon een molenaarszoon dát nou doen?’, mopperde De Baar.

Rembrandt bekommerde zich niet om de feitelijke draairichting of de exacte topografie van zijn jeugd. Wél om suggestie en illusie. Hij stelde de droom boven de daad – en wekte daarmee misschien wel beter de indruk van de werkelijkheid dan wanneer hij zich aan de realiteit had gehouden.

Rembrandt woonde de eerste 25 jaar van zijn leven in Leiden. Onno Blom werkt aan een biografie van die jaren en bericht daarover een jaar lang wekelijks in de Volkskrant.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden