De dilettant en de holbewoner

'WANNEER IS de première?', schreef Karel van het Reve in 1987 aan Dimitri Frenkel Frank. 'Ik verwacht vrijkaartjes, want ik ben gierig van aard.'..

Toen hem de tekst van de musical in september 1987 was toegestuurd, schreef hij dat zijn eerste indrukken 'nogal gunstig' waren: 'Ondanks al het lawaai dat met een musical verbonden is, komt het stille en bescheidene van Tsjechov goed over. Hij hield overigens van drukte en lawaai, bruiloften en partijen, eten en drinken en zingen.' Maar verder: 'Ik kan natuurlijk absoluut niet oordelen hoe het ding er uit zal zien op het toneel en hoe het zal klinken.'

Een jaar later heeft hij het althans kunnen horen: er kwam een grammofoonplaatversie (met onder anderen Martine Bijl, Simone Kleinsma, Jasperina de Jong, Gerard Cox - en Robert Long in de titelrol) die in ieder geval één (halve) hit opleverde, met het nummer Vanmorgen vloog ze nog. Maar om allerlei redenen kwam het niet tot een voorstelling, dus ook niet tot vrijkaartjes.

Pas in 1991 was het zover: première in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Ik neem aan dat Van het Reve is gaan kijken, maar Frenkel Frank was er niet meer - die was kort tevoren plotseling, en nog betrekkelijk jong (net zestig), overleden. Intussen zijn ze allebei dood, maar Tsjechov blijkt nog te leven (vanaf deze week is er een serie heropvoeringen, met Boudewijn de Groot), en de nagedachtenis van de auteur en zijn 'konsultant' wordt geëerd in de uitgave van de 36 brieven die ze mekaar schreven in de incubatietijd van de musical.

'Natuurlijk', begon Frenkel Frank de correspondentie, 'Tsjechow als musical is onmogelijk dus perfect. Kijk naar de meest succesvolle musicals van de laatste tijd. Twee heren gaan bij elkaar zitten en zeggen: 'Noem es een absoluut onmogelijk onderwerp voor een musical.' 'Jezus Christus', zegt de een,'hahaha.' Dus maken ze Jesus Christ Superstar. Een volgende keer: 'Interesseert iemand zich voor de Peronisten? Nee.' Evita! Dan: 'Zullen we een musical maken op gedichten van T.S. Eliot? Bespottelijk.' Cats!'

De ontwapenende argeloosheid waarmee bij de literatuur, de televisie, het theater en liefst ook nog de filosofie met z'n onuitputtelijke creativiteit bestookte - dat was Frenkel Frank ten voeten uit. Ik herinner me de dagen waarin we samen met Rinus Ferdinandusse brainstormden voor een nieuwe aflevering van het satirische programma Zo is het toevallig ook nog 's een keer (titel door hem bedacht). Ferdinandusse en ik hadden elk zo onze eigen inhibities - en waren als journalisten bovendien geneigd met tekst te wachten tot de dag voor de uitzending. Dimitri niet. Dimitri had drie weken tevoren al twintig liedjes, sketches en crosstalks geschreven, die hij ons voorlas boven de prullenmand, waar ze ook als proppen in verdwenen zodra hij zag dat wij niet lachten. Veel proppen. Maar bijna altijd minstens één briljant idee (Beeldreligie bijvoorbeeld), en meestal nog een paar aanzetten tot bruikbare nummers.

Z'n productiesnelheid was even typerend als het gemak - dus de afwezigheid van enig schrijversponteneur - waarmee hij zich ook weer van z'n geestelijke eigendommen kon distantiëren. Dat zal hij als copywriter hebben geleerd in de reclame waar hij lang heeft gewerkt, maar het moet ook in z'n natuur hebben gezeten. Wrok was hem vreemd. De overwegend nooit erg welwillende kritiek op z'n romans, z'n toneelstukken en z'n films heeft hem nooit ontmoedigd - hij was ondertussen ook al lang weer met drie of vier nieuwe projecten bezig.

Een rusteloze en onvermoeibare man. In de briefwisseling met Van het Reve is hij tussen de Tsjechov-bedrijven ook voortdurend onderweg van Los Angeles naar Athene, van Freud naar Sokrates, van vioolles naar een lezing voor het Goethe Instituut en van een Parijse theaterpremière naar een driedaagse ontberingswandeling in de Achterhoek: never a dull moment, altijd doende z'n sponzendorst naar kennis te lessen, en z'n behoefte aan artistieke avonturen te bevredigen. Hij had alles van de oprechte dilettant, en weinig van de grootspraak die je gewoonlijk bij zelfkazende autodidacten aantreft. Maar in de wereld van letteren en amusement (Hadimassa!) die hij graag had bestormd, zou hij een uitgesproken randfiguur blijven.

Het aardige aan de kleine correspondentie is misschien vooral dat Van het Reve dat in zekere zin ook was - of beter gezegd: dat Van het Reve graag als randfiguur poseerde, of zich althans behaaglijk voelde langs de zijlijn van de luidruchtige openbaarheid op het gebied van cultuur en letteren. Maar hij was allesbehalve een dilettant. Integendeel, zijn stevige uitvalsbasis was een leerstoel in Leiden, en voor exercities buiten z'n vakgebied (de droomduiding, de sociale evolutie, de betekenis van Stanislawski als theatermaker, de repressieve tolerantie) vermomde hij zich als columnist.

'Als je er een gewoonte van maakt om elke dag een paar pagina's te schrijven', liet Frenkel Frank hem weten, 'dan zijn dat in principe makkelijk twee romans en twee toneelstukken per jaar.' Daar zal hij om geglimlacht hebben. Als je de woorden in zijn verzameld werk telt, kom je gemakkelijk op wel méér dan een paar pagina's per dag - maar hij liet zich er nooit op voorstaan, en z'n ambitie reikte niet tot twee romans en twee toneelstukken op jaarbasis.

Hij bleef zich graag voordoen als de 'holbewoner' (zoals Toergenjev Tolstoj noemde) tegenover de 'literator' die Frenkel Frank graag wilde zijn - en als laatstgenoemde weer eens een kast vol boekentitels had laten omvallen, begon Van het Reve zijn antwoord met 'Geleerde Demetrius', om vervolgens heel nauwkeurig de feiten, de namen, de spellingen, de jaartallen (en de anekdotes) op te sommen waar zijn correspondent om had gevraagd. De brieven van Frenkel Frank - exuberant, boordevol invallen en soms kinderlijke opschepperijtjes - waren gemiddeld driemaal zo lang als die van Van het Reve.

Hebben Van het Reve's adviezen de musical metterdaad beïnvloed? Daar had de bezorger van de correspondentie (Wim Hazeu) wat mij betreft wel enig onderzoek naar mogen doen, door bijvoorbeeld de eerste opzet (die blijkens de brief van 1 september 1985 aan Van het Reve is opgestuurd) naast de definitieve versie te leggen. De meeste vragen van Frenkel Frank betroffen gegevens over de relatie tussen Tsjechov en Gorki, over de rol van de censuur in tsaristisch Rusland, over de vraag of Tsjechovs toneelstukken inderdaad als blijspelen waren bedoeld, en over Tsjechovs liefdesleven. Het mooie nummer 'Schrappen' (Tsjechov, de censor en een koortje van griffiers - de teksten van alle songs zijn achter in de brievenbundel opgenomen) lijkt het enige dat regelrecht schatplichtig is aan Van het Reve's aanwijzingen. Maar hoeveel tekst heeft Frenkel Frank na een laconieke, maar licht-vermanende opmerking van Van het Reve in zijn prullenmand gegooid?

Dat had ik graag willen weten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden