ReportageRestauratie Jardin d'émail

De droedeltuin van Kröller-Müller is gerestaureerd. ‘We kunnen er de komende honderd jaar weer op lopen’

Jardin d’émail, de publiekslieveling in de beeldentuin van het Kröller-Müller Museum, was toe aan een grondige renovatie. Volgens kenners had het werk na vier verfbeurten en veertig jaar slijtage inmiddels meer weg van een Matisse.

Jardin d’émail van Jean Dubuffet, van bovenaf gezien.Beeld Matthijs Immink

23 januari 2020: Groots opgeschaald gedroedel

‘Rara waar ben ik?’, vraag ik in een appgroep bij een foto van een wit, gebobbeld landschap. ‘Zwembad?’ ‘Indoorskibaan!’ ‘Performance?’, raden vrienden. Driemaal mis. Terwijl ze dit kunstwerk echt kennen. Maar in deze rare naakte staat, zo spierwit zonder zwarte strepen, blijkt Jardin d’émail praktisch onherkenbaar. Voor mij eigenlijk ook. Het ziet er zorgwekkend uit, maar het kunstwerk van Jean Dubuffet is juist aan de beterende hand. 

Restaurator Susanne Kensche ziet iets heel anders dan mijn vrienden en ik. Geen gletsjer, ook geen skatepark, geen ‘iceberg, right ahead’, zij ziet hoe vergevorderd de enorme opknapbeurt in de beeldentuin van het Kröller-Müller Museum in Otterlo is. We staan met verfdampmaskers op te kijken naar een van de grootste restauratieprojecten uit de geschiedenis van het 81-jarige museum. 

Honderdduizenden mensen hebben het kunstwerk beklommen, sinds het gevaarte in 1974 in de beeldentuin verrees. Het bizarre kunstwerk van wit beton met zwarte lijnen van Jean Dubuffet wordt wel de ‘meditatietuin’ genoemd, maar leent zich ook prima voor tikkertje, picknicks, geluier en geklauter. Het is de publiekslieveling van het Kröller-Müller. Alleen staat er sinds de zomer van 2016 een grote tent overheen, met daaromheen bouwhekken. Uit het dak van de tent tent steekt alleen nog de zogenaamde boom, een sculptuur van zes meter hoog, tevens de entree tot de ‘tuin’. Die ziet er kennelijk aanlokkelijk uit. Een groepje scholieren komt aan de hekken rammelen: ‘Mogen we in het doolhof?’

Jardin d’émail heeft flink geleden onder zijn populariteit en het barre buitenleven. De toestand was kritiek, zo bleek uit onderzoek in 2015: de putten en buizen die het regenwater moesten afvoeren bleken zwaar beschadigd, er waren scheuren in het beton, de verf bladderde af – voor de zoveelste keer. Dus begon het museum in 2016 met de restauratie van het 600 vierkante meter grote kunstwerk. Een complexe operatie die 1,2 miljoen kost. 

Onder onze voeten is het kunstwerk weer gezond. Er is een nieuwe afvoer voor de regen geplaatst en er zijn meer dan duizend kleine gaten geboord die zijn gevuld met vers beton. ‘We kunnen er de komende honderd jaar weer op lopen’, zegt Kensche opgewekt. Wel goed oppassen waar we precies lopen, het is moeilijk diepte te zien in al dat wit. Toch kan de restaurator het oppervlak inmiddels dromen en als ze door haar oogharen kijkt, ziet ze de zwarte lijnen al krioelen.

Dit heet een restauratie, en dat is het, maar het doet denken aan een reconstructie. Misschien goed om daarom te beginnen bij het begin – of eigenlijk, om met Mark Rutte te spreken, het einde van het begin. Op een van de oudste foto’s van Jardin d’émail bevindt het kunstwerk zich in dezelfde bleke sneeuwlandschapfase. Begin 1974 zaten op een bobbel twee heren. De een in krijtstreeppak, met stropdas en serieuze bril, de haren met brillantine achterovergekamd: de toenmalige museumdirecteur Rudi Oxenaar. Naast hem een figuur die er losjes bijzit, zonder strenge bril, zonder stropdas, trouwens ook zonder haar, hij lacht naar de fotograaf: het is de Franse kunstenaar Dubuffet.

Geen wonder dat hij lacht. De destijds 73-jarige kunstenaar had hoge verwachtingen van dit gigantische driedimensionale schilderij. In een brief aan Oxenaar schreef hij: ‘Het wandelen en zijn in een omgeving, gebouwd binnen een reeds bestaande, ik bedoel in deze dubbelzinnige tuin, waar de objectieve werkelijkheid haar rechten en haar kracht gedeeltelijk verliest, waar er een puur geestelijke werkelijkheid voor in de plaats wordt gesteld, is, geloof ik, een bezielende ervaring. Het in twijfel trekken van de realiteit – wat men gelooft werkelijk te zijn – heeft iets stimulerends.’

Het wit dat er vandaag op wordt aangebracht – vier lagen in totaal, van een uitgebreid op slijtage geteste verf op basis van polyurethaan – dat wit moet spierwit zijn. Dat past bij het vervreemdende, onnatuurlijke effect dat Dubuffet zo stimulerend leek. Maar vooral hoort het wit bij de stijl van de kunstenaar. In de zomer van 1962 was hij tijdens het telefoneren wat gedachtenloos met balpen op papier aan het krabbelen. Hij raakte zo gecharmeerd van zijn spontane gedroedel, dat hij de kronkelige stijl een fantasienaam gaf: l’hourloupe.

Dubuffet, die zich pas na zijn 40ste volledig op de kunsten had gestort, verzon wel meer termen. Assemblage bijvoorbeeld, voor de techniek van het maken van collages van gevonden spullen. Ook is hij de bedenker van de naam art brut, voor kunstwerken die los van het kunstcircuit ontstaan, bijvoorbeeld in de psychiatrie of in gevangenissen. Die termen kregen meer navolgers (assemblage) en fans (art brut), maar l’hourloupe, met die rare vormen in de balpenkleuren zwart, blauw en rood, is uniek en herkenbaar Dubuffet gebleven.

Van zijn tekeningen op papier ging de kunstenaar beeldjes van piepschuim maken. Dat toen heel nieuwerwetse materiaal beviel Dubuffet, omdat het vlug en spontaan te vormen was; hij vergeleek het met schetsen op papier, ‘met evenveel vrijheid en directheid’. Maar erg kras- of stootbestendig is piepschuim niet, daarom goot hij de beeldjes af in polyesterhars en glasvezel. En ziedaar de fascinerende tegenstrijdigheid van Dubuffets hourloupes, zoals de beeldjes gingen heten: het begint met iets heel spontaans (wat gekriebel op papier), maar wat volgt is een superbewerkelijk proces. Van papier naar piepschuim, van piepschuim naar polyester.

Dubuffet zat midden in zijn hourloupe-fase (die twaalf jaar zou duren), toen hij in 1968 zijn oorspronkelijke Jardin d’émail maakte. Dat was een veel kleinere sculptuur, een soort maquette, die Kröller-Müller-directeur Rudi Oxenaar in een galerie in Parijs zag bij een expositie waarin Dubuffet architectonische vormen presenteerde. De Fransman had op dat moment nog geen exemplaar kunnen uitvoeren op groot formaat, maar de schaal stond wel al vast 1:10.

Na zijn bezoek aan de galerie ging Oxenaar ook de droom van Dubuffet dromen: zou het niet geweldig zijn om écht in zo’n tuin te lopen? In 1971 werd de knoop doorgehakt en na anderhalf jaar bouwen en verven was het zover. En was er dus nóg een stap gezet: van papier naar piepschuim naar polyester naar beton. Groots opgeschaald gedroedel. Bij welke kunstenaar zou dat geen glimlach opleveren? 

En ja, u leest het goed: het restaureren van dit kunstwerk duurt langer dan het bouwen. En toch moet het resultaat er nog steeds spontaan uitzien en uniek herkenbaar Dubuffet blijven. Om daarvoor te zorgen bleek een andere Fransman van belang, die op de foto uit 1974 waarschijnlijk net buiten beeld staat: Richard Dhoedt.

10 maart 2020: Dit lijkt wel een Matisse

O my god!’ Kensche slaat haar hand voor haar mond als ze naar de eerste zwarte lijnen kijkt. Even houdt ze haar adem in en dan volgt gelukkig: ‘Wauw!’ Het is spannend die zwarte lijnen terug te zien. Het hele kunstwerk is nu met houtskool voorgetekend. Het gaat om 1,5 kilometer aan dikke strepen van zo’n 8 à 10 centimeter breed, die er exact zo moeten uitzien als de kunstenaar ze oorspronkelijk voor zich zag. Maar die kunstenaar overleed in 1985. Bij gebrek aan de echte Monsieur Hourloupe heeft het museum veel aan zijn assistent, en dat is Richard Dhoedt. Hij was erbij in 1974, instrueerde de schilders. Inmiddels is hij behoorlijk op leeftijd, maar zijn expertise is intact. Zozeer dat hij met een verrassende reactie kwam toen hij het kunstwerk voorafgaand aan de restauratie inspecteerde: ‘Dit lijkt haast geen Dubuffet meer, dit lijkt wel een Matisse.’

Excusez-moi? Matisse, dat is toch die Franse gatenplantblaadjesknipper en dansendemensenschilder? Kensche kan uitleggen wat Dhoedt bedoelde. Kennelijk waren de lijnen in de loop der jaren steeds vloeiender geworden, minder hoekig. Minder balpen op papier, meer zwierige penseelstreek op doek. Dat is te begrijpen, want als je iets vier keer overtrekt – zo vaak waren de zwarte lijnen al overgedaan – dan ga je bochten afsnijden, het allemaal misschien wel iets ‘mooier’ afwerken. Kortom: het leek wel een Matisse. Oeps.

Om ervoor te zorgen dat deze Dubuffet weer een Dubuffet wordt, volgen de schilders de oorspronkelijke maquette met behulp van een virtueel 3D-model op iPads. En Dhoedt kijkt vanuit Frankrijk over hun schouders mee. Aan weerszijden van Jardin d’émail zijn camera’s geïnstalleerd. Deze restauratieschilders zijn erin getraind samen te schilderen aan iets dat eruitziet alsof het door één persoon is gemaakt. Zo werkten ze tien jaar geleden bijvoorbeeld aan het herstellen van decoraties in het Rijksmuseum in Amsterdam.

Maar dit is heel anders, vertelt Claudia Junge, die het team van vier schilders leidt: ‘In het Rijksmuseum hadden we vaste patronen, verschillende kleuren en een strak stramien. Hier probeer je na te bootsen hoe het oorspronkelijk is gedaan. Het is strak, maar het moet ook een losheid hebben.’ Junge verwachtte dat dit een saaie klus zou worden, alleen maar 1,5 kilometer zwarte lijn, maar nee: ‘Geen enkel stuk is hetzelfde, als ik een stukje wegloop en die lijnen bekijk, denk ik steeds: wat gaaf! Ik ga echt met een dikke smile naar huis, en dat komt heus niet door de verfdampen!’

28 april 2020: Alsof je in een stripboek staat

De tuin is bevrijd, de tent is eraf. ‘Kijk je uit voor die paal?’, waarschuwt Kensche. Junge zet vanaf een hoogwerker de laatste zwarte strepen op de boom. In één hand heeft ze een kwast, in de andere een iPad met een 3D-model van de maquette. Zo uitgepakt en in de zon is het kunstwerk felwit; we hebben nu geen verfdampmaskers nodig, maar zonnebrillen. Zo smetteloos als onder de tent zal het kunstwerk nooit meer worden. Er liggen al bladeren en een paar flinke klodders vogelpoep op. Daar moet het restauratieteam even aan wennen. ‘Het is eind vorige week nog helemaal schoongemaakt’, vertelt Kensche. Junge kan het haast niet geloven: ‘Serieus, vorige week nog?!’

Kensche is natuurlijk dolblij dat de klus is geklaard, maar voorlopig is ze niet van het kunstwerk af te krijgen. ‘Ik kijk er vol verbazing naar. Ik hou vooral van de gekke stukjes. Zoals zo’n trap, dat is net alsof je in een stripboek staat.’ Als er straks weer bezoekers komen, zal het onderhoud intensief blijven. Er komt eindelijk een schoonlooprooster bij de ingang, zodat bezoekers voortaan niet al het zand van de Hoge Veluwe het kunstwerk op lopen, maar dan nog zal de verf slijten. Hier moet nodig weer geklauterd, gespeeld, geluierd en gemediteerd worden. Kensche: ‘Je zult al na een paar maanden zien dat de zwarte verf beschadigt, schat ik. Ik denk dat we wel een keer per jaar met een pot zwarte verf aan de slag moeten gaan. Als het maar nooit meer zo ver komt als het was.’

Heropening

Het Kröller-Müller Museum bereidt zich momenteel voor om op 1 juni weer open te kunnen gaan. Zie voor actuele informatie: www.krollermuller.nl

Aangebakken spinazie
Dubuffet had in 1973 een mooie metafoor voor de wijze waarop zijn kunst de toeschouwer moest helpen anders naar de werkelijkheid te kijken: ‘Als je mensen spinazie serveert die is bereid zoals het hoort, merkt of onthoudt niemand dat hij spinazie heeft gegeten. Maar als je de spinazie laat aanbakken, choqueert het de smaakpapillen en worden mensen zich er direct van bewust dat het aangebakken spinazie is; en dan verwerven ze nieuwe inzichten in de eigenschappen van spinazie.’

Volle maan 

In 1974 werd de feestelijke onthulling van Jardin d’émail afgesloten met een diner in de beeldenzaal van het Kröller-Müller Museum. Alleen misten de aanwezigen iemand: waar was Jean Dubuffet? Toenmalig directeur Rudi Oxenaar ging op zoek en vond de kunstenaar in zijn Jardin, bij volle maan. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden