De eerste honderdvijftig jaar

De vooroorlogse politieke elite had het te druk met zichzelf om ook nog met de kiezer rekening te houden

Hans Wansink

Is dat wel nodig, een nieuwe parlementaire geschiedenis? Niets is zo goed gedocumenteerd als de werkzaamheden van de volksvertegenwoordiging. Het begon in 1796 met het Dagverhaal, een dagelijks verslag van de debatten en besluiten van de Nationale Vergadering, te koop in de grote steden van de Bataafse Republiek. Daarna kregen we de Handelingen der Staten-Generaal en de Staatscourant.

Overzichtswerken zijn er bij de vleet. Voor de periode 1848-1918 kunt u uitstekend terecht bij de eerste vier delen van de Schets eener parlementaire geschiedenis van W.J. van Welderen Rengers en voor het interbellum bij de zes delen van Het jongste verleden van P.J. Oud. Een genot om te lezen. Samen een kleine 4.000 pagina's, dat wel. Het kon ook in 300 pagina's, bewees Oud met zijn Honderd jaren. 1840-1940. De naoorlogse periode is in handen van het Centrum voor Parlementaire geschiedenis van de Nijmeegse Radboud Universiteit (dat overigens weinig haast maakt: er zijn acht delen verschenen, van 1945 tot 1967).

Wat is dan de meerwaarde van De eerste honderdvijftig jaar van Joop van den Berg en de in 2011 overleden Jan Vis? Kunnen ze zich meten met hun illustere voorgangers? Komen ze met een nieuwe visie? Is hun verhaal relevant voor een nieuwe generatie lezers? Het antwoord luidt: jazeker. Van den Berg en Vis hebben met elkaar gemeen dat ze hun loopbaan zijn begonnen als journalist, om vervolgens carrière te maken in de wetenschap en het bestuur. Net als Rengers en Oud maakten zij ook zelf deel uit van het parlement: Vis was fractievoorzitter van D66 in de Eerste Kamer en Van den Berg was fractievoorzitter van de PvdA in diezelfde senaat.

De journalistieke achtergrond van de auteurs verloochent zich niet: de tekst is vrij van jargon en zwaarwichtigheid. Op het juiste moment knipogen ze naar de huidige tijd ('de toen nog vrijzinnig protestantse radio-omroep V.P.R.O.'). Ze identificeren zich niet met hun onderwerp, maar houden gepaste afstand tot de touwtrekkerij om de macht tussen de vorst, de ministers en de partijleiders.

De belangrijkste innovatie van De eerste honderdvijftig jaar zit in de eerste vijftig jaar. Voor het eerst wordt de periode vanaf de eerste bijeenkomst van de Nationale Vergadering van 1896, gekozen door alle volwassen mannen die zelfstandig in hun onderhoud konden voorzien, geïntegreerd in het verhaal, ook al was het met die Nationale Vergadering na de inlijving bij het Frankrijk van Napoleon in 1806 snel afgelopen. Na 1813 werden de leden van beide Kamers der Staten-Generaal door de koning benoemd, tot 1848. Toch is er meer continuïteit dan vorige generaties historici altijd hebben aangenomen. Zo hadden de parlementariërs en ministers onder de koningen Lodewijk Napoleon en Willem I en II wel degelijk invloed, ook op de inrichting van het staatsbestel.

Interessant én relevant voor de tegenwoordige tijd is de gewoonte van de Bataafse volksvertegenwoordigers om elke grondwet (dat waren er nogal wat tussen 1796 en 1805) in een referendum aan de kiezers voor te leggen. Na 1918 circuleerden er zelfs voorstellen om referenda in te voeren en tegelijkertijd de Eerste Kamer af te schaffen. In elk geval, meende de staatscommissie, zou er een referendum moeten komen over de monarchie als er geen troonopvolger zou zijn (dus als Juliana geen kinderen zou krijgen). Zo staat het referendum over de Europese grondwet in 2005, met een beetje goeie wil, in een traditie van meer dan twee eeuwen.

Van den Berg en Vis laten er overigens geen misverstand over bestaan dat de invloed van de kiezers op de samenstelling van de regering al die jaren marginaal is geweest - ook na invoering van het algemeen kiesrecht in 1918. Dat had te maken met de evenredige vertegenwoordiging, die talrijke kleine en middelgrote partijen opleverde, maar ook met koningin Wilhelmina, die van het fenomeen parlementaire democratie eigenlijk niet zo gediend was. Dat bleek vooral tijdens de oorlogsjaren in Londe

n. Terwijl Wilhelmina in de collectieve herinnering voortleeft als oorlogsheldin, was zij volgens de auteurs 'staatsrechtelijk de weg kwijt' en bij herhaling 'resistent tegen de feiten'. Zij zag het eveneens naar Londen uitgeweken kabinet als een 'blok aan haar been' en zichzelf als 'dé representante van het Nederlandse volk'.

Na de bevrijding worden de verkiezingen door het kabinet meer dan een jaar naar voren geschoven, gegeven de chaotische omstandigheden. Onzin, menen Van den Berg en Vis, met een verwijzing naar de verkiezingen aan het eind van de 18de eeuw onder nog veel primitievere omstandigheden.

Het hoofdstuk over de periode tussen 1850 en 1888 is een gezamenlijke productie van Vis en Van den Berg; het tijdvak daarvoor is van de hand van Van den Berg en de tekst vanaf 1888 van Vis. Inhoudelijk is dit niet van betekenis, maar het verschil in stijl is opmerkelijk. De teksten van Vis zijn beknopter, directer en zakelijker. Van den Berg schrijft met meer omhaal van woorden. Hij neemt de ruimte voor anekdotes en voor beschrijvingen van personen en steekt zijn geamuseerde verbazing over het gekonkel en gekuip niet onder stoelen of banken. In zijn verantwoording meldt Van den Berg dat hij de teksten van Vis heeft geredigeerd en ingekort. Als Vis hetzelfde had kunnen doen bij de teksten van Van den Berg, zou dat dit rijke boek geen kwaad hebben gedaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden