De eigenzinnigheid van Botticelli

In het theatrale oeuvre van Botticelli vloeien werkelijkheid, literatuur, mythologie en christelijke waarden soepel samen...

Het blijft een beetje raar, om Botticelli’s Geboorte van Venus te bekijken. Is het schilderij nou mooi? Kitsch? Meesterlijk eenvoudig of juist simplistisch? Het helpt natuurlijk niet dat veel volwassenen die deze Venus zien ergens in hun achterhoofd de openingsbeelden van Monty Pythons Flying Circus voelen opdoemen. Die swingende benen die alle kanten op vliegen onder een feestelijk kermisdeuntje, dat gaat al even moeilijk van het netvlies als de naakte Venus op het schilderij zelf, licht gebogen als een zeil dat strak staat in de wind.

Als dit de top van de Italiaanse Renaissance is, waar zijn dan de overtuigende, werkelijkheidsgetrouwe kleuren? Het atmosferisch licht? De correcte lichaamsproporties? De details en de diepte?

Een kijker onthoudt en herkent de werken van Sandro Botticelli (circa 1445 - 1510) vrij makkelijk, wat ze natuurlijk tot lievelingen van de massa maakt. Botticelli schilderde in heldere kleuren, met strakke schaduwen. Zijn vrouwen kijken vaak wat melancholisch in het niks, of in het geval van Maria, richting Kind. Maar wat zijn godinnen en heiligen vooral onderscheidt van die van zijn tijdgenoten: ze gaan niet op in hun omgeving. Er zijn geen zachte lijnen of vormen, waardoor een vrouw, zoals dat in Leonardo da Vinci’s werk te zien is, min of meer ‘mengt’ met het licht en de vormen om haar heen. Botticelli’s vrouwen en mannen zijn strak afgebakend en dus geïsoleerd. Om hun lichamen zijn de contouren soms zelfs voorzien van een dunne donkere lijn – alsof het een tekening is die zorgvuldig is ingekleurd.

In de eeuwen na zijn dood is Botticelli verguisd en vergeten – wat nu moeilijk voorstelbaar is. De 16de-eeuwse kunstenaarsbiograaf Giorgio Vasari was niet erg genereus in zijn lof op de afzonderlijke werken, en vond Botticelli’s stijl in het algemeen te melancholisch. De vanzelfsprekendheid van zijn iconische status, die de schilder in zijn tijd genoot en ook nu weer, was lange tijd afwezig. De smaak van een tijd bepaalt hoe de geschiedenis gewaardeerd wordt. En hoewel de schilder tegenwoordig favoriet is bij veel toeristen, is het soms lastig om echt waardering op te brengen voor zijn werk.

Maar de beeldtaal van Botticelli is veel genuanceerder dan zijn stijl doet vermoeden. Zo blijkt uit tekst en beeld in de prachtig geschreven publicatie Botticelli, die de gelijknamige tentoonstelling in het Städel Museum in Frankfurt begeleidt. Ze helpen de kijker soepel op weg om te begrijpen hoe Botticelli zich in het 15de-eeuwse Florence loszong van de nieuwe Renaissanceconventies, door ze zo door elkaar te husselen en ze zich zo toe te eigenen dat er een heel nieuwe stijl ontstond. Dat gebeurde gelijktijdig met Leonardo da Vinci, die toen in Milaan werkte – en wat stijl betreft zo ongeveer niet verder van hem af kan staan.

Wie die contrasterende context ziet, wordt zich nog bewuster van de eigenzinnigheid van Botticelli. Het boek biedt het meest volledige beeld, omdat de fragiele altaarstukken en de sleutelwerken uit grote musea, zoals Venus en de Primavera, voor de tentoonstelling niet konden worden geleend, en omdat fresco’s zoals die in de Sixtijnse kapel nu eenmaal niet van de muur kunnen om te reizen. Het is niettemin indrukwekkend wat het Städel bij elkaar heeft weten te vergaren uit beroemde collecties, zoals het Pitti en de Uffizi in Florence, het Louvre in Parijs en de National Gallery in Londen.

Als uitgangspunt durfde het museum een werk uit eigen collectie te nemen: het Geïdealiseerd vrouwelijk portret, ofwel Portret van Simonetta Vespucci als nimf. Het is vrij gewaagd, om niet te zeggen aanmatigend, om een portret uit eigen collectie te kiezen als centraal punt. Botticelli’s oeuvre staat immers bol van de mythologische en bijbelse referenties, die in die tijd veel hoger werden geacht dan portretkunst. Maar wie zich verdiept, ziet dat dit portret juist precies vertelt hoe je zijn werk moet zien: als een uiterst theatraal oeuvre waarin werkelijkheid, literatuur, mythologie en christelijke waarden soepel samenvloeien. Botticelli is hoge en lage cultuur ineen: de Geboorte van Venus was immers mogelijk oorspronkelijk een banier in de optocht van een jaarlijks toernooifestival ter ere van de Medicifamilie in Florence. En Simonetta Vespucci, de vrouw die vermoedelijk op het portret is afgebeeld, was in 1475 door de jonge Giuliano de’ Medici gekozen tot hoffelijke regina della bellezza (koningin van de schoonheid) voor datzelfde festival. Een door Lorenzo de’ Medici gekochte medaillon om haar nek maakt het verband van het portret met de familie verder duidelijk.

Of de getrouwde Vespucci ooit echt Giuliano’s maîtresse is geweest, is onbekend. Als regina had Simonetta de taak zwijgend mooi te zijn. In navolging van schoonheidsidealen uit de oudheid, diende zij zowel de opperste verleiding als de opperste kuisheid te verpersoonlijken. Ze stierf jong in 1476, wat haar in Florence tot een mythisch cultfiguur verhief, vergelijkbaar met Dantes Beatrice.

Het portret van Simonetta is dus persoonlijk – haar gezicht heeft karakteristieke trekken, zoals haar neus – en ideaal. Haar kleding lijkt die van een klassieke nimf, haar haar is een groot plezier om naar te kijken. Het zit vol vlechten, edelstenen en dikke glanzende krullen. De auteur Leon Battista Alberti beschreef wel zeven manieren waarop vrouwelijk haar volgens de klassieken moest vallen en bewegen om aan de ideale schoonheid te voldoen – Botticelli’s vrouwen konden als geen ander aan die criteria voldoen. Simonetta is zoals vrijwel alle vrouwen van Botticelli van de zijkant weergegeven. Een klassieke pose die past bij het decorum van de tijd; een vrouw kijkt je niet direct aan. De mannen in zijn portretten kijken je vaak juist recht aan, dwingend en soms hondsbrutaal.

Er is weinig natuurlijk aan de bewegingen en houdingen van Botticelli’s mensen. Dat is wat de uitgesproken mannen gemeen hebben met de zijige Venus, de statige Simonetta met de heldhaftige Minerva, de innige Maria’s met hun vettige Christuskind, en zelfs de brutale portretten van Botticelli’s weldoeners, de oppermachtige mecenassen Lorenzo en Giuliano de’ Medici, vooraan op een groot altaarstuk. Ze spelen allemaal een rol in de verbeelding van idealen: die van de oudheid en christelijkheid, in een soep geroerd tot één grote, contemporaine propagandamachine van de Medici-familie, die destijds nog zogenaamd democratisch heerste, maar in de decennia daarna van de republiek een heus koninkrijk wist te bouwen.

Botticelli hielp ze ermee met zijn beeldtaal. De figuren in zijn schilderijen dienden dan ook juist een rol te spelen: de kijker moest níet denken dat het natuurlijk was. Dat theatrale heeft Botticelli onderstreept met die archaïsche, voor sommigen cartooneske stijl. Het isoleert de figuren en geeft ze status, zoals God en Jezus in Middeleeuwse altaarstukken status kregen, omringd door bladgoud. De kijker moest en zou ontzag krijgen, afstand houden. En tegelijkertijd een rolmodel zien: van de Venus op de Primavera wordt gezegd dat ze in de slaapkamer van Lorenzo di Pierfrancesco de’ Medici’s (Lorenzo’s neef) vrouw Seramide boven het bed hing, om de vrouw te stimuleren zich te identificeren met haar puurheid en schoonheid. In de loop van de tijd werden ook Botticelli’s Madonna’s zo verleidelijk als de godinnen. Weinig schilders konden de tegengestelde waarden van de Grieken en de bijbel zo overtuigend mengen: Maagd werd Venus. In een laat werk in de Uffizi, De laster van Apelles, komen in de voorstelling en de afbeeldingen in de achtergrond zelfs zo veel verschillende verhalen samen – naast de klassieke Lucianus worden ook de bijbelse Judith en Holofernes aangehaald en Baccaccio’s Decamerone, die toen slechts een eeuw oud was – dat de schilder het dramatisch spel tot een voorbeeld van een nieuwe, eigentijdse historieschilderkunst maakte. Een Medici-mythologie waarmee hij, Botticelli, zich op hetzelfde niveau als de klassieke schilder Apelles plaatste. Florence werd het nieuwe Athene, was de boodschap.

Een ding maakt zijn werken moderner dan toen kon worden voorzien. Hoe dramatisch de figuren ook zijn, wie door zijn wimpers kijkt, ziet dat alles is gegroepeerd in kleuren. Of, zo je wilt, vlakken. Dat gebrek aan een vloeiende sfeer, die opdeling in kleuren, maakt dat Botticelli van de oude schilders de meest aangewezene was om in de tijd van Gauguin en Cézanne hernieuwde aandacht te krijgen. Het sluit aan bij hen in de intelligente eenvoud.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden