De deugd van het aardse geluk

In de 17de en 18de eeuw, tijdens de Verlichting, werd er volop over geluk gedebatteerd en groeide het thema zelfs uit tot een obsessie....

Amanda Kluveld

Ben je gelukkig? Dat is de afgelopen jaren vaak aan historicus Peter Buijs gevraagd. Enkele weken geleden verdedigde hij zijn proefschrift, De eeuw van het geluk, over het Nederlandse geluksdebat tijdens de Verlichting. Dat hem tijdens zijn onderzoek zo vaak naar zijn geluk werd gevraagd, is wel een beetje raar. Niemand vraagt aan een historicus die de geschiedenis van de criminaliteit bestudeert, of hij misschien zelf een misdadiger is. Het is daarom begrijpelijk dat Buijs, toen hem in het aan wetenschap gewijde radioprogramma Noorderlicht over zijn geluk werd ondervraagd, antwoordde dat geluk hem niet zo interesseerde. Hij onderzocht de geschiedenis van de opvattingen over geluk niet om daaruit een recept te destilleren om gelukkig te worden.

De onderzoeksvraag van De eeuw van het geluk is inderdaad van een geheel andere aard dan die van de hedendaagse geluksfilosoof. Buijs wilde weten op welke manier tijdens de Verlichting over geluk werd gedebatteerd en hoe het thema in de periode 1658-1835 internationaal maar ook in Nederland een ware mode, ja zelfs uiteindelijk een obsessie werd. Nooit eerder was er zo’n grote belangstelling voor geluk geweest. Het christelijk denken was wereldvliedend gericht op het hiernamaals en toonde daarom lange tijd weinig interesse in het aardse geluk van de mens. Dat omstreeks het midden van de 17de eeuw onder een kleine elite het besef ontstond dat de mens ook op aarde een gelukkig bestaan zou moeten kunnen leiden, duidt dan ook op een diepgaande mentaliteitsverandering.

Buijs probeert aannemelijk te maken dat deze enorme verandering in houding, denken en voelen samenhangt met elkaar versterkende en aanvullende veranderingen in de materiële, intellectuele en communicatiecultuur. Het gaat hem daarbij onder andere om het ontstaan van een consumptiemaatschappij, de ontwikkelingen in de natuurwetenschappen en het ontstaan van wetenschappelijke genootschappen en allerlei tijdschriften waarin debatten en verhandelingen over het thema geluk werden gevoerd en aan een groeiend publiek voorgelegd.

De verklaring voor de mentaliteitsverandering is zonder meer aannemelijk omdat zij gebaseerd is op een solide historiografie over dit onderwerp, maar zij is zeker niet het origineelste of spannendste wat Buijs’ studie te bieden heeft. De kracht van het boek is eerder gelegen in de uitermate zorgvuldige en heldere wijze waarop de ontwikkeling van de 18de-eeuwse bijdragen aan het denken en discussiëren over geluk in Nederland zijn geanalyseerd en in de context van het toenmalige internationale debat geplaatst.

De eeuw van het geluk laat zien hoe de klassieke notie dat geluk gelijkstaat aan deugd, in het midden van de 17de eeuw door een aantal geleerden werd omarmd. Dat was bepaald radicaal – Buijs noemt het zelfs revolutionair – omdat geluk niet langer gezien werd als het gevolg van Gods genade. De mens was in staat om voor zijn eigen geluk te zorgen.

In de 18de eeuw werd de gelijkstelling van geluk aan deugd gemeengoed. Dat het aanvankelijk radicale denken over geluk door steeds meer mensen werd geaccepteerd, hing samen met een verandering van het christelijk wereldbeeld waarbinnen geluk en christendom met succes werden verzoend. Door middel van tijdschriften en genootschappen bereikte het geluksdebat het maatschappelijk middenveld, waar nieuwe invalshoeken en benaderingen van het thema geluk ontstonden, zoals de koppeling van geluk aan tevredenheid.

Lange tijd bleven de verhandelingen over geluk abstract, maar omstreeks 1800 veranderde dit. Geluk werd steeds vaker gekoppeld aan gevoeligheid, individualiteit en persoonlijke geluksconcepten. Er kwam aandacht voor geluk in vriendschap, liefde, huiselijkheid en huwelijk. De gedachte dat het individu diende bij te dragen aan het geluk van de maatschappij, werd zo gaandeweg aangevuld met de opvatting dat dit zeker ook andersom het geval moest zijn. In de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring van 1776 werd the pursuit of happiness tot de onvervreemdbare rechten van de mens gerekend. En in Nederland werd in 1796 een voorstel gedaan om in de grondwet een artikel op te nemen met als strekking dat het oogmerk van de maatschappij het bevorderen van elkanders geluk moest zijn.

Ook vandaag wordt geluk als thema omarmd door politici en beleidsmakers. Zo staat er in de Miljoenennota dat het beleid voor de opgave staat om voorwaarden te scheppen voor het welzijn van komende generaties, ‘want Nederlanders behoren tot de gelukkigste mensen ter wereld’. Buijs laat op boeiende wijze zien hoe in de 18de eeuw de basis werd gelegd voor dit hedendaagse denken over geluk. Amanda Kluveld

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden