De daders mogen niet rusten

De omvang en betekenis van het Duitse verzet worden stelselmatig gerelativeerd. Ook de film Valkyrie bekrachtigt ten onrechte de overlevering uit de nazitijd dat de Hitler-opponenten een nietige minderheid vormden....

Otto Weidt (1883-1947) was een ‘stille held’. Zo omschrijft men in Duitsland de veelal anonieme eenlingen die hebben geprobeerd de terreur van Hitlers Derde Rijk te ontregelen. Weidt had allerminst een heldenstatuur: hij was broos, kortademig en bijna blind. Toch wist hij zijn Berlijnse fabriek voor borstels en bezems – gevestigd aan de Rosenthaler Strasse – tijdens de Tweede Wereldoorlog tot bloei te brengen. Dat kwam mede doordat hij als leverancier een preferente positie wist te verwerven bij grote warenhuizen. Maar ook doordat de Wehrmacht zijn bedrijfje kriegswichtig vond – belangrijk voor de oorlogsvoering.

Met dit brevet van onmisbaarheid kon Weidt in bange tijden bescherming bieden aan zijn werknemers: ongeveer dertig visueel gehandicapte Joden. Tweemaal werden ze opgepakt bij een razzia, maar beide keren wist hij hen weer vrij te krijgen – mogelijk na betaling van steekpenningen aan een corrupte Gestapo-officier. Een ooggetuige beschreef hoe Weidt ‘zijn blinden’ over de Hackescher Markt naar hun veilige haven terugvoerde.

Uiteindelijk kon hij hen niet voor het noodlot behoeden. In 1943 werd het voltallige personeel van de Blindenwerkstatt Otto Weidt overgebracht naar Theresienstadt. Daar voorzag hun weldoener ze vanuit Berlijn nog van voedselpakketten, maar uiteindelijk werden ze toch in 1944 naar Auschwitz afgevoerd. Weidt reisde hen na, in een laatste poging het onheil af te wenden. Ze waren wellicht al vermoord en gecremeerd toen Weidt bij de poort van het kamp hun kansloze zaak bepleitte. Eén lid van de groep, de (ziende) secretaresse Alice Licht, overleefde de gruwelen. Voor ze zich in Palestina vestigde, heeft ze nog korte tijd met Weidt samengewoond.

Fictie
Het museum dat sinds een jaar of tien in Weidts vroegere bezemfabriek is ondergebracht, is zeker zo indrukwekkend als Anne Franks Achterhuis in Amsterdam. Toch wordt betrekkelijk weinig ruchtbaarheid gegeven aan zijn bestaan – hetgeen verklaart dat het jaarlijks door slechts veertigduizend mensen wordt bezocht, een fractie van de miljoen bezoekers die het Achterhuis vorig jaar registreerde. Met de naam Otto Weidt zijn de meeste Duitsers niet vertrouwd.

Dit is tot op zekere hoogte het gevolg van weloverwogen beleid, geeft de conservator van het museum, Kai Gruzdz, toe. Enerzijds zou het hem verheugen als veel mensen kennis zouden nemen van Otto Weidts praktische naastenliefde. Aan de andere kant is in het land van de daders omzichtigheid geboden bij de omgang met de helden. Temeer omdat er zo weinig van waren. ‘Van de Duitse jongeren verkeert de meerderheid in de veronderstelling dat hun grootouders niet betrokken waren bij de misdrijven van het naziregime’, zegt Gruzdz. ‘Die fictie moeten we niet voeden door de uitzonderingen op de regel van medeplichtigheid nadrukkelijk te etaleren.’

Die opvatting is heel gangbaar in Duitsland. Maar niet bij ‘Otto Normalverbraucher’, de Duitse Jan Modaal. Met hem hoef je niet op voet van grote vertrouwelijkheid te verkeren om hem of zijn vrouw de uitspraak te kunnen ontlokken dat de Duitsers nu wel genoeg boete hebben gedaan en dat ze in hun zonden allerminst alleen stonden.

De officiële mening luidt niettemin dat de Duitsers collectief verantwoordelijk zijn voor de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog – ook die waardoor ze zelf zijn getroffen. Televisiedocumentaires over de vernietiging van Dresden in februari 1945 en de verdrijving van 12 miljoen Duitsers uit Midden- en Oost-Europa na de oorlog worden naar goed gebruik begeleid door de mantra dat de Duitsers de ellende over zichzelf hebben afgeroepen.

Op de vraag of de nazaten van de daders zichzelf ooit zullen ontslaan van wat zij ‘hun historische verantwoordelijkheid’ noemen, antwoordde Wolfgang Thierse, de vroegere voorzitter van de Bondsdag en beschermheer van het Holocaustmonument in Berlijn, ooit: ‘Dat zal pas het geval zijn als we daartoe nadrukkelijk door de overweldigde volken worden uitgenodigd. En dan nog betwijfel ik of we het thema laten rusten. De identiteit van ‘het goede Duitsland’ is er tenslotte nauw mee verbonden.’

Loepzuiver
Met de doctrine van de collectieve schuld is niet in overeenstemming dat in Berlijn zo’n tweeduizend Joden de oorlog hebben overleefd. De kring van helpers moet zeker het vijfvoudige hebben bedragen. Dat strookt ook met de waarneming van de 86-jarige Holocaustoverlevende Inge Deutschkron, auteur van het boek Ich trug den gelden Stern. Als onderduikster verkeerde ze weliswaar permanent in levensgevaar, ze heeft tot het einde van de oorlog echter steeds onderdak gevonden bij overwegend wildvreemde mensen.

Omvang en betekenis van het verzet worden echter stelselmatig gerelativeerd. In dat opzicht heeft de nazipropaganda zijn werk gedaan, schreef de historicus Johannes Tuchel, directeur van het Museum van het Duits Verzet in Berlijn, onlangs in Die Zeit. In de radiotoespraak waarmee Hitler op 20 juli 1944 liet weten eerder die dag een moordaanslag te hebben overleefd, schreef hij het begane ‘misdrijf’ toe aan ‘een heel kleine kliek eerzuchtige, gewetenloze en tegelijk misdadige en domme officieren’. In werkelijkheid ging achter de mislukte staatsgreep, aldus Tuchel, een omvangrijk sociaal en politiek netwerk schuil. Alleen van de eerste van de ruim vijftig processen van het ‘Volksgerechtshof’ werd verslag gedaan. De rest vond buiten de openbaarheid plaats, om de Duitsers in het ongewisse te laten over de ware achtergronden van de staatsgreep.

In de waarneming van het nageslacht was de coup het werk van een kleine groep adellijke officieren – mensen dus die twee verdachte hoedanigheden met elkaar verenigden. Aan de zuiverheid van hun motieven werd bovendien getwijfeld. Ze zouden zich pas tegen Hitler hebben gekeerd toen de militaire nederlaag zich aftekende. Met de tirannenmoord zouden ze slechts gunstiger voorwaarden voor een voortzetting van de strijd (hetzij in het Oosten, hetzij in het Westen) hebben willen creëren. Van de samenzweerders werd – meestal in strijd met de feiten – aangenomen dat ze Hitler aanvankelijk enthousiast hadden gesteund. Hun werd postuum aangerekend dat ze geen ‘loepzuivere democraten’ waren.

Pas sinds 2004 waardeert een meerderheid van de Duitsers de staatsgreep van 20 juli 1944 positief, zo bleek uit een enquête in Der Spiegel. Maar nog steeds gelden Claus Schenk graaf Von Stauffenberg en zijn medestanders als eenlingen, als vertegenwoordigers van de oude, keizersgezinde elite. Het ‘burgerlijke’ karakter van de verzetsbeweging – waarbij ook sociaal-democraten en andere vertegenwoordigers van de Weimar-democratie waren betrokken – wordt miskend.

Brede volksbeweging
Dat is ook het grote bezwaar van Tuchel tegen Valkyrie, de Hollywood-enscenering van de twintigste juli. ‘De fixatie op de heroïsche figuur van Von Stauffenberg (vertolkt door Tom Cruise, SvW) onttrekt het zicht aan de omvang van het verzet’, stelt hij. ‘De motieven van Von Stauffenberg zijn niet te begrijpen als men het civiele karakter van de staatsgreep niet onderkent. Natuurlijk was hij een nationalist die de desintegratie van het Duitse Rijk wilde verhinderen. Maar bovenal streefde hij het herstel na van de majesteit van het recht. Hij wilde Duitsland terugvoeren naar de beschaafde wereld. Hij wilde een moreel teken voor de geschiedenis stellen.’

Uit het Tom Cruise-vehikel blijkt daarvan te weinig, oordeelt Tuchel. Valkyrie bekrachtigt de overlevering uit de nazitijd dat de Hitler-opponenten een nietige minderheid vormden.

Waar het met betrekking tot het Derde Rijk van intellectuele moed getuigt om deze opvatting te weerspreken, wordt het verzet in de DDR – Duitslands ‘tweede dictatuur’ – juist als een brede volksbeweging gekenschetst. En ook daar zouden de Duitsers ‘best wat trotser op mogen zijn’, meent de vroegere DDR-dissident Rainer Eppelmann eerder deze maand tijdens een van de talrijke discussiebijeenkomsten die het herdenkingsjaar 2009 inluiden. Al geruime tijd voor 9 november 1989, toen in Berlijn de Muur werd geopend, gingen volgens Eppelmann meer dan een miljoen mensen de straat op. ‘Het volk heeft zichzelf bevrijd.’

Waren de Duitsers ten tijde van Hitler een volk van daders, ten tijde van de DDR waren ze volgens deze zienswijze een volk van weerspannige slachtoffers. Het heeft lang geduurd voordat dit inzicht ook deel ging uitmaken van de West-Duitse historiografie, gaf de vroegere Spiegel-verslaggever Ulrich Schwarz tijdens dezelfde bijeenkomst toe. Hij werkte in de jaren zeventig en tachtig enige tijd in de DDR. ‘In 1988 kreeg ik geen bonus van het blad omdat ik te veel over de oppositie en te weinig over de mainstream in de DDR had geschreven. Het een werd kennelijk geacht niets met het ander te maken te hebben. De Oost-Duitse oppositie werd, net als die in het Derde Rijk, als een marginaal verschijnsel afgedaan.’

Volgens de dwarse cultuursocioloog Detlef Pollack (zelf een Oost-Duitser) deed die zuinige voorstelling van zaken meer recht aan de werkelijkheid dan de gekoesterde ‘mythologie van de massaliteit’.

De actieve oppositie in Leipzig, de stad waar het protest zich in het najaar van 1989 van de kerken naar de straten verplaatste, telde volgens hem nooit meer dan driehonderd mensen, ofwel: minder dan 0,1 procent van de bevolking. Landelijk zouden ongeveer zevenhonderd ‘systeemcritici’ actief zijn geweest. In de nadagen van de DDR nam het verzet weliswaar massale vormen aan, maar dit werd vooral door materiële onvrede gedragen, niet door bezwaren tegen de democratische en morele tekorten van de DDR.

Trabantjes
Pollack wordt er door voormalige dissidenten van beticht hen met schijnbaar exacte informatie van hun verleden te willen beroven. ‘Ik was in 1988 al aanwezig bij een illegale protestvergadering in Leipzig die door drieduizend mensen werd bijgewoond’, zei voormalig burgerrechtenactivist Gerd Poppe tot genoegen van de verzamelde zielsverwanten. ‘Als deze stad slechts driehonderd dissidenten telde, vraag ik me af wie die 2.700 andere mensen waren.’ Later oogstte hij ovationeel applaus met de vaststelling ‘dat sommige mensen maar niet kunnen begrijpen dat we in de jaren tachtig de massa niet konden mobiliseren. We leefden tenslotte niet in een democratie.’


Daarmee zinspeelde hij op het grote verschil in perceptie van de eerste en de tweede dictatuur. Het Derde Rijk geldt onverkort als de meest totalitaire van alle dictaturen. Van de observatie van wijlen J.A.A. van Doorn dat het Duitse Rijk tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog een minder gesloten karakter had dan de DDR, hebben in Duitsland slechts weinigen kennis willen nemen. De Duitse fascismekenner Ernst Nolte is tot op heden verguisd omdat hij ruim twintig jaar geleden de jonge Sovjet-Unie als een bron van inspiratie van Hitler had gekenschetst, en daarmee ‘de uniciteit van de Holocaust’ zou hebben willen relativeren.


De DDR daarentegen wordt door de meeste jongeren aan weerskanten van de vroegere binnen-Duitse grens niet eens meer als dictatuur waargenomen. Als veelvuldig gebruikt decor van filmkomedies en als producent van aaibare Trabantjes heeft de DDR bijna twintig jaar na zijn verdwijning iets goedmoedigs over zich gekregen.


Dat verklaart mogelijk ook een andere ongerijmdheid: het feit dat Die Linke – de erfopvolger van de Socialistische Eenheidspartij van Walter Ulbricht en Erich Honecker – in de oostelijke en de westelijke deelstaten een zekere respectabiliteit heeft weten te verwerven, terwijl de vroegere dissidenten geen machtsfactor van betekenis meer vormen. Sommige eenlingen, zoals de voornoemde Rainer Eppelmann of de theoloog Richard Schröder, mengen zich met enige regelmaat in het publiek debat. Maar als groep zijn de vroegere burgerrechtenactivisten vrijwel onzichtbaar – hetgeen een late bevestiging lijkt te vormen van Pollacks these dat ze niet erg talrijk waren.


Het ontbreekt hun ook aan de verbluffende assertiviteit waarmee de vroegere daders – vroegere Stasi-officieren en SED-functionarissen – hun belangen behartigen en hun zienswijze op het recente verleden tot uiting brengen. Hun aanspraken op een staatspensioen zijn door het herenigde Duitsland doorgaans erkend. Als ze onder verwijzing naar hun grondrecht op privacy bezwaar maken tegen publicaties over de DDR-dictatuur waarin zij met name worden genoemd, vinden ze de rechter meestal aan hun zijde.


De gewezen dissidenten daarentegen voelen zich vreemdelingen in het herenigde, democratische Duitsland. Vertwijfeld stellen zij zich te weer tegen de desinteresse en de selectieve waarneming van hun landgenoten. De kerken ontlenen allang geen gezag meer aan het feit dat ze eind jaren tachtig de wegbereiders waren van de Wende. Bijna 70 procent van de Oost-Duitsers beschouwt zichzelf als ongelovig, tegenover slechts 15 procent van de bewoners van de ‘oude Bondsrepubliek’. De tweede dictatuur heeft niet alleen langer geduurd dan de eerste, ze heeft ook meer mentale sporen nagelaten.


De stille helden van 1989 kunnen misschien moed putten uit het feit dat de voorbeeldige ‘herinneringscultuur’ in Duitsland pas zo’n dertig jaar na de Tweede Wereldoorlog gestalte kreeg. Voorlopig kunnen zij zich troosten met de gedachte dat de DDR in de publieke waarneming weliswaar van haar grimmigheid is ontdaan, maar dat ook vrijwel niemand naar het verdwenen land terugverlangt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.