De digitale herrijzenis van overleden acteurs

Hij is ruim twintig jaar dood. Toch is acteur Peter Cushing springlevend als schurk in de nieuwste Star Wars-film. Althans, zijn digitale evenbeeld. Hoelang nog voordat (levende) acteurs helemaal niet meer nodig zijn?

De digitale herrijzenis van Peter Cushing (1913-1994) als acteur in Rogue One: A Star Wars Story (2016).

De dode acteurs staan voor de deur. Althans, eerst maar eens in een galaxy, far far away. In de laatste Star Wars-film Rogue One is een cruciale bijrol weggelegd voor de Britse acteur Peter Cushing, die dik twintig jaar na zijn verscheiden nog steeds bloedserieus spel blijkt te kunnen leveren. Cushing figureerde al in Star Wars: Episode IV - A New Hope (1977) als de boosaardige commandant Grand Moff Tarkin. Omdat het verhaal van Rogue One zich vlak voor het verhaal van die film afspeelt, werd het zinvol geacht om Cushing digitaal te reanimeren.

En hoe. Toen hij nog leefde besloot Cushing Grand Moff Tarkin te vertolken als 'een extreem nijdig, onaangenaam heerschap' en aan die visie lijkt in het hiernamaals weinig te zijn veranderd. Je wordt er akelig van als je weet dat Cushing in 1994 overleed, terwijl zijn wederopstanding zo overtuigend is dat veel toeschouwers niet eens zullen beseffen dat ze kijken naar een wandelend lijk.

Dat een acteur is overleden, hoeft dankzij de nieuwste digitale technieken dus niet meer te betekenen dat hij of zij is uitgespeeld. Dat schept verwachtingen en zorgen. Denk alleen al aan de eind vorig jaar gestorven Carrie Fisher, die als rebellenleidster Prinses Leia feitelijk onmisbaar was voor de Star Wars-reeks. Terwijl de opnames van Star Wars VIII zijn afgerond, moeten die voor Star Wars IX nog beginnen, en net in die film zou Leia/Fisher een essentiële rol spelen. Dat blijkt alleen al uit het feit dat studio Disney zich voor 50 miljoen dollar liet verzekeren, mocht Fisher haar contractuele verplichtingen voor de nieuwe Star Wars-films niet kunnen nakomen. Haar afwezigheid zou scenariotechnisch kunnen worden opgelost of met een vervangende acteur, maar Rogue One wijst in een andere richting: die van een digitaal uit het graf opgestane Fisher, strijdend tegen het duivelse Empire alsof er niets is gebeurd.

Smaakvol

Maar doe je het werk van zo'n geliefd acteur daarmee eer aan? Hoe smaakvol is het om iemand op te voeren terwijl hij geen enkele controle heeft over zijn gang en wandel? Laat een acteerprestatie zich reduceren tot een formule van enen en nullen? Hoeveel bewondering men ook had voor de technische prestatie, Cushings verschijning in Rogue One en het vooruitzicht op een gereanimeerde Fisher stuitten bij veel filmcritici en Star Wars-fans op weerstand. 'Een virtuele herrijzenis zou Fisher absoluut geen dienst bewijzen', stelde dagblad The Independent, 'aangezien haar persoonlijkheid groter was dan een digitale replica - hoe genuanceerd ook - ooit zou kunnen nabootsen.'

In feite stelt de Star Wars-kwestie het al jaren spelende debat rond de opkomst van de digitale acteur op scherp. Sinds films als Final Fantasy: The Spirits Within (Hironobu Sakaguchi en Motonori Sakakibara, 2001) poogden om uit pixels levensechte acteurs met geloofwaardige spelprestaties te wringen, vreest de acteurswereld het moment dat de vleselijke vertolker definitief in de hoek wordt gedreven. Een virtuele acteur, zo mijmerden vroege publicaties over het onderwerp, zal straks veel goedkoper zijn dan een analoge speler. Bovendien heeft hij of zij geen enkele last van sterallures en zal altijd exact doen wat de regisseur verlangt. 'Ik maak me veel zorgen', zei Tom Hanks in 2001 tegen The New York Times. 'Het gaat gebeuren en ik weet niet wat acteurs ertegen kunnen doen.'

Carrie Fisher met een Stormtrooper bij de première van Star Wars: The Force Awakens. Beeld epa

Fysiek contact

Voorlopig lijkt er weinig aan de hand. Overtuigend virtueel spel zoals dat van Cushing in Rogue One kost vooralsnog bakken met geld en bovendien is het nog steeds eenvoudiger om digitale spelers te onthoofden of onder het bloed te smeren dan ze realistisch met een ander te laten kussen. 'Het genereren van huid-op-huid-contact is een nachtmerrie', aldus Hollywood 3D-expert Anthony Bloor vorig jaar, in een artikel op Vice-website Motherboard.

Ook Peter Cushing blijft als Grand Moff Tarkin verschoond van fysiek contact. Niettemin is zijn sterke aanwezigheid in Rogue One - volgens de makers een van de allerduurste en meest complexe digitale-filmcreaties ooit - een flinke stap vooruit in de emancipatie van de synthespian, zoals de virtuele acteur in de filmindustrie is gedoopt. Tot nu toe werd de digitale resurrectie van acteurs voornamelijk toegepast in films die anders niet afgerond konden worden omdat de bewuste speler tijdens de opnames overleed. Zo kwam Brandon Lee voor The Crow (Alex Proyas, 1994) middels computertrucages en body doubles kortstondig tot leven nadat hij abusievelijk was doodgeschoten op de set. Oliver Reed kon op vergelijkbare wijze in Ridley Scotts Gladiator (2000) zijn karwei afmaken, ook al was hij aan een hartaanval bezweken. De verongelukte Paul Walker keerde nog één keer terug uit het schimmenrijk voor enkele laatste shots van Furious 7 (James Wan, 2015).

In Rogue One is geen sprake van zo'n noodoplossing: de makers vonden duidelijk dat de film niet zonder Grand Moff Tarkin kon, noch zonder de man die hem in Star Wars IV gestalte gaf. Dat maakt de teruggehaalde Cushing tot de meest prominente synthespian tot nu toe, en alleen al daarom moest alles op alles worden gezet om hem tot in de kleinste details te laten kloppen.

De verongelukte Paul Walker keerde nog één keer terug uit het schimmenrijk voor enkele laatste shots van Furious 7 (James Wan, 2015).

Ook bij de huidige technische stand van zaken is in zo'n geval de aanwezigheid van een fysieke speler onontbeerlijk, omdat lichaamsbewegingen er veel te glad en kunstmatig uit blijven zien zolang ze enkel uit de computer worden getoverd. Voor Rogue One figureerde de Britse acteur Guy Henry met zijn postuur en schedelstructuur voor Cushing, om via de zogenaamde motion capture-techniek digitaal te worden overgeschilderd.

De mensen van Industrial Light & Magic doorplozen Cushings film-cv en met name Star Wars IV op beelden die ze op Henry konden plakken. Zodoende vonden ze ook de typische Cushing-tics die hun schepping reliëf moesten geven. 'Als Peter Cushing een aah-geluid maakt, beweegt hij zijn bovenlip niet', vertelde visual effects supervisor John Knoll aan The New York Times. 'Hij opent zijn kaak alleen maar half en maakt dan zo'n vierhoekige vorm met zijn onderlip, waarbij zijn onderste tanden zichtbaar worden.' Zonder dergelijke nuances zag de creatie in Rogue One er hoogstens uit als familie van Peter Cushing, aldus Knoll.

Verbeterpunten zijn er nog steeds: Cushing oogt wellicht iets te glad en maakt een weinig beweeglijke indruk. Dat laatste past bij zijn personage, maar ligt ook aan het basismateriaal dat voorhanden was. Cushing vond de laarzen van zijn personage zo oncomfortabel dat hij gedurende de opnames van Star Wars IV op slippers liep. Regisseur George Lucas en cameraman Gilbert Taylor moesten destijds dus bij elk shot van Cushing iets verzinnen om zijn voeten buiten beeld te houden en beperkten daarmee ook zijn mobiliteit in Rogue One.

Gevoelig

Vergeleken met zulke technische problemen is de verrijzenis van een acteur in juridisch opzicht vrij overzichtelijk. In Californië, waar Hollywood ligt, is het beeldrecht van beroemdheden voor 70 jaar na hun dood gerechtelijk beschermd. Wie de beeltenis van een (in Californië) overleden acteur wil gebruiken, moet toestemming krijgen van diens erfgenamen. In Groot Britannië geldt die juridische regel niet, maar de makers van Rogue One klopten fatsoenshalve toch aan bij de nabestaanden van Engelsman Cushing. Aangezien diens echtgenote niet meer leefde, kwam men uit bij Cushings assistent Joyce Broughton, die uiteindelijk flink schrok toen ze Cushing in Rogue One zag lopen en praten. 'Wat denk je dat dat met je doet, als je 35 jaar met die persoon bent opgetrokken?', zei ze tegen vakblad Variety.

Over het algemeen geldt dus: zolang de nabestaanden het best vinden (en goed genoeg betaald worden voor hun toestemming), mag je met dode acteurs doen wat je wilt. Het blijft niettemin uiterst gevoelig materiaal. Zelfs wanneer de aanwezigheid van een vergane vertolker zich inhoudelijk laat rechtvaardigen, zoals in Rogue One, blijft het gevaar bestaan dat de herrezen acteur als een zielloze gimmick wordt gezien die puur vanwege commerciële belangen uit zijn laatste rustplaats is gesommeerd.

Dat maakt het extra opvallend dat nou net in de reclamewereld veel vraag is naar dode acteurs: talloze sterren vonden lang na hun heengaan goedbetaald werk in commercials. Fred Astaire ging stofzuigers verkopen, John Wayne prees bier aan, Marilyn Monroe snoepte Snickers, Humphrey Bogart dronk Coca Cola Light.

Zelfreflectie

De filmwereld reflecteert ook zelf op de opkomst van de virtuele acteur. In S1M0NE (Andrew Niccol, 2002) zit een regisseur (Al Pacino) met de handen in het haar als de hoofdrolspeelster van zijn nieuwste film (Winona Ryder) er de brui aan geeft. Hij vervangt haar door een virtuele, niet van echt te onderscheiden en al snel griezelig populaire actrice. In Ari Folmans The Congress (2013) speelt Robin Wright een fictieve versie van zichzelf. Ze moet toezien hoe haar virtuele alter ego jaren later een grote ster wordt.

Op zich is die overdaad aan adverterende zombie-acteurs helemaal niet zo vreemd. Omdat bij zulke commercials een enorm budget gekoppeld is aan een filmpje dat hoogstens 2 minuten hoeft te duren, zijn ze het ideale testlab voor de (op dat moment) nieuwste digitale technieken. Voordat Peter Cushing terugkeerde in Rogue One, werd Audrey Hepburn al op vergelijkbare wijze tot leven gewekt in een commercial voor chocolade - fleurig flanerend alsof ze zo van de set van Roman Holiday (William Wyler, 1953) is gewandeld.

Tegelijkertijd is in de reclamewereld het gevaar van cinematografische lijkenpikkerij het grootst. Neem bijvoorbeeld de controversiële commercial uit 2013 waarmee martial arts-legende Bruce Lee, al 40 jaar dood maar opmerkelijk fris, ons een goed glas Johnnie Walker aansmeert. Terwijl Lee's dochter Shannon officieel toestemming gaf voor de commercial ('Een vindingrijke manier om het gedachtegoed van mijn vader te verspreiden'), spraken veel fans van heiligschennis: de koning van de kungfu dronk immers tijdens zijn leven geen druppel alcohol. De ondode acteur is altijd een pop die naar de pijpen van de maker danst, maar er is een limiet aan de kunstjes die je zo'n pop kunt laten doen.

Geen wonder dat wijlen Robin Williams een document liet opstellen waarmee hij ieder gebruik van zijn beeld of gelijkenis tot tenminste 25 jaar na zijn dood verbood; in ieder geval tot 2039 hoeft niemand bang te zijn dat hij als Mrs Doubtfire uit zijn graf zal kruipen. Tegelijkertijd laten steeds meer Hollywood-acteurs 3D-scans maken van hun lichaam. Die scan - Tom Cruise heeft er eentje liggen, in zijn kluis - kan dan later in hun post mortem-carrière goed van pas komen. 'De meer ervaren acteurs zullen op die manier controle krijgen over hun studiocontracten', zei Darren Hendler, digital effects supervisor van onder meer I, Robot (Alex Proyas, 2004) en Maleficent (Robert Stromberg, 2014), in 2014 tegen dagblad The Daily Telegraph. 'Ze krijgen meer zeggenschap over hun uiteindelijke digitale gelijkenis en hoe die wordt gebruikt.'

Brandon Lee in The Crow

Er valt dus een positieve draai te geven aan de hele ontwikkeling. Als acteur ben je straks niet meer door je stoffelijke toestand beperkt en al tijdens je leven kun je sleutelen aan de rollen die je na je dood wilt spelen. Vooralsnog moet dan wel met een beperking van het repertoire rekening worden gehouden. Nadat technische innovaties in avant-garde-producties en commercials zijn voorgekookt en ontwikkeld, bereiken ze de 'serieuze' mainstream-cinema meestal via een omweg: via genres die sowieso al drijven op trucages en effecten.

Een duidelijk voorbeeld is de computergestuurde verjongingskuur die Hollywood-acteurs steeds vaker ondergaan wanneer ze in een film een jeugdigere versie van hun personage moeten spelen. Dat kom je nu nog vooral in fantasy-, sciencefiction- en superheldenfilms tegen: Brad Pitt die een digitaal babyface kreeg in David Finchers The Curious Case of Benjamin Button (2008), Robert Downey Jr.'s twintigers-editie in Captain America: Civil War (Anthony en Joe Russo, 2016), de jonge Princess Leia in Rogue One, enzovoort. Maar zulke films bereiden ons intussen voor op het 'echte' werk, zoals Robert De Niro die tientallen jaren jeugdiger zal verschijnen in Martin Scorsese's prestigieuze gangsterdrama The Irishman, dat in 2018 moet uitkomen.

Iets vergelijkbaars gaat ongetwijfeld gebeuren met overleden spelers. Nu Rogue One heeft aangetoond dat een betreurde veteraan als Peter Cushing ook zonder kloppend hart complete scènes kan dragen, is het een kwestie van tijd voordat de (on)dode acteurs het schnabbelcircuit van de reclame ontstijgen en hun comeback maken in Oscar-waardige psychologische drama's, komedies en kostuumfilms. Aanvankelijk in bijrollen, later volop in de schijnwerpers.

George Clooney zoenend met Marilyn Monroe, Clark Gable in Gone with the Wind 2: alleen de toeschouwer moet lang genoeg leven om het mee te maken.


Dood maar niet uitgespeeld

Als een acteur overlijdt voordat een film klaar is, kun je bijna niet anders dan hem weer tot leven wekken. Soms zien producenten vooral dollartekens.

Peter Sellers in Trail of the Pink Panther (Blake Edwards, 1982)

Regisseur Edwards had nog ongebruikte opnames liggen en verzon allerlei scenario-kunstgrepen om de overleden Peter Sellers, 18 maanden na diens dood, nog één keer op te voeren als de stuntelende Inspecteur Clouseau. Sellers' weduwe beschouwde de film als een schandvlek op diens reputatie, klaagde de makers aan en kreeg een schadevergoeding van 1 miljoen dollar.

Peter Sellers in Trail of the Pink Panther

Laurence Olivier in Sky Captain and the World of Tomorrow (Kerry Conran, 2004)

In deze op computertrucages drijvende retro-SF-fantasie speelt acteerlegende Laurence Olivier de geheimzinnige slechterik Totenkopf - bijna dertien jaar na zijn dood. Voor Oliviers enige, Wizard of Oz-achtige scène bewerkten de makers archiefopnames uit diens jonge jaren.

Bruce Lee in Game of Death (Robert Clouse, 1978)

De regisseur van Bruce Lee-klassieker Enter the Dragon (1973) werd vijf jaar na Lee's overlijden ingehuurd om diens laatste project af te ronden. Naast archiefmateriaal van de echte Lee maakte Clouse gebruik van body doubles en doorzichtige trucages. Dieptepunt: de scène waarin een foto van Lee's hoofd op een spiegel is geplakt. Lee werd na zijn dood een geliefd object van hergebruik, tot en met zijn digitale verschijning in een Johnnie Walker-reclame (2013). Ook in Ip Man 3 (2015) wilde men hem virtueel tot leven wekken, maar daar staken zijn nabestaanden een stokje voor.

Bruce Lee in Game of Death

Brandon Lee in The Crow (Alex Proyas, 1994)

Brandon Lee, zoon van Bruce, raakte op de set van deze stripverfilming dodelijk gewond toen het pistool van zijn tegenspeler niet fatsoenlijk onklaar bleek te zijn gemaakt. De makers konden hun film voltooien door Lee's hoofd digitaal te projecteren op dat van zijn stuntman.

Paul Walker in Furious 7 (James Wan, 2015)

De opnames voor deel 7 uit de Fast and the Furious-reeks waren halverwege toen Paul Walker, een van de aanvoerders van de serie, omkwam bij een auto-ongeluk. Voor zijn resterende scènes werd Walker tot leven gewekt middels een combinatie van computertrucages, 'analoge' effecten en archiefmateriaal van hem en zijn twee, sterk gelijkende broers.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden