AchtergrondBRIEVEN VAN VINCENT VAN GOGH

De brieven van Vincent van Gogh zijn wijs, erudiet en genadeloos persoonlijk

Brief van Vincent aan Theo, met schets van ‘Zaaier met ondergaande zon’ (verso), Arles, circa 21 november 1888.Beeld Van Gogh Museum, Amsterdam

Van Goghs brieven, waarvan er momenteel veertig te zien zijn in het Van Gogh Museum, getuigen van een groot schrijverstalent.

Op 22 juni 1880 schreef Vincent van Gogh, gesjeesd predikant te Cuesmes (Henegouwen, België) en sinds kort in de weer met tekengerei, een brief aan zijn jongere broer Theo, kunsthandelaar in Brussel. Het werd een flinke lap. Er viel dan ook het een en ander recht te zetten. Een jaar eerder had Theo Vincent bezocht – een onderhoud met een doel. Het gezin Van Gogh maakte zich indertijd grote zorgen om de oudste zoon: na een schier eindeloze reeks voortijdig afgebroken baantjes was Vincent in een totale impasse beland. De praktischer ingestelde Theo was geïnstrueerd om zijn broer te stimuleren zijn leven weer op de rails te krijgen – een universitaire carrière, was dat niet wat? De poging bleek weinig vruchtbaar: de spanningen liepen zo hoog op dat de broers elkaar na afloop een tijdlang niet meer zagen of schreven. Nu, een jaar later, wilde Vincent het contact herstellen. De brief waarin hij alles op alles zette om zijn broer ervan te overtuigen dat hij geen ‘nietsnut’ was, was wat men noemt een hartekreet.

Een fragment: ‘Een vogel in het voorjaar weet heel goed waarvoor hij zou kunnen dienen; hij voelt heel goed dat er iets te doen valt, maar hij kan het niet. Wat het is herinnert hij zich niet goed, dan krijgt hij er een vaag idee van en denkt bij zichzelf: ‘De anderen bouwen hun nest en krijgen jongen en brengen ze groot’, en hij slaat met zijn kop tegen de tralies van de kooi. En de kooi blijft waar hij is en de vogel wordt gek van de pijn. ‘Dat is een nietsnut’, zegt een andere vogel die langskomt – dat is een soort rentenier.’

Het is een prachtige passage: trefzeker, beeldend, verhelderend, humoristisch toch ook wel (‘dat is een soort rentenier’). Er is sprake van onmacht, het wel willen maar niet kunnen, en de schaamte daarover, maar tegelijk is er het talent om die onmacht te analyseren, om haar in woorden te vangen en er poëzie van te maken. Het is deze combinatie van psychologische doortastendheid en literaire begaafdheid die je steeds weer naar Van Goghs brieven doet grijpen – dát, en vele andere redenen.

Willem Frederik Hermans merkte op over Van Goghs brieven – waaraan het Van Gogh Museum nu een expositie wijdt en waarvan recentelijk een herspelde, handzame uitgave is verschenen – dat als de kunstenaar geen enkel schilderij gemaakt had, we hem nu zouden hebben gekend als schrijver. En dat is niet overdreven gesteld. Van Goghs brieven (een mengeling van dagboekteksten, kunstbeschouwingen, natuurbeschrijvingen en filosofische overpeinzingen) zijn wijs, erudiet en genadeloos persoonlijk, een indrukwekkend praalgraf voor een menselijk hart, om met Isaak Babel te spreken.

Het geluk wil dat een van de actiefst corresponderende schilders van de 19de eeuw ook meteen zo’n beetje de best geconserveerde is. Liefst 820 van Vincents brieven zijn er overgeleverd, antwoorden van zijn penvrienden niet meegerekend. De eerste brief dateert uit 1872, toen Vincent 19 was en Theo 15; de laatste van zes dagen voor zijn dood. En het zijn geen kattebelletjes. Vincent op stoom, dan heb je het algauw over een woordje of vierduizend – de omvang van, zeg, een lijvig essay in De Groene Amsterdammer. Voor zijn vrienden en familie zal het soms wat veel van het goede zijn geweest. Was Vincent een 21ste-eeuwse man met een Twitteracount, dan had hij wellicht menige block voor zijn kiezen gekregen.

De lengte en de toon van zijn brieven zeggen veel over Van Goghs karakter, dat neigde naar het hyperactieve, op het manische af, maar ook over de plek die de brieven innamen in zijn leven. Die was van niet te onderschatten belang: zijn correspondentie was in feite zijn lifeline. Tijdens zijn langdurige, van gezelschap verstoken omzwervingen door Brabant, Drenthe, België en Zuid-Frankrijk vormden zijn brieven op veel momenten het enige noemenswaardige contact met zijn medemens. Zowel in financiële als in emotionele zin was de kunstenaar van zijn correspondentie afhankelijk – geen wonder dat veel van de geschriften eindigen met ‘schrijf weer eens spoedig als ge kunt’.

Voor een zenuwachtige en verloederd ogende figuur als Vincent was schrijven het meest geschikte communicatiemiddel. Het papier bood hem iets dat het leven daarbuiten hem amper bood: een podium dat altijd open was, zonder opgelegde druk en zonder joelend publiek. Binnen de vertrouwde hoeken van het briefpapier was er niemand die hem tegensprak of uitlachte – of die wegliep – en kon hij vrijelijk oreren. In de trage vorm van de geschreven dialoog kon hij zijn didactische ambities en docerende aspiraties de vrije loop laten en floreerden zijn kennis en welsprekendheid.

Brief van Vincent aan Theo met schets van ‘Bloeiend perenboompje’, Arles, circa 13 april 1888.Beeld Van Gogh Museum, Amsterdam

Een mooi voorbeeld van Vincent op zijn lerarenstoel is de brief die hij op 30 juli 1888 schreef aan de (veel jongere) schilder Émile Bernard. Deze heeft het in een moment van onnadenkendheid gewaagd zich laatdunkend uit te spreken over Rembrandt en Hals, wat hem komt te staan op een vermanend epistel van Vincents kant over deze ‘diamanten’. ‘Waarde vriend Bernard’, begint de brief, ‘Ik wil je beslist nog eens zeggen dat Baudelaire noch jij een voldoende duidelijk beeld hebben wat betreft Rembrandt.’ Volgt een uiteenzetting over Rembrandt en Hals, maar ook over Zola en Balzac, en de eregalerij van het Louvre, en de Republiek, ‘HEEL die roemruchte Republiek, uitgebeeld door deze twee productieve portretschilders’, en nog maar eens over ‘Rembrandt Harmensz van Rijn, een man die even ruimdenkend en naturalistisch en gezond is als Frans Hals zelf’ en zo meer. 

Bernard, die zijn opmerking waarschijnlijk allang was vergeten, zal de wenkbrauwen hebben gefronst bij zo veel ongevraagd college. Aan de andere kant: wat Vincent te zeggen had was boeiend, en werd met verve onder woorden gebracht.

Een reden voor ons om zijn brieven te lezen is om inzicht te krijgen in Vincents stormachtige ontwikkeling als schilder. Je volgt hem op de voet, van niets naar voortrekker, van de eerste schoolse natekensessies van anatomische platen (‘ik had u al vroeger geschreven maar had het te druk met mijn geraamte’) tot de laatste zinderende landschappen uit Saint-Rémy en Auvers. Beschrijvingen van het gevecht met de materie zijn talrijk, net als duidingen van het eigen werk, en typeringen van schilderijen van bewonderde collega’s, zoals deze van een schilderij van Israëls: ‘Een oude vrouw, in elkaar gebogen als een pak lorren, bij een bedstede waar ’t lijk van haar man in ligt. Laat men lullen van techniek wat men wil met farizeïsche holle schijnheilige woorden – de ware schilders laten zich leiden door die consciëntie die men sentiment noemt.

Zulke fraaie typeringen zijn een reden op zich om de brieven te lezen. Ze zijn legio. Een paard van Potter staat ‘diep terneergeslagen [in] de zachtgroene oneindigheid van de vochtige wei’; de gezichten van pokkenlijders in de haven van Antwerpen hebben ‘de kleur van gekookte garnaal’; een hut is ‘donker als een spellonk’. Soms lezen Vincents impressies als beschrijvingen van schilderijen die hij zelf maakte, of nog zou maken: ‘Het inrijden van het dorp was toch zo mooi’, schreef hij over een tochtje naar Zweelo, Drenthe. ‘Enorme mosdaken van huizen, stallen, schaapskooien en schuren. Hier zijn de woningen heel breed, tussen eikenbomen van een superbe brons. Tonen in het mos van goudgroen, in de grond van roodachtige [...] donkere lilagrijzen.

De energie en de hongerigheid in zulke beschrijvingen werken aanstekelijk. Hoe somber het beschrevene vaak ook is, en somber ís het, het effect op de lezer is allesbehalve deprimerend. Integendeel, Vincents proza werkt juist verkwikkend. Zijn rijke, stuwende taalgebruik heeft een vitaliserende uitwerking op het gemoed: je krijgt er zin van om zelf dingen te ondernemen. 

Het heeft ook te maken met ’s mans levensinstelling. Onze boy uit Zundert was een doorzetter. Hoeveel tegenslag hij ook ondervond, hij herpakte zichzelf steeds opnieuw. Hij leefde zogezegd tegen de klippen op, en wie zelf afwijzing, liefdesverdriet, gefnuikte ambities of een andere vorm van tegenspoed heeft gekend (en wie heeft dat niet?), kan zich aan hem optrekken. Zoekt u een literaire vriend om u op een machtige manier een hart onder de riem te steken, Vincent is uw man.

De nieuwe bundel brieven, Troost voor bedroefde harten, is de meest afgeslankte editie tot op heden. Ze is gebaseerd op de editie van 2009. Een stevige klus, vertelde Nienke Bakker, conservator in het Van Gogh Museum en een van de samenstellers; vooral Vincents kundige, maar idiosyncratische Frans stelde de vertalers vaak voor puzzels. De brieven zijn qua spelling en gebruik van interpunctie bij de tijd gebracht; de gallicismen en anglicismen, waar de veeltalige Vincent gul mee strooide, worden achterin vaak toegelicht. Sommige woorden, zoals ‘droogkloot’ (‘k heb altijd gedacht dat ge een droogkloot waart’), lijken aanpassingen, maar blijken bij nadere beschouwing direct uit Vincents pen afkomstig. Zulke taal gebruikte men toen kennelijk ook al.

‘Je liefhebbende Vincent’, Van Goghs mooiste brieven, Van Gogh Museum, t/m 10 januari 2021.

Nienke Bakker, Leo Jansen, Hans Luijten (red.): Troost voor bedroefde harten: brieven van Vincent van Gogh. Prometheus; 432 pagina’s; € 22,50.

‘Je liefhebbende Vincent’

Het Van Gogh Museum stelt momenteel veertig brieven van Van Gogh tentoon. De brieven, die vanwege hun kwetsbaarheid zelden worden getoond, en die van twee zijden te bekijken zijn, worden gepresenteerd naast kunstwerken die erin worden beschreven en geschetst, zoals De aardappeleters (1885) en De slaapkamer (1888). Een van die brieven betreft de recente aanwinst: de brief uit 1888 waarin Van Gogh en Gauguin beurtelings verslag doen aan hun vriend Émile Bernard van hun verblijf in het gele huis in Arles.

Drie kunstenaars over Van Goghs brieven

Constant Dullaart (41), conceptueel kunstenaar en curator

‘Ik heb Van Goghs brieven meerdere keren gelezen, en vooral hoe hij over reproductie nadacht, fascineert mij. Hij was er toen al mee bezig wat er gebeurt wanneer je een schilderij groter of kleiner afdrukt. Tegenwoordig denken we daar niet meer over na, maar in mijn werk komt het wel terug. Dat Van Gogh hier al mee zat, vind ik fascinerend. Daarnaast herken ik Van Goghs worsteling met de reacties op zijn werk. Als mensen de emoties achter een schilderij niet begrijpen, voelt dat ook voor mij heel onbevredigend. Ik kan, net als Van Gogh, heel erg in mijn kunst opgaan en wil dat het publiek dat ervaart. In zijn brieven beschrijft Van Gogh zijn frustratie als hij niet wordt begrepen, iets wat ik herken.’

Sam Drukker (62), kunstschilder en tekenaar

‘Er zijn weinig kunstenaars die zo rationeel over hun schilderproces kunnen schrijven als Van Gogh. In zijn brieven lees je zijn ontwikkeling als schilder, de stappen die hij doorloopt. De meeste kunstenaars, ikzelf incluis, zijn daar niet zo mee bezig. Ik maak dus vooral een buiging voor zijn zelfkennis. Voor mij waren de brieven vooral troostrijke literatuur. Van Gogh voelde zich onbegrepen als kunstenaar. Hij wordt gezien als eenzaam, maar in zijn brieven lees je dat hij dat eigenlijk niet was. Zijn broer Theo was er altijd voor hem. Er worden dialogen gevoerd. Er is altijd de aanwezigheid van de ander. Dat biedt troost. Ik heb de brieven verschillende keren gelezen, in elke levensfase lees je er iets nieuws in. Daarom heb ik ze ook aan mijn zoon cadeau gedaan.’

Wouter Venema (35), beeldend kunstenaar

‘Ik had veel meer aan de brieven van Van Gogh dan ik aanvankelijk dacht. Vooral een brief over tekenen raakte me. Van Gogh beschrijft daarin dat tekenen net een ijzeren muur is; aan de ene kant van die muur staat wat je kunt en aan de andere kant wat je wilt bereiken. Door te tekenen zou je die twee zijden met elkaar kunnen verbinden. Ik ga heel anders om met tekenen en experimenteer meer met andere materialen. Maar Van Goghs perspectief heeft mijn blik op tekenen verrijkt. Daarnaast herkende ik ook Van Goghs aandacht voor de natuur, de schoonheid van een simpele tak of grashalm, en het respect daarvoor. De brieven waren herkenbaar voor mij als kunstenaar en als mens.’ 

(Zoë Spaaij)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden