De brief aan de Romeinen

Een onverbiddelijk meesterwerk

In het begin van de vorige eeuw bracht een onbekende predikant uit een onbeduidend Zwitsers stadje, Karl Barth (1886-1968), de theologische wereld in beroering. Dat deed hij met de publicatie van zijn lijvige commentaar op de brief van Paulus aan de Romeinen. In 1917 kwam de eerste, je zou kunnen zeggen gematigde versie daarvan uit, maar hij herschreef het radicaal ('geen steen is op de andere gebleven') en publiceerde het opnieuw in 1922. Die tweede editie is nu voor het eerst in Nederlandse vertaling verschenen.

De betekenis van Barths De brief aan de Romeinen voor de twintigste-eeuwse theologie is vaak vergeleken met die van Heideggers Sein und Zeit voor de twintigste-eeuwse filosofie. Daar valt veel voor te zeggen, want beiden wilden met hun werk een soort paradigmawisseling in hun respectievelijke disciplines teweegbrengen: Heidegger met zijn wending naar het Zijn, Barth met zijn wending naar het Geloof. Beiden zijn ook ten diepste radicaal en polemisch: ze ontzien de traditie niet.

Er is nog een tegendraadse denker met wie Barth vaak in één adem wordt genoemd, en dat is Nietzsche. Barth heeft de boodschap van Nietzsche ter harte genomen en de consequenties ervan aanvaard. Barth gaat verder waar Nietzsche halt hield. De god die door de eerste werd doodverklaard, wordt door de laatste weer tot leven gewekt, maar dan in een heel andere gedaante. Met enige overdrijving zou je kunnen zeggen dat Barth de doodverklaring van god door Nietzsche post festum toejuicht: want het is juist een pseudo-god, een projectie van de mens die hier door Nietzsche de nek wordt omgedraaid, en niet de God zoals Barth zich die voorstelt.

Het is precies dit godsbeeld dat in De brief aan de Romeinen centraal staat. Barth bestrijdt alle theologie waarin God antropomorfe trekken vertoont: het beeld van God als de goede vader die zijn kinderen met zorg omringt, is hem een gruwel. In de schijnbaar tautologische formule 'God is God [...] de mens blijft mens, wereld blijft wereld' brengt Barth de onoverbrugbare kloof tussen God en mens (alleen in de gedaante van Christus is er enig contact tussen de twee sferen mogelijk) tot uitdrukking: God is het 'volstrekt andere' waarvan men geen beeld kan schetsen en waarover men zelfs niets kan zeggen. God staat buiten elke rationaliteit, hij is het ongrijpbare en onbegrijpbare bij uitstek.

Een ander punt waarop Barth in dit boek hamert, is het onderscheid tussen geloof en religie. Religie is volgens Barth een cultuurverschijnsel, het geheel van dogma's en rituelen waarin de mens zijn relatie met God vorm geeft. Geloof is iets heel anders: het is de mogelijke reactie van de mens op de openbaring van God. En ook op het punt van de openbaring gruwt Barth van alle zoetsappige terminologie. In een krachtige metafoor vergelijkt hij de openbaring van God met de inslag van een komeet: het enige wat achterblijft is een diep gat, een leegte. Elk direct verband tussen openbaring en gelukzaligheid wordt door Barth ontkend: Gods openbaring en het menselijke heil staan niet in een oorzakelijke relatie met elkaar.

Eigenlijk hoef je er, zo lijkt Barth te willen zeggen, niet eens zo blij mee te zijn als God zich aan je openbaart. De openbaring doet zich namelijk voor in de vorm van een crisis. Het eerste wat God tegen de mens zegt is 'nee', waarmee hij een veroordeling uitspreekt over de godsvervreemding van de mens, met andere woorden over de weigering van de mens zich aan Gods wil te onderwerpen. In dit aanvankelijke 'nee' ligt niettemin de genade besloten: God keert zich immers niet van de 'onheilige' mens af, hij blijft zich hardnekkig tot hem richten. Maar de genade is een thema dat Barth pas in zijn latere werk aan de orde stelt; in De brief aan de Romeinen concentreert hij zich op het 'nee' als zodanig en spreekt hij onverbloemd over de onmogelijkheid van de genade. De theologie die Barth hier ontwikkelt, is een onverbiddelijke, keiharde theologie - lat

er zou hij toegeven dat zijn vroege leer misschien iets te 'onmenselijk' was uitgevallen.

De brief aan de Romeinen geldt niet alleen als een monument in de theologie van de twintigste eeuw, maar ook als een literair meesterwerk, en dat met name vanwege Barths volstrekt eigenzinnige, robuuste, bijna expressionistische stijl. Deze stijl is door vertaler Mark Wildschut op voorbeeldige manier in het Nederlands overgezet, zodat men nu niet meer het Duits machtig hoeft te zijn om deze aangrijpende leeservaring te ondergaan. De zorgvuldige tekstbezorging en de werkelijk schitterende typografische vormgeving (kennelijk geïnspireerd op de fameuze Freud-editie van dezelfde uitgever) maken het feest voor de lezer compleet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden