De decoder en de televisiewrok

Moeten sommige televisieprogramma's achter een decoder? Moet de mens tegen zichzelf worden beschermd? Het probleem is niet de domheid of de schaamteloosheid, maar het bombardement van programma's waarin alles gesmeerd verloopt: de semi-perfectie....

HET antwoord van de politicus Jaap de Hoop Scheffer is de decoder: een codicil in de vorm van een apparaatje waardoor de mondige burger zijn beslissingsbevoegdheid bij de overheid kan inleveren. 'Hierbij verklaar ik op voorhand gevrijwaard te willen worden van smakeloosheid, grof en zinloos geweld en andere stuitende tv-beelden die mij, mijn vrouw en kinderen onverhoeds kunnen kwetsen.'

Het is een ferm en plechtig antwoord, maar de kwestie blijft: op welke vraag? Jaap de Hoop Scheffer reageert zoals elk panellid met een beetje training zou doen in een willekeurig spelprogramma. Zoiets heet in televisietaal 'spontaan' of 'naturel'. In die zin is de man eerder een onderdeel van het probleem dan een oplossing. Want zijn instantmoralisme, z'n heilige, niet door argumenten geschraagde verontwaardiging, doet het vooral goed voor de camera. Het is een televisie-antwoord.

'Wat vindt u...?'

'Dit kan gewoon niet.'

'Zo sterk. Dit is gewoon fantastisch.'

Einde discussie, einde argument. Maar wat 'kan niet?' Welk beeld is gewoon 'gewoon' of ongewoon, en wat betekent dat? Zijn er grenzen aan het kijken en bekeken worden, en waar loopt die scheidslijn dan ongeveer?

En, eeuwige dooddoener uit Hilversum en Almere, wat is er gebeurd met de aan- en uitknop, die betrekkelijk eenvoudig te bedienen valt?

De Amerikaanse kunstenares Barbara Kruger schilderde een aantal jaren geleden een slogan op een groot doek; of eigenlijk was het meer een deemoedig gestelde vraag, aan een God die niet bestond, en die toch moest ingrijpen als het erop aankwam.

'Protect me from what I want'.

Laat in godsnaam iemand me tegen mezelf in bescherming nemen, tegen mijn hang naar verkeerde mannen en tv-programma's, tegen Jerry Springer die ik niet kan aanzien en toch trouw iedere avond bekijk, tegen de spelletjes waarin altijd alleen het onbenul wint, tegen de ranzigheid van het gluren per candid camera, het koekeloeren naar tragische tbs-gevallen in een bus, de liefdeloze seks, en vooral de lusteloze opwinding.

De oplossing, die zo via het Tell-Sell-net aan de man kan worden gebracht heet: de decoder. 'De overheid zal voor u doen wat u zelf niet meer kunt', zegt De Hoop Scheffer met zoveel woorden. En daarmee bezegelt hij niet het failliet van de televisie, maar van de individuele kijker en zijn wilsbekwaamheid.

Alles wat beweegt, kan bekeken worden. Maar willen we het ook zien? Denk ook aan onze kinderen.

Om met dat laatste te beginnen: als zo vaak worden minderjarigen weer als alibi gebruikt door volwassen mensen die hun eigen machteloosheid willen maskeren.

Het gevaar van de nabootsing is hier het veronderstelde probleem. Vandaag zien ze het op de tv of het scherm van de pc, en morgen slaan ze oude vrouwtjes tot bloedens toe op het hoofd, raken ze op 11-jarige leeftijd verwikkeld in een gang-bang, en meten ze zich de horkerigheid aan van Willibrord Frequin, waar hun ouders eergisteren nog zo om moesten gniffelen.

Uit deze redenatie spreekt vooral een overspannen idee over de leervaardigheid van kinderen, alsof het allemaal kleine Mozartjes zijn die iets maar een keer hoeven te zien of te horen om het in de praktijk te kunnen brengen.

Bovendien - en dat is misschien nog wel het meest huichelachtige aan het argument - denk ik dat jongeren veel minder machteloos staan tegenover beelden dan de generatie die zich nog het eerste zwartwittoestel kan herinneren. Wie is opgegroeid met de virtuele werkelijkheden van computers, videocamera's en camcorders is gewend aan het zogeheten 'levende beeld', dat misschien lijkt op de werkelijkheid, maar er niet mee samenvalt.

Het zijn de ouders en de ouderen die in verwarring raken, en die hun eigen onzekerheid projecteren op de jongste, ervaren kijkers.

'Ik wil niet dat jij ziet waar ik de kluts van kwijtraak' - daar komt het al te vaak op neer.

Ik mocht niet naar Bonanza kijken als kind (Amerikaanse serie over een veehoudende familie met personeel). Zinloos geweld bestond toen nog niet, dus het zal wel aan het gewone geweld gelegen hebben. Ik ging veel naar de buren.

Toppop - alleen als de ouders uit huis waren, en de 17-jarige oppas de macht overnam. Lieve Els, je gaf me Slade en Mud, nog wat namen die niet onvergetelijk bleken. Thuis vonden ze dat door Bach en een beetje Ravel de smaakpapillen afdoende gestimuleerd werden.

Dit verhaal speelt zo'n dertig jaar en geen driehonderd jaar geleden. Ik zeg het er maar even bij, en niet alleen omdat er in de zeventiende eeuw weinig televisie was.

De revolutie van de smaak van de afgelopen decennia is minstens zo indrukwekkend als die van de technische mogelijkheden. Wat geschikt is, hoogstaand, vulgair, beeldvernieuwend of juist beeldbedervend: er is geen standaard, de moraal moet ter plekke worden geïmproviseerd.

Gelukkig, ben je geneigd te zeggen, hebben we daarvoor televisie. Een medium dat als geen ander geschikt is om zichzelf in beeld te brengen, en te bediscussiëren.

Maar wat er ook op de tv gebeurt - geen zelfreflectie. Boeken worden geschreven, daarna gerecenseerd, en niet zelden volgt daaruit weer een nieuwe publicatie.

De tv straalt uit, zegt voor, lacht mee, kabbelt verder, zeurt door, maar wordt zelden of nooit tegengesproken. Sommige mensen verlaten boos de studio (vaak zijn het intellectuelen), en nemen zich voor nooit meer te kijken. Anderen zijn zo aangeslagen dat ze niet meer uit hun stoel overeind kunnen komen, en worden daarom voor het gemak maar aangeduid als fans, het trouwe kijkerspubliek, waarop de Hilversumse en Almeerse bazen zich altijd kunnen beroepen. 'Kijk naar de cijfers, dit is wat de kijkers willen.'

Ondertussen lijkt zich een soort natuurramp te voltrekken; televisie is. De makers verschuilen zich achter de kijkers, de kijkers achter het aanbod, en het aanbod is gek genoeg altijd knudde.

Zo is tv van een medium een monument geworden: het staat er nu eenmaal, en het is ook weer zowat om het hele zootje weg te ruimen.

De leer van de predestinatie die we met Calvijn hadden afgezworen, is per kabel weer tot ons gekomen.

Sinds een paar jaar ben ik niet alleen tv-kijker, maar ook tv-maker. Het is net als met hockey, kan ik u vertellen: zelf doen is leuker dan toeschouwer zijn.

Om maar met mijn grootste fascinatie te beginnen: op de tv kun je jezelf zien alsof je naar een ander kijkt. Je vangt je eigen schaduw, althans, zo lijkt het.

De oude droom van Narcissus, die zichzelf weerspiegeld zag in het water, is dubbel en dwars uitgekomen: niet alleen je gezicht, maar ook je nekpartij, je rug en je silhouet komen in beeld.

'Ken uzelf', zeiden de oude meesters, en de tv levert daar gratis de achterkant van het Zelf bij.

Dat is niet alleen een kwestie van ijdeltuiterij en egomanie, het is ook nieuwsgierigheid naar een bijna psychoanalytische techniek die de ultieme zelfkennis suggereert. Ik deel die obsessie met de deelnemers die niet kunnen wachten tot ze in bussen, boeien en gesloten huizen mogen stappen.

Ik weet alleen één ding - en die kennis is geloof ik wat minder wijdverbreid: dat wie op de tv komt, zichzelf niet kan zijn. Hoogstens kan zo iemand zichzelf spelen, of iets wat er verdacht dicht in de buurt komt.

Twee jaar geleden verging het mij niet best, om redenen die er nu niet toe doen: ik zat op de bank, verkreukeld en vermoeid, en ineens zag ik een kek mannetje op het scherm verschijnen, met veel meningen en een bijna onzichtbaar laagje make-up op zijn gezicht.

Dat mannetje had van alles te zeggen over depressies. Heel koel en verstandig.

Ik was dat mannetje: althans, ik was het geweest, een dag daarvoor.

Nu zat ik thuis, als de illustratie bij mijn zelf verwoorde ziektegeschiedenis.

Zelden heb ik de geliktheid van het beeld zozeer gehaat als toen; 'walgelijk, onzin, de leugen regeert', ik zei het onze koningin allemaal voor.

Sindsdien geloof ik dat het grootste probleem van de tv niet de wansmaak is, de domheid of de schaamteloosheid, maar het voortdurende bombardement van programma's waarin alles gesmeerd verloopt doordat de werkelijkheid op script staat. De semi-perfectie.

Bedoel ik dat de tv meer reality moet laten zien, zoals dat heet? Nog meer semi-spontane momenten? Integendeel.

In de mode laten de makers de naden zien, de zoom van een broek, de stiksels op een jasje, zonder dat ze alles achter de voering proberen te verbergen. Bij de tv geldt nog steeds als hoogste kunst de kunstmatigheid te verbergen.

Zo creëer je een cynische versie van het goede leven: het gerepeteerde leven, waaruit alle bloopers hardhandig zijn weggesneden.

Ik denk dat de meeste mensen heel goed weten waar hun leven ophoudt en de televisie begint.

Maar toch lijken wij, tv-kijkers, steeds meer op de bewoners van de South Bronx, die desolate wijk in New York, waar niets loopt zoals het zou moeten. Toch heb je vanuit dat getto een verbijsterend goed zicht op de koele, glazen perfectie van Manhattan, waar het hart van de wereld tikt.

Het is zo dichtbij, vanuit de Bronx: je kijkt er elke dag naar, en tegelijkertijd is iedere soap geloofwaardiger en nabijer dan dit uitzicht.

Dat is de wrok die de tv dagelijks genereert bij haar kijkers, met hun imperfecte levens. En echt, daar helpt geen decodertje lief aan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden