De doem van deskundige duiders

De Duitse socioloog Ulrich Beck had in 1986 het manuscript van zijn boek Risikogesellschaft nog nauwelijks ingeleverd, of het dak de Russische kerncentrale Tsjernobyl vloog de lucht in....

Niet dat het makkelijke leeskost is, maar Beck bleek te beschikken over de gave van de korte, rake formulering. ‘Gebrek is hiërarchisch, smog is democratisch’ – anders gezegd: het vraagstuk van inkomens- en kansenverdeling heeft plaatsgemaakt voor de verdeling van risico’s, van gevaren.

De mogelijkheid om een hele sociologie in één korte zin samen te vatten, droeg in hoge mate bij aan de popularisering, vergelijkbaar met Max Webers protestantisme als voorwaarde voor het ontstaan van het kapitalisme, of de onderbouw die sinds Marx de bovenbouw bepaalt.

In de wereld van Beck worden de spanningen in de postmoderne samenleving niet langer teweeggebracht door de sociale kwestie. Rijk en arm, iedereen krijgt met risico’s te maken. Daarbij komt dat risico’s geen tastbare, maar potentiële gevaren zijn. Je weet niet welke kust de volgende tsunami zal aandoen. Hoofdthema in de politiek is niet langer wie mag meedoen, maar wie kan ontsnappen – zie onlangs New Orleans. De onzekere toekomst is politiek geworden en daarmee verandert de verhouding tussen openbaar bestuur, wetenschap en burger radicaal.

Beck had zijn boek geschreven als een sociologische doordenking van de milieuproblematiek. Maar twintig jaar en een ingezakte milieubeweging later blijkt het dekseltje van de risicosamenleving ook heel goed te passen op de potjes van vele andere angsten en bedreigingen die samenhangen met de globalisering – variërend van vogelgriep tot Poolse loodgieters en de omgang met terreurrisico’s. Het draait om gevaren waar de mens zelf verantwoordelijk voor is en die vervolgens niet of nauwelijks beheersbaar zijn. Al bij al een buitengewoon vruchtbaar idee dus, zo blijkt opnieuw uit Leven in de risicosamenleving, een bundel lezingen die dit en vorig jaar door het Nederlands Gesprek Centrum werden georganiseerd.

Risico’s in onze directe omgeving zijn onzichtbaar. Van horen zeggen of op televisie gezien. In de risicomaatschappij hebben we daarom duiders nodig, een priesterkaste die ons eenvoudige burgers vertelt wat er gebeurt. Dat zijn de wetenschappers. ‘Een theorie over de risicosamenleving moet een theorie over wetenschap zijn’, schrijft wetenschapsfilosoof Gerard de Vries in een uitstekende inleiding. In de moderne, industriële maatschappij deelde de politiek de lakens uit. De wetenschap was dienstbaar en zocht naar middelen van vooruitgang, variërend van technische uitvindingen tot het sociale ingenieurschap van de welvaartsstaat. Nu zijn de rollen diffuus geworden. Door de globalisering is de lange arm van de politiek verschrompeld tot een lam handje. De politicus deelt zijn sturende rol maar al te graag met de wetenschappelijke expert. De filosoof Rüdiger Safranski, ook in de bundel: ‘Het verlangen naar deskundigen die het laatste woord spreken, is een seculiere versie van het verlangen van de kerkganger.’

Of we het leuk vinden of niet, de wetenschap is onvermijdelijk gepolitiseerd. Alleen ogenschijnlijk spelen politicus en wetenschapper nog hun oude rollen – die van soevereine opdrachtgever en die van waardenvrije denker. En dat zou wel eens bij uitstek kunnen opgaan voor Nederland, dat van zichzelf al een neiging had om tegenstellingen te depolitiseren, om commissies van wijzen knopen te laten doorhakken en om alle ijzeren beleidscirkels van middenveldinstellingen ruimhartig te bedienen. De vraag wie de macht controleert, verschuift naar de vraag wie in staat is de expertocratie tegenspraak te bieden – en niet alleen tegenspraak maar ook tegenmacht, omdat er miljarden overheidsgeld aan beleidsonderzoek te verspijkeren is.

Die tegenmacht organiseren is buitengewoon moeilijk, aangezien het debat permanent onder de hypotheek staat van de wetenschappelijke autoriteit. Let maar eens op bij omstreden kwesties, van de legalisering van drugs tot het klimaat of euthanasie en de multiculturele samenleving; telkens stellen wetenschappers in rapporten, studies en interviews hun ‘feiten’ tegenover de ‘beelden’ van de bemoeial van buiten die het niet begrepen heeft. Zo kon je in het spellingsdispuut de voorzitter van de Taalunie eerst horen zeggen dat het ‘onverstandig’ was van de kranten om zich tegen het nieuwe Groene Boekje te keren, en vervolgens dat het ‘uitgesloten’ was dat de nieuwe spelling zou worden teruggedraaid of aangepast. De wetenschap had geadviseerd, de politiek had geknikt, en de praktijkgebruikers hadden het nakijken.

Zo wordt het de burger onbehaaglijk te moede. Hij heeft tegenwoordig wel een grote mond, maar zijn hartje is kleiner dan ooit. Als het gevaar zijn lelijke kop nog moet laten zien, dan is de beleving van de burger – en daarmee de rol van de media – ook een politieke hoofdschotel geworden. Het gaat immers niet alleen om werkelijke, maar ook om beleefde risico’s. Het politiek-wetenschappelijk complex staat voor de keuze: moet de ongerustheid in de samenleving worden aangeblazen met code rood of geel, dan wel juist kleiner worden gemaakt?

De theorie van de risicosamenleving geeft niet alleen ruimte aan alarmisme, maar ook aan het wetenschappelijk onderbouwde sussen. Dat gaat zo: de angstige burger maakt zich ten onrechte druk. In de Middeleeuwen waren de mensen armer, zieker en hadden ze een kortere levensverwachting. Dat zijn pas risico’s. Waar hebben we het nu dan over? In die trant schrijft bestuurskundige Maarten Hajer. Misdaad is een constructie van de samenleving, en het probleem van de onveiligheid gaat eigenlijk over iets heel anders, namelijk de angst van de burger. Letterlijk schrijft hij: ‘De moord op Van Gogh heeft van zichzelf geen betekenis.’ Die betekenis wordt eraan toegekend in de etiketten die de samenleving erop plakt, het zogeheten framing. Dan zijn we terug bij de criminologie van de jaren zeventig en de stelling dat misdaad een kwestie is van een andere krant lezen.

In de tijd van onderbouw en bovenbouw van een kwarteeuw geleden had een beetje hoogleraar het bij voorkeur over ‘paradigma’s’ – voorwetenschappelijke veronderstellingen die samenhingen met de maatschappelijke positie van de ogenschijnlijk waardenvrije denker. Nu de macht van de wetenschap zoveel groter is geworden, hoor je daar niemand meer over.

Ja, de filosoof Rüdiger Safranski zegt het in een vraaggesprek, maar zijn stelling is niet meer zo populair: ‘We moeten een zintuig ontwikkelen voor economische belangen. Dan blijkt dat kennispositie en belangenpositie correleren.’ Alle grote politieke besluiten, van Betuwelijn tot Schipholbaan, van studiehuis tot inburgeringstraject, en van rijksdienstverzelfstandiging tot windmolenparkinrichting, allemaal worden ze wordt begeleid door een ‘bijenzwerm van deskundigen’ (Safranski). Wetenschappers geven hun advies en nemen vervolgens de benen als het mis gaat. Eigenlijk weten we niet hoe het moet, stelt Gerard de Vries vast. ‘Wie om zich heen kijkt, moet constateren dat we een opmerkelijk gebrek aan politieke en bestuurlijke ideeën hebben die een antwoord leveren op de risicosamenleving die – ongevraagd, ongepland en onvoorzien – is ontstaan.’ Een bekommerde conclusie van een belangrijk boekje.

Hans Boutellier e.a.: Leven in de risicosamenleving. Amsterdam University Press; 96 pagina’s; ¿ 14,50. ISBN 90 5356 829 8.

Ulrich Beck: Risikogesellschaft – Auf dem Weg in eine andere Moderne. Suhrkamp, import Nilsson & Lamm; 396 pagina’s; ca. ¿ 12,50. ISBN 3 518 11365 8.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden