De energie van de late Oudheid

IN 1971 publiceerde de jonge Engelse geleerde Peter Brown - hij had twee jaar eerder een schitterende biografie van Augustinus in het licht gegeven - de studie The World of Late Antiquity....

Nu is mede onder zijn redactie een omvangrijk naslagwerk verschenen, dat de titel Late Antiquity heeft en de ondertitel A Guide to the Postclassical World kreeg. De kleine studie van bijna dertig jaar terug is, met vele studies als jaarringen, uitgegroeid tot wat een standaardwerk kan worden. De bestreken periode is ongeveer gelijk: van 250 tot 750; de wereld van de islam is erin betrokken. In de studie was dat min of meer revolutionair; nu lijkt het vanzelfsprekend. Twee grote 'verdwijningen' stonden erin centraal: die van het Romeinse en die van het Perzische rijk, twee nieuwe gestalten uiteraard ook: het christendom en de islam.

Misschien was de studie iets te zeer er een van tegenstellingen. Het weefsel van de interactie tussen vroeg-christelijke en laat-klassieke wereld zou geleidelijk meer zichtbaar worden. Op die interactie is een deel van de studies, die in Late Antiquity aan het eigenlijke naslagwerk voorafgaan, gebaseerd. De term 'vroeg-christelijk' lijkt verdwenen; dat is enerzijds wel jammer, maar het wezenlijk laat-antieke in de uiterlijke manifestaties van dat christendom valt niet te ontkennen. Er is in veel opzichten geen breuk, maar continuïteit, de ondergang is ook een herrijzenis. De Decline and Fall, de afgang en ondergang van het Romeinse Rijk door Gibbon in de achttiende eeuw beschreven, wordt, altijd met bewondering natuurlijk, tegengesproken, op nogal wat plaatsen in Late Antiquity.

De elf studies waarmee het werk opent, zijn vrij verschillend van karakter. Maar er zijn enkele grote lijnen aan te wijzen. Meteen al in de eerste studie, geschreven door Averil Cameron en getiteld 'The Remaking of the Past' (een regelrecht meesterwerkje), blijkt de vitaliteit van de oude cultuur en dat in de breedste zin, sterker nog zelfs: er is een duidelijke hang naar bestendiging in de herschepping van en bezinning op het verleden, zoals de christenen dat ook doen: de grootheid van de oorsprong als rechtvaardiging van het heden. Men denke voor het christendom alleen maar aan de 'herontdekking' van het Heilig Land. De auteur noemt de energie van de late Oudheid 'adembenemend': 'Elk stukje van het verleden kreeg aandacht, en veel thema's en teksten waren het voorwerp van vele boeken van uitleg en commentaar. Teksten waren niet genoeg: het verhaal werd verteld en dus de waarheid ervan vastgelegd, in schilderingen en andere vormen van beeldende kunst.'

Een tweede zichtbare lijn, van de vitaliteit het gevolg, is het naast elkaar bestaan van de klassieke naast de vroeg-christelijke wereld. Men kan ook zeggen: het niet verdwijnen van de eerste. Het onder meer in de studie 'Sacred Landscapes' van Béatrice Caseau opgeroepen beeld van de periode herinnert soms aan de Renaissance, met name de Italiaanse, waarin de klassieke en christelijke wereld, zeker de beelden ervan, ongescheiden in de cultuurwereld aanwezig waren. In de huizen van sommige rijke christenen in de late Oudheid stonden veel antieke beelden. Dit en veel andere gegevens maken duidelijk dat iets nooit helemaal voorbij is.

Een prachtig voorbeeld wordt gegeven tegen het einde van de studie 'Empire Building', een sleutelstudie in het boek, van Christopher Kelly: 'Het belang van de culturele fusie tussen heidendom en christendom werd helder en duidelijk in de door Constantijn [de Grote] zorgvuldig bedachte ceremonies voor de inwijding van Constantinopel in mei 330. Het standbeeld van de keizer (. . .) keek uit over een hoofdstad waarvan de kerken en kathedralen de aanspraak van een echt christelijke stad mogelijk maakten. Maar de beroemde beeldhouwwerken, standbeelden. monumenten, uit steden en religieuze centra van het hele rijk gehaald, vulden de openbare ruimten zo bijna overladen, dat de stad ook de laatste klassieke stad had kunnen lijken.

'Op het belangrijkste forum, zelf beheerst door de zuil uit Troje, stonden beelden van Athene, Juno, het Parisoordeel, Daniël in de leeuwenkuil en de Goede Herder. Maar vooral: de verzameling relieken die, naar men geloofde, in de fundamenten van de zuil verborgen waren - het Palladium (beeld van Pappals Athene, K.F.) uit Rome, de heilige nagels (van het kruis), de dissel van Noach, de steen van Mozes - symboliseerden de zelfbewuste inlijving van het klassieke en Hebreeuwse verleden in een christelijk heden. Dit was een weloverwogen en elegant bedachte dubbelzinnigheid, die het best getypeerd kan worden in Constantijns eigen woorden voor de keizerlijke hoofdstad op de zeven heuvels aan de Bosporus, het 'Nieuwe Rome'.'

Een derde en misschien wel de zwaarste lijn is die van de 'omvorming' of de 'overname'. De oorspronkelijkheid van het christendom is de inhoud van haar prediking. Voor de gestaltegeving daarvan - in de taal, in de architectuur, in de beeldende kunst - nam het de oude vormen over, talloze oude gebruiken ook, waarmee, kan men zeggen, het voortbestaan van die klassieke wereld was verzekerd, zeker nog tot in het rooms-katholieke christendom van deze eeuw.

De grootste 'omvormer' en de hoofdfiguur van de laat-antieke periode is Constantijn de Grote geweest. Hij vormde het Romeinse rijk om tot het christelijke rijk, zichzelf heiligend en grotere macht gevend, gebruikmakend van de theologische gemeenschapsgedachte van de kerk. De consequenties zijn enorm geweest, ook in de 'imperialisering' van God en Christus, in de gestalte van de liturgie, van het inwendige van de basilieken (er waren talrijke paleisachtige trekken), in de sanctionering van de wereldlijke macht, in de secularisering van de kerkelijke macht en ten slotte, of ten eerste, in de verklaring van de godheid van Jezus - grondslag voor het nieuwe rijk - op het concilie van Nicea, voorgezeten door Constantijn de Grote zelf. De triomf van het christendom is ook de overwinning van de klassieke wereld.

Ik noemde de 'theologische gemeenschapsgedachte'. Ook die kan een lijn door de studies worden genoemd. Ze wordt schitterend uitgewerkt in de studie 'Religious Communities', geschreven door Garth Fowden. Het een-gemeenschap-zijn is essentieel voor het christendom. In Antiochië worden zij voor het eerst 'christenen' genoemd: het geloof is een over alle verschillen heengaande gemeenschappelijke identiteit. Dat zal de kracht van het christendom in de toekomst blijken (het kan de gevreesde kracht van de ketterijen verklaren). Zo'n gemeenschapsgedachte ontbreekt in de klassieke wereld, zeker in de laat-antieke periode. (Ook daarom, als laatste redmiddel, is de omvorming van het Romeinse rijk door Constantijn zonder meer geniaal).

Veel van de nieuwe wereld kan zichtbaar worden in de apsis van de kerk van de Heilige Vitalis in Ravenna, waarvan de mozaïeken tussen 546 en 548 zijn gemaakt. Een model van de kerk wordt door de bisschop, stichter van de kerk, aangeboden aan de op de troon gezeten apocalyptische Christus, die met zijn rechterhand de plaatselijke martelaar Vitalis zegent.

Kerkgebouw is natuurlijk ook kerk. Maar de zegenende hand lijkt te reiken tot een ander mozaiëk. Daarop staat keizer Justinianus afgebeeld met het zegevierende leger dat juist Italië heeft heroverd. Hij staat er ook met hen die hem hielpen bij de bouw van dit monument, de kerk. Alle machten doorrtrekken en bevestigen elkaar onder de troon van Christus.

Aan de overzijde brengen de keizer en zijn vrouw, Theodora, offers aan, onder meer een gouden bokaal, bestemd voor de schatkamer van de kerk (de schatkamer die de kerk is!) en dus voor God. Aan de onderzijde van Theodora's mantel staan de drie wijzen uit het oosten afgebeeld; zij brachten geschenken aan het kind Jezus en prefigureren zo alle giften aan het christelijk gezag gegeven. Dit kerkgebouw bestaat niet zonder de twee, maar de kerk evenmin: de mozaïeken bevestigen én relativeren, religieus, hun gezag.

Een laatste lijn is die van de opkomst van en machtsovername door de islam. Misschien is dat het best de sluitdatum van het de laat-klassieke tijd te noemen. Hele delen van het Romeinse Rijk - in het Midden-Oosten, de hele noordkust van Afrika - gaan verloren. Daarmee ook hele delen van het nieuwe rijk, dat overigens al aanvallen genoeg te verduren had gehad - van binnenuit door elkaar bestrijdende ketterijen, van buitenaf door aanvallen van de barbaren. Toen Augustinus op sterven lag, belegerden de Vandalen zijn bisschopsstad. De val van Rome had hem al gedesillusioneerd.

Zie ik het goed, dan is zijn De Stad Gods, met de verplaatsing van de uiteindelijke vrede naar het hiernamaals, ook een pessimistische visie op de mogelijkheid van de volkomen realisatie van het Godsrijk hier. Het ene rijk verdween in het andere. Zijn stad werd verwoest. Maar zijn eigen boeken en zijn bibliotheek werden gered. De erfenis van de laat-antieke, vroeg-christelijke tijd kon worden doorgegeven. De vorm leek weg, de inhoud lijkt alleen over. Pas later zullen ze elkaar weer herkennen.

De inhoud van de teksten bij de trefwoorden - vaak overvol - zijn alle in de geest van de nieuwe verworvenheden geschreven. Samen zijn ze de volledige uitwaaiering van wat in de studies in de kern al aanwezig is. Het boek is een haast opwindend naslagwerk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden