De eicellen van Gustav Klimt

De Schirn Kunsthalle in Frankfurt wil de invloed laten zien die Darwin op de beeldende kunst na hem had. Dat zou heel concreet te zien zijn in de schubben van zeemonsters, maar ook in de verbeelding van de menselijke begeerte en van het ‘blinde toeval’ in de natuur....

Merlijn Schoonenboom

Er zijn natuurlijk verschillende redenen te bedenken waarom het schilderij Der Kuss van Gustav Klimt is uitgegroeid tot een van de populairste posters voor meisjeskamers. Vraag het de kopers zelf en het antwoord zal variëren van een eenvoudig ‘mooi’, tot een meer uitgebreide lofzang op de kleuren, vormen, sfeer. Eventueel klinkt het argument dat de lieflijk verstrengelde man en vrouw zo fijn aan de eerste schoolpleinkus doen denken.

Over Darwins evolutietheorie, of welke biologische ontdekking van de afgelopen 150 jaar dan ook, zal niets te horen zijn. Logisch. Bij dit icoon van het Weens symbolisme, zo geliefd om zijn efemere schoonheid, denk je niet aan de man die de mensen tot doorgeëvolueerde apen wist te herleiden.

Er is nu eenmaal de wereld van de schone kunsten, en er is de wereld van Charles Darwin, de natuurvorser die de rotsen van de Galapagos-eilanden beklom om daar vinken te bestuderen. En die werelden zijn gescheiden. Darwins theorie van het ontstaan der soorten drong de afgelopen 150 jaar dan wel diep in de westerse cultuur door, maar ontbrak geruststellend in overzichten van de kunstgeschiedenis na 1859, het jaar van de publicatie van On the Origin of Species.

En nu is daar ineens Marsha Morton, een keurige kunsthistorica uit New York, die ter gelegenheid van de expositie Darwin. Kunst und die Suche nach den Ursprüngen in de Schirn Kunsthalle in Frankfurt Klimt en Darwin met elkaar in verband brengt. Morton richt in de tentoonstellingscatalogus haar blik op de bekende Klimtiaanse decoraties, de gouden cirkels met puntjes erin. Ze ziet hierin biologische en microscopische vormen, die niet werkeloos aan de zijlijn van het schilderij staan, maar een cruciale rol spelen in de erotisch-filosofische boodschap van Klimt.

Volgens Morton zijn de decoraties in Der Kuss (1908) rechtstreeks te herleiden tot het destijds beroemde illustratieboek van Ernst Haeckel, Kunstformen der Natur (1899-1904). Haeckel was een belangrijk popularisator van Darwin, en had met zijn vermenging van religieuze en wetenschappelijke opvattingen grote invloed op Klimt en andere kunstenaars in Wenen. De decoraties zijn volgens Morton ‘bevruchte eicellen’ – Haeckel zou het ‘seksuele cellenliefde’ noemen, die daarmee de bron van het leven en de menselijke ziel symboliseren.

Vanuit deze optiek zijn Klimts kussende geliefden dus niet zomaar een verliefd paartje, maar ze zijn personages in een zogeheten ‘monistisch universum’ geworden. De kunstenaar vermengt natuurfilosofie en wetenschap; good old Eros wordt bij Klimt ondersteund door nieuwe evolutionairtheoretische inzichten, de oude mythologische liefdesgod wordt vanaf nu ‘de onstuitbare voortplantingsdrift in de kosmos’, gesymboliseerd door een decoratief rondje met een stipje erin.

Het is even wennen, en wellicht zullen nuchtere Nederlandse kunsthistorici sceptisch het hoofd schudden. Maar aan de andere kant: eigenlijk is het ook wel weer logisch.

Er is namelijk geen twijfel over mogelijk dat Klimt op de hoogte was van Darwins theorie: niet alleen via vertalingen van diens werk, maar vooral via kranten, gesprekken, talloze karikaturen en populaire boeken van volgelingen die Darwins inzichten omvormden tot een bruikbare wereldbeschouwing. Het is daarbij niet moeilijk voor te stellen dat Darwins theorie over het ontstaan der soorten genoeg openingen bood om te worden gebruikt in Klimts’ eigen filosofische opvattingen.

Dat het desalniettemin ongebruikelijk is om op deze manier naar klassiek-moderne meesters te kijken, heeft dan ook meer te maken met de kloof tussen kunsthistorisch onderzoek en de natuurwetenschappelijke wereld. Een kloof die pas de afgelopen jaren behoedzaam overbrugd begint te worden. Zodat de claim van de Schirn Kunsthalle in Frankfurt dat zij de eerste expositie over Darwins invloed op de kunst brengen, zeker waar zou kunnen zijn.

Met dank aan het Darwin-jaar 2009 en, om er maar een naam aan te geven, de tijdgeest; sinds het biologisch denken over de mens de laatste tien jaar minder op morele bezwaren stuit, komen ook kunstwereld en natuurwetenschap dichter bij elkaar. Het meest uitdagend en omstreden in deze toenadering zijn de stroom publicaties waarin evolutiepsychologen en filosofen proberen een evolutionaire verklaring te vinden voor het ontstaan van kunst, en voor de wonderlijke variatie in de kunstgeschiedenis.

De opgave die men zich in Frankfurt heeft gesteld, is met al deze nieuwe activiteit vergeleken nog conventioneel te noemen. In feite volgt men keurig de lijn van een cultuurhistorisch essay naar ‘invloeden’ op de kunst van een bepaalde periode. Alleen is nu het voorwerp van onderzoek niet zoiets ‘hoogstaands’ als religie of een ander cultureel thema, maar zoiets basaals als ‘biologisch denken’.

De Amerikaanse curator Pamela Kort vraagt zich af in hoeverre de theorie van Darwin – al dan niet verbasterd door volgelingen – zijn sporen heeft nagelaten bij beeldend kunstenaars. Zij onderzoekt dit voor de honderd jaar ná het verschijnen van On the Origin of Species, dus van 1859 tot 1959. Er worden ruim vijftien min of meer bekende kunstenaars uitgelicht (Klimt ontbreekt, maar bijvoorbeeld Odilon Redon is er wel), en daarbij is er een hoeveelheid anoniem ‘beeldmateriaal’ te zien, zoals Darwin-karikaturen, getekende grappen over aapmensen, en over missing links en andere darwiniaanse vondsten rond 1900.

De uitkomst van dit pionierende onderzoek is daarmee bewonderenswaardig, inspirerend, maar ook verwarrend en enigszins teleurstellend tegelijk. Het beslaat een eeuw, maar de aanpak is eerder ‘impressionistisch’ dan een afgerond geheel. Er is immers niet één overheersende vorm van invloed aan te tonen, en men gaat daarbij niet dieper in op overeenkomsten tussen de kunstenaars die de nieuwe wetenschappelijke inzichten in hun werk opnamen.

De Kunsthalle stuurt haar publiek in feite door een catalogus heen, waar een aantal verschillende vormen van ‘invloed’ door de decennia heen worden aangestipt. Die geven zich overigens niet makkelijk prijs. Want wil je überhaupt begrijpen wat een Franse symbolist als Odilon Redon of een niet-Darwinist als de Amerikaanse landschapsschilder Frederic Church hier doen, dan zal het lezen van de uitgebreide zaalteksten, dan wel het beluisteren van de audiotour, absoluut noodzakelijk zijn.

Want hoe is ‘invloed’ te zien? Of nog ingewikkelder: hoe is de invloed van Darwin terug te vinden, de wetenschapper die zo ongeveer de meest verkeerd begrepen en verbasterde aller tijden is?

Op de tentoonstelling zijn grofweg twee vormen van invloed te onderscheiden. Het meest eenvoudig is de min of meer directe lijn: een kunstenaar stelt zich tot doel om op realistische wijze een illustratie te maken van een bepaalde opvatting, die in de verte tot de evolutieleer van Darwin teruggevoerd kan worden.

Er is bijvoorbeeld een ruime vertegenwoordiging van het werk van de apenschilder Gabriël von Max. Zijn aanwezigheid lijkt hier eenduidig: Darwin had aangetoond dat mens en aap verwanten van elkaar zijn, omdat ze van eenzelfde voorouder afstammen. Dat leverde een onafzienbare reeks karikaturen op over apen die menselijke handelingen verrichten. Het werk van Von Max past hier naadloos tussen, en het lijdt geen twijfel dat hij reageerde op de nieuwste wetenschappelijke opvattingen.

Maar ook bij dit soort schilders is er geen sprake van een één-op-één-relatie met het werk van Darwin. Ze geven allemaal hun eigen draai aan de nieuwe wetenschap. Ook Von Max ging vrijelijk om met het inzicht van Darwin. Hij vond bijvoorbeeld dat apen ‘betere mensen’ waren. Zijn komisch-bedoelde taferelen waren dus niets minder dan maatschappijkritisch, en van een zakelijke weergave van de evolutietheorie is geen sprake.

Intrigerender, maar ook complexer wordt het om ‘Darwin’ terug te vinden bij symbolistische, poëtische kunstenaars als Redon en Kubin. Alfred Kubin is een tekenaar uit Wenen wiens zwartgallige, gewelddadige en seksueel beladen werk pas de laatste jaren een breder publiek begint te krijgen. Het is eenvoudig te bewijzen dat hij goed op de hoogte was van Darwins geschriften. Op de tentoonstelling wordt daarbij op een interessante manier gesuggereerd hoe zijn tekeningen gezien kunnen worden als ‘beïnvloed’ door het nieuwe evolutionaire denken.

Volgens curator Pamela Kort toont Kubin met zijn monsterlijke ‘voorwereldlijke’ wezens een artistieke weerslag van Darwins’ theorie van de natuurlijke selectie. Voor Kubin bestaat de natuurlijke selectie uit afschrikwekkend toeval, waarbij er net zo goed afgrijselijke mengvormen kunnen ontstaan, als dat er mensen uit zijn voort gekomen. De mens is daarbij allerminst de ‘kroon op de schepping’, maar slechts een doorgangsstadium. Blind toeval regeert, om nog maar te zwijgen van de blinde kracht van de seksualiteit. Anders dan bij Klimt, bij wie seks best fijn is, tekent Kubin de ‘nachtzijde’ van de menselijke instincten.

Nu is het zonder twijfel vol te houden dat de nieuwe theorieën na 1859 een rol zijn gaan spelen in de artistieke verbeelding. Maar tegelijk vraag je je af: hoeveel bewijs je daar eigenlijk mee?

Want je kunt een vorm van evolutionair denken bij Kubin terugvinden, maar daarbij bevinden zich nog zoveel andere ‘sporen’ in zijn werk. Kubin was op later óók geïnspireerd door het boeddhisme, hij las Haeckel, maar moest niets hebben van diens optimisme. Een psycholoog zou juist weer smullen van de vele persoonlijke trauma’s en angsten bij Kubin, en een politiek historicus ziet in zijn tekeningen wellicht de weerslag van de crisis van het Habsburgse Rijk terug.

Om nog maar te zwijgen van het gebruik van allerlei overgeërfde beeldtradities waarop de kunstenaars voortbouwden. En het moet natuurlijk gezegd worden dat ‘Darwin’ – ondanks de slimme tentoonstellingstitel – hier wel moet worden opgevat als een samenspel van diens volgelingen, mengvormen van evolutionair en religieus denken die aan het einde van de 19de eeuw opkwamen.

Hoeveel invloeden er ook te vinden zijn, uiteindelijk is de maatschappelijke en persoonlijke context doorslaggevend voor hoe een beeld eruit komt te zien. Bij Kubin en Max Ernst komen evolutionaire gedachten bijvoorbeeld samen met maatschappelijke ondergangsvisioenen. Maar de hybride monsters van Odilon Redon aan het einde van de 19de eeuw in Parijs en Klimts sensuele symboliek in Wenen, zijn dan weer niet zwartgallig te noemen.

Als deze expositie dan ook één ding bewijst, is het vooral hoe enorm complex een kunstwerk als bron van historische informatie eigenlijk is.

Pamela Kort doet bijvoorbeeld heel erg haar best om ook in het werk van de Zwitser Arnold Böcklin darwinistische invloeden terug te vinden. Böcklin schilderde op vaak ironische wijze bekende mythologische thema’s, zoals Venus die uit de zee opduikt of ‘Triton en Nereide’. Op dit laatste schilderij uit 1873 heeft hij een enorme zeeslang afgebeeld.

Nu is het in de kunstgeschiedenis niet vreemd om zeemonsters in mythologische voorstellingen te zien, maar volgens Kort is dit monster nét anders dan alle voorafgaande monsters. In de schubbenhuid van het dier is volgens haar te zien dat Böcklin op de hoogte was van het nieuwste wetenschappelijke onderzoek, en met dit mythologisch tafereel gaf hij dus eigenlijk de moderne evolutionaire visie weer dat de oorsprong van het leven in de zee ligt.

Je geeft haar graag gelijk, (en wie weet zoveel van de schubben van zeemonsters om het niet te doen?) maar je zou nog meer argumenten willen horen om echt overtuigd te worden dat hier iets volledig nieuws aan de hand is. Het opent echter wel de ogen voor een noodzakelijke relativering: het jaar van Darwins publicatie wordt 150 jaar later dan wel als een oerknal van het nieuwe biologische denken gevierd, maar, zoals de kunstgeschiedenis bewijst, zo snel werden geen nieuwe vormen gevonden voor dit nieuwe ‘wereldbeeld’.

De afzonderlijke argumenten op deze expositie Darwin. Kunst und die Suche nach den Ursprüngen zijn daarmee niet wereldschokkend, maar gezamenlijk zijn ze wel effectief. Ze tonen aan dat de invloed van de nieuwe biologische inzichten onder kunstenaars meer en sneller interesse opriep dan de kunsthistorische wereld tot nu toe heeft willen onderzoeken. De tentoonstelling weet voor elkaar te krijgen dat je niet meer hetzelfde kijkt naar deze reeks bekende beeldend kunstenaars tussen 1859 en 1959.

Tegelijk is er ook maar één ding écht zeker geworden. Bij alle kunstwerken gaat het steeds om complexe mengsels van invloeden. De expositie in Frankfurt toont hoe gelaagd een visueel kunstwerk is. Darwin mengt zich met religie, persoonlijke angsten met nieuwe wetenschap en de ontwrichtende invloed van een snel transformerende maatschappij voegt zich samen met het verdwijnen van een harmonische natuurvisie, waar alle schepping gebaseerd was op orde en goedheid.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden