INTERVIEW

'De dood leent zich niet zo voor gedichten'

Journalist Coen Verbraak sprak in 2010 voor de Volkskrant met Drs. P, die zondag op 95-jarige leeftijd overleden is. Dit is het interview dat Verbraak met hem had.

Drs. P in 1978 Beeld ANP

Nog altijd kan hij de taal plooien zoals hij wil. Maar het kost hem meer moeite dan ooit. Onveranderd is de wijze waarop de 90-jarige tekstdichter Drs. Pde wereld aanschouwt: 'Ik heb het hele leven altijd vooral gezien als een vertoning.'

'Een woord is voor mij mooi door de klank die het heeft. Voor wat meer oppervlakkige lieden is een woord mooi door de inhoud. Die komen onmiddellijk aanzetten met 'liefde'. Ik vind 'liefde' niet veel. 'Verzilveren', dát vind ik prachtig. Zo'n woord glinstert. Het gaat mij om de wijze waarop de letters elkaar tegenkomen in een woord, en woorden in een zin.'

Ook in de conversatie is Heinz Polzer, beter bekend als Drs. P, uiterst zorgvuldig. Hij spreekt in sierlijk, vaak archaïsch Nederlands, waarbij geen medeklinker aan zijn aandacht ontsnapt. 'Welk een buitenwoon genietbare middag', knikt hij goedkeurend, terwijl de meeste Amsterdammers gewoon genieten van het 'sonnetje'. Laat één ding duidelijk zijn: de man van klassiekers als Dodenrit, Sneker Café en Knolraap en lof, schorseneren en prei heeft de Nederlandse taal nog altijd hoog.

Zijn behoedzame tred verraadt zijn leeftijd. Met afgemeten stapjes verplaatst hij zich door de gang van het hotel-restaurant, vlak bij zijn huis in de Amsterdamse binnenstad. Maar in de lichte ogen dansen af en toe nog pretlichtjes. 91 wordt hij deze zomer. En het klimmen der jaren doet zich voelen, zegt hij. 's Nachts wordt hij geregeld wakker van kramp in zijn benen. Dat had hij vroeger nooit. 'Oud worden is geen plezier. Ik kan het u beslist niet aanbevelen. Mijn oren zijn niet meer wat ze geweest zijn. En mijn ogen zijn inmiddels ook al tamelijk werkschuw geworden. Vreemd genoeg lees ik gemakkelijker zonder bril dan met. Hoewel dat ook heel goed aan die bril zou kunnen liggen.'

Hij leest nog elke dag de krant. Bij voorkeur NRC Next. 'Ik volg Jan Blokker trouw, en een zekere Pfeiffer. Momenteel is er ook een Renske, die zeer acceptabel schrijft.'

U bedoelt Renske de Greef. Die schrijft ook uitbundig over seks.

'Meent u dat? Dat ben ik dan helaas nog niet tegengekomen. Ofschoon deze informatie mij geenszins verbaast. Onlangs had ik een afspraak met een vriend uit België, die haar kent. Hij had haar verteld dat hij Drs. P zou ontmoeten. Dat leek haar ook wel iets, dus kwam ze mee. Dat was een zeer bevredigende ontmoeting. Ik vond haar uiterst conversabel. En overigens ook beslist niet lelijk.'

U volgt de hartenklop van het leven dus nog steeds?

'Het hangt ervan af wat u daaronder verstaat. Politiek laat mij bijvoorbeeld tamelijk onverschillig. Iemand als Balkenende houdt mij allerminst wakker. Ik heb vooral ontzag voor zijn hardnekkigheid en vasthoudendheid. Het is voorwaar niet niks om vier achtereenvolgende kabinetten te doen stranden. Daar is toch enig doorzettingsvermogen voor nodig.'

U bent officieel Zwitser, dus u mag niet stemmen.

'Ik mag gemeentelijk stemmen, maar niet landelijk. Die behoefte heb ik ook nooit gevoeld. Het Zwitser-zijn heeft mij altijd veel voordelen geboden. Een Zwitsers paspoort ontmoet meestal sympathie en tolerantie. Dat merk je bij de douane. Ze kijken je veelal vriendelijk aan: 'Ah, Suisse?' Vaak volgt er dan een vertederd relaas over een onvergetelijke vakantie in Zwitserland.'

Zou u een plezierrijm over Wilders kunnen maken?

'Als het mij dringend gevraagd zou worden, dan zou ik mij ertoe zetten. Het onderwerp is werkelijk wel sappig. De roep die Wilders net als Pim Fortuyn verspreidt, zou je met enige kwade wil neofascistisch kunnen noemen. In elk geval is Wilders geporteerd van opschudding. Dat levert wel stof op voor een vers.'

U kunt in principe over alles schrijven. U hebt liedjes gemaakt over de dubbele punt, over lichaamsdelen, maar ook een lofzang op andijvie.

'Ik houd zeer van dergelijke opgaven. Ik vind het hoogstplezierig om bij een onderwerp dat voor mijn neus gedeponeerd wordt, op mijn gemak te kunnen denken: wat kan ik hier nou 'ns uithalen? Welke invalshoek zal ik kiezen? Dat is fascinerend werk.'

U kunt de taal precies zo plooien als u maar wilt?

'Daar komt het wel op neer. Ik ben bijvoorbeeld voor geen cent gelovig. Maar als het mij opgedragen zou worden, zou ik zo een pakkende preek kunnen schrijven. Ik kan marxistisch schrijven, maar ook nationaal-socialistisch. Bij wijze van étude is dat zeer interessant. Er zijn van die uitgekauwde dichtersonderwerpen: 'Ach, wat heeft de mensheid het toch moeilijk', of: 'Zie toch eens hoe treurig de herfstbladeren neerdwarrelen.' Hij lacht, smalend. 'Dat noem ik herfstbladerentheater. Als ze het woord 'hart' uitspreken, begint hun onderlip al zacht te trillen. Daar distantieer ik mij met kracht van.'

Drs. P op 84-jarige leeftijd in 2004. Beeld anp

Sterker nog: u vindt het eigenlijk een belediging om 'dichter' genoemd te worden.

'Omdat 'dichter' zoiets vaags en lulligs oproept. Ik noem mijzelf bij voorkeur versificator. Dat klinkt ambtelijk. En zo is het ook precies bedoeld. Ik beschouw het maken van teksten op rijm als een exercitie in taalkunst. Ik heb nauwelijks iets mee te delen, maar wil dat desondanks op een verskundig volkomen correcte en zo mogelijk enigszins genietbare wijze volbrengen. Dan is het veel leuker om een truttig onderwerp als andijvie ter hand te nemen. Ik houd van onderwerpen die niet voor de hand liggen, die eisen stellen.'

J.C. Bloem was van zo'n onderwerp wanhopig geworden.

Schamper: 'Ach ja, die Bloem Van hem herinner ik mij dit rijm:

Avondster
Eenzamer

Zo'n armoedig rijm komt men werkelijk maar zelden tegen. Dichterlijke vrijheid komt vaak neer op dichterlijk onvermogen. En op ontluisterende eigendunk: 'Ik zet dit op papier, dus is het literatuur.'

Daar voel ik verachting voor. In de 19de eeuw was een dichter iemand die correct wist te rijmen en zich metrisch aan de regels hield. Wellicht was het bombastisch, vroom of sentimenteel, maar technisch was het in elk geval in orde. Dat principe is verdwenen. Tot mijn grote spijt. Het gaat namelijk ten koste van onze taal. Iemand die geheel reguliere poëzie schrijft, is automatisch een kenner en een liefhebber van de taal.

In mijn ogen is het Nederlands een superieure taal. Vergelijk het eens met het Engels. Het Frans spreek je uit zoals het eruit ziet, bij het Engels is het altijd maar weer raden. De spelling van het Engels is vaak ronduit absurd. Neem de letters 'ough' aan het eind van een woord. Die kunnen optreden in 'plough', 'although', 'through' en 'rough'. En elk woord spreek je weer anders uit. Dat vind ik werkelijk zeer dom. Of misschien is het juist heel geslepen. Ik stel mij voor hoe in een grijs verleden enkele machthebbers besloten om een taal in elkaar te zetten.'

Hoe moest die eruit zien?

'Nou', zei er een, 'we moeten er in elk geval voor zorgen dat Bulgaren, Grieken, Italianen en meer van dergelijk gepeupel die taal nooit onder de knie kunnen krijgen. Ze krijgen slechts een kiertje van de taal te zien, waardoor ze er hooguit een gedeelte van machtig kunnen worden. Dan kunnen wij er lekker om lachen.'

'Tegelijk moest die taal grammaticaal zo simpel zijn dat de hele wereld zou denken: 'O, dat leren we wel even.' Zo werd het een wereldtaal. Maar neemt u van mij aan dat dat Engels eigenlijk vooral een zeer gemeen spelletje is.'

Het Nederlands heeft dat niet?

'Nee, bij ons klinkt de 'au' niet anders dan de 'ou', en de 'ij' niet anders dan de 'ei'.'

Terwijl u het minderwaardig vindt als er in uw werk een 'ij' op een 'ei' zou rijmen.

'Ik houd erg van oogrijm. Daarbij mag een 'au' inderdaad niet op een 'ou' eindigen. Niet omdat het bij wet bepaald is, het is bedoeld om de lat voor mijzelf wat hoger te leggen.'

U bent 90. Hoe is het om zo oud te zijn?

'Het strookt helemaal niet met mijn verwachtingen. Ik zei tien jaar geleden al: '80? Ik hoop het niet mee te maken.' Ik was ook volstrekt niet van plan om 90 te worden. Als mensen nu tegen mij zeggen: 'Op naar de 100', word ik helemaal lusteloos. Want ouderdom is een straf. Je hebt lang genoeg geleefd om te snappen hoe alles reilt en zeilt. Je krijgt tal van lichamelijke ongemakken. Bovendien zie je de wereld rondom je verder degenereren. De criminaliteit in Nederland is zo extreem geworden. Dat stemt neerslachtig.'

Drs. P in 2004. Beeld ANP

U wilde geen 80 worden. En toch bent u nu over de 90. Had u die tien jaar dan willen missen?

'Dat denk ik wel. Om het echt pathetisch te maken: ik had best tien jaar geleden al willen sterven.'

Dan was u dus al tien jaar dood geweest.

'Daar had u mij beslist niet over horen klagen. Gelooft u mij: ik heb lang genoeg geleefd. Als u het mij vraagt, was mijn mooiste tijd de periode in Indonesië. Ik was een jaar of 30 en werkte als copywriter op Java. Die periode noem ik mijn Gouden Eeuw. Ik verbleef in een betoverend gebied, een buitengewoon smaakvol landschap. Ik had een royaal salaris, woonde gerieflijk en had een fraaie automobiel. En in de zeer lange vakanties die ik had verkende ik grote delen van de wereld. Dat is de mooiste tijd van mijn leven geweest.'

Optreden doet hij al vijftien jaar niet meer. Op een avond, in de trein op weg naar een optreden in het Vlaamse Strombeek-Bever nam hij een resoluut besluit. 'Ik dacht: ik heb eigenlijk geen enkele dwingende reden om te stoppen. Ik ben volkomen in conditie, kan de piano nog naar behoren hanteren en ken alle teksten nog uit mijn hoofd. Dus dit is een erg goed moment om te stoppen. De aanleiding was dat er geen aanleiding was. De avond daarna moest ik optreden in Harderwijk, en heb ik tegen het publiek gezegd: 'U was vanavond getuige van mijn allerlaatste optreden.'

Hoe ging u na dat laatste optreden naar huis?

'Met de trein.'

Ik bedoel: hoe was uw gemoedstoestand? Dit was toch het eind van een lange carrière.

'Ik was niet melancholiek, ik was voldaan. Ik stopte voordat het wenselijk werd. Frank Sinatra die op het laatst teksten moest aflezen van borden dat is zo armetierig.'

Schrijft u nog wel?

'Op vrij kleine schaal. Ik ben vooral verkikkerd op ollekebollekes.'

Daar bent u naar verluidt zelfs een meester in.

'Ik spreek u hierin niet tegen. Het is een plezierige dichtvorm, omdat-ie zeer beknopt is. Een ware uitdaging om in die twee keer vier regels alles te presenteren wat je te berde wilt brengen.'

Misschien is het een goed idee om er een te reciteren, besluit hij. Een tamelijk gaaf exemplaar, dat hij recentelijk maakte.

Onder de Reichskanslerei

Uitzichtloos

afwachten

Alles verloren

De toekomst is stuk

Maar de voormalige

Oberbefehlhaber

Heeft nog een vuurwapen

Tot zijn geluk.

Veel humor valt hierin niet te bespeuren, erkent de doctorandus. Eerder sarcasme. 'Maar het is wel echt een verhaal, met een begin en een eind. Dat is het heerlijke van dat werk. Het dwingt je om het uiterste uit je taalkennis te halen.'

Wordt dat vermogen minder naarmate je ouder wordt?

Na lang, gepijnigd zwijgen: 'Dit is een gewetensvraag. In zekere zin wordt het wel minder. Je geheugen gaat onherroepelijk achteruit. Je hebt niet meer die schier eindeloze reeks van woorden tot je beschikking die vroeger in je brein rondwentelde. Er komen steeds meer witte plekken in je woordenboek. Tegelijk wordt het allemaal nog doorwrochter.'

Dat is het nadeel van veel gemaakt hebben; je gaat in je eigen schaduw werken.

'Je denkt vaak: dit heb ik vroeger al eens gedaan. En vaak beter ook.'

Bent u tevreden over wat u gemaakt heeft?

'Eerlijk gezegd ben ik daar heel tevreden over. Als ik het na tientallen jaren weer onder ogen krijg, constateer ik dikwijls dat het werkelijk heel acceptabel is.'

De meeste mensen kennen u vooral van Dodenrit en De veerpont.

'En van Tante Constance en tante Mathilde.'

(Tekst loopt door onder video.)

Beschouwt u dat ook als uw beste werk?

'Ik verloochen het niet, maar ik vind het goedbeschouwd toch iets te frivool. Kent u bijvoorbeeld Quartier Putain?' Hij pauzeert even, begint dan neuriënd te declameren in een wonderlijk stram staccato:

Romantiek van de Oudezijds Achterburgwal

Met z'n trapgevelhuizen, versleten en smal

's Avonds laat bij een hemel zo zacht als fluweel

Uit een pakhuis komt even een geur van kaneel

En het donkere water, verstild in de gracht

Weerspiegelt de rust van de komende nacht

Maar achter een raam in een deur op een stoep

Daar lokt het genot met een blik en een roep.

'Hoort u?', onderbreekt hij zichzelf. 'Dit heeft toch heel een eigen karakter. Kijk, zo'n Dodenrit is heel aardig, maar heeft toch niet diezelfde ambitie. Hier zit een soort beschouwelijkheid in.'

Drs. P in 1978. Beeld anp

Jonge grijsaard

Heinz Polzer werd geboren in Zwitserland. Zijn moeder was Nederlands, zijn vader een Oostenrijker. Hij was 3 toen zijn ouders gingen scheiden en hij met zijn moeder verhuisde van Thun naar Nederland. Hij zag zijn vader nadien nog één keer, tijdens een logeerpartij in 1934. Polzer was toen 15. 'Eigenlijk was het een vreemde man voor mij. Ik vond hem niet onaardig. Maar politiek gezien zaten wij allebei op een totaal ander spoor. Hij was volledig in de greep van het nationaal-socialisme.'

Heinz was als jongen een ouwelijk kind, denkt hij. Een jonge grijsaard, die zich graag terugtrok met een boekje. 'Lezen was toen al mijn grote passie. En ja, daar moet je alleen voor zijn. Sindsdien heb ik altijd de behoefte gehouden om alleen te zijn. Niet dat ik een mensenhater ben, ik functioneer gewoon beter als ik op mezelf ben. Ik verveel me nooit in mijn eentje, vind mezelf bepaald geen onaangenaam gezelschap.'

In 1939 ging Polzer in Rotterdam bedrijfseconomie studeren. Met die studie zou hij nooit iets doen, behalve dat hij er later zijn artiestennaam aan ontleende. Op 14 mei 1940 was hij getuige van het bombardement op Rotterdam. Hij zag van nabij hoe de binnenstad in vlammen opging. Hij meldde zich direct na afloop van het bombardement bij de autoriteiten om zijn hulp aan te bieden, werd naar een dak gedirigeerd waar hij een brandslang in handen gedrukt kreeg. Daar, op dat dak, had hij 'een overrompelend uitzicht' op de rampspoed die zich voor zijn ogen voltrok. 'De hemel was bezaaid met vonken.' Voor zijn ogen zag hij de Bijenkorf instorten. 'Voorwaar geen alledaags verschijnsel.' Hij stond naar het inferno te kijken in een mengeling van ontzetting en betovering. 'Het ging toch ook gepaard met een onbetwistbare schoonheid. Ik voelde mij als Nero bij de brand van Rome.'

Dat is ook het beeld dat uit uw teksten oprijst; u lijkt een buitenstaander die observeert, die het leven beschrijft zonder eraan deel te nemen.

'Dat is een juiste observatie. Ik heb het leven altijd vooral gezien als een vertoning. Veel meer dan als een veldtocht of een pelgrimage.'

Het leven is een toneelstuk waarbij u in de zaal zit?

'Ik heb nooit de behoefte gehad zelf een rol te spelen. Zodra je meedoet, observeer je niet meer. Van een afstand heb je toch het beste zicht. Ik heb ook altijd voor mezelf geschreven, niet om anderen te vermaken. Als het mij niet bevalt, dan gooi ik het direct weg. Als het mij wel bevalt, dan kan ik er vergenoegd naar kijken, zoals een meubelmaker naar zijn dressoir.'

(Tekst loopt door onder video.)

U had ook het voordeel dat u nooit van uw pen hoefde te leven. Er was toch 'oud geld' in de familie?

'Dat was natuurlijk een aanzienlijk gemak. Daardoor maak je vanzelf andersoortig werk. Ik had nooit een doelgroep voor ogen: 'Dit zullen ze wel vreten.' Ik was mijn eigen maatstaf.'

Het is wel poëzie zonder enige ontroering.

'Ik schrijf niet om te ontroeren, die behoefte heb ik niet. Ik wil een idee zo exact mogelijk uitdrukken in verskundige feilloze taal.'

U bent vooral een jongleur die zo knap mogelijk ballen in de lucht wil houden?

'Zo is het.'

Kent u eigenlijk ontroering?

'Ach, dat zal ik vroeger toch wellicht ooit hebben meegemaakt. Al herinner ik mij dat niet.'

Omdat u zo'n gelijkmatig karakter heeft?

Hij buigt het hoofd, zwijgt dan bijna een minuut, zonder de ogen op te slaan. Mompelend: 'U merkt dat ik niet gaarne over mijzelf praat.' Nadrukkelijk op zijn horloge kijkend: 'Misschien moest ik maar weer eens naar huis gaan. Mijn vrouw zit vast al handenwringend op mij te wachten.'

Hoe lang bent u getrouwd?

'Tot mijn schande kan ik daar geen nauwkeurig antwoord op geven. Vijftig à zestig jaar.'

Leest uw vrouw uw werk?

'Ze krijgt steevast een exemplaar als er weer een boek is verschenen. Maar ik ga nooit na of ze het leest.'

Is ze trots op u?

'Het is mogelijk.'

U heeft geen kinderen. Hebt u nooit de behoefte gehad om iets door te geven?

'Nee.'

(Tekst loopt door onder video.)

Of moeten we uw teksten als uw kinderen beschouwen?

'Dat zou erg sentimenteel zijn. Ik ben blij dat dat werk bestaat. Of het na mijn dood zal voortleven laat mij vrij onverschillig. Als mensen later mijn werk lezen of horen, hoop ik vooral dat ze zullen beseffen hoe mooi die Nederlandse taal toch is.'

Hebt u al een kwiek grafschrift klaarliggen?

'Nee. De dood leent zich niet zo voor gedichten. Ik zei u al: ik schrijf vooral voor mijzelf. De kans dat ik later zo'n grafschrift overlees, lijkt mij toch betrekkelijk klein.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden