De borende benadering van Boulez

Pierre Boulez is 75 geworden en jawel: net als vijf jaar geleden wordt de verjaardag gevierd met een reusachtige concertreis....

PIERRE Boulez, componist, dirigent, essayist en muzikaal geweten van de twintigste eeuw, ziet niets in biografieën. 'Het belang is nihil. Tussen biografie en werk bestaat slechts een zeer dun en pover verband', herhaalde hij aan de voor avond van een engagement in het Amsterdamse Muziektheater, waar hij in 1995 Schönbergs opera Moses und Aron dirigeerde.

Dat was het jaar waarin Boulez' zeventigste verjaardag aanleiding was tot een wereldtournee, waar vijf orkesten en het Ensemble InterContemporain aan meewerkten.

Toen Boulez zelf het onderwerp werd van een biografie, had hij het geluk dat die uit de koker kwam van Joan Peyser, een Amerikaanse schandaalchroniqueuse die het eerder al eens voorzien had op de neuroses van Leonard Bernstein - ooit Boulez' voorganger bij The New York Philharmonic. Inzake Boulez kwam ze niet verder dan iets dat Boulez zelf zonder veel tegenspraak kon verwerpen als 'gossip, en dan alleen New Yorkse gossip, wat zeer provinciaals is'.

Berucht was zijn optreden in een Amerikaanse televisieshow, waarin hij weigerde zijn geboorteplaats te noemen.

Nu Boulez volgens Bartjens (en volgens het geboorteregister van Montbrison in het departement Loire) 75 is geworden, is er opnieuw sprake van een reusachtige concertreis. Zeventig optredens in Europa en de VS, onder het motto Boulez 2000. Behalve het Ensemble Intercontemporain zijn The London Symphony Orchestra en het orkest van Cleveland van de partij.

Deutsche Grammophon brengt er zes producties bij uit, met muziek van Stravinsky, Mahler, Bruckner en Boulez zelf. Plus een modeluitgave van het complete werk van Boulez' idool Anton Webern - waarbij Boulez het typische kamermuziekwerk overigens heeft overgelaten aan musici als Krystian Zimerman, Clemens Hagen en Gidon Kremer.

Dan nóg iets verrassends: een bloemlezing onder de titel Boulez, The Artist's Album. Het is een cd met veertien uitsneden uit de intrigerende, door sterk persoonlijke repertoirekeuzes omlijnde DG-discografie, van de man die 'met het heden begon, en naar het verleden toegroeide'. Het verrassende is dat de geluidsdrager geklemd zit in een boekje, waarin ook een soort biografietje is opgenomen. We lezen dat Boulez, geboren in maart '25 in een goedburgerlijke familie in de provincie, toelatingsexamen deed aan het conservatorium van Lyon. Hij zakte. Twee jaar later deed Boulez toelatingsexamen in Parijs. Hij zakte opnieuw.

Dat klinkt dramatisch, maar vergelijk het met Einstein die tweemaal zakt voor een examen brommertheorie. Pianospel zal niet Boulez' sterkste punt zijn geweest. Hij studeerde hogere wiskunde toen hij, zestien jaar oud, in Lyon voor het eerst van zijn leven een levend orkest hoorde.

De rest is wat men noemt history: privé-ontmoetingen met de componist Messiaen; toehoorder bij diens harmonieklas aan het Conservatoire; zaterdagse lessen bij de Schönberg- en Webernkenner René Leibowitz; toneelmuziek voor het gezelschap van Jean-Louis Barrault. Tot zover wil ook Deutsche Grammophon het nog wel noteren in The Artist's Album.

Dat Boulez vervolgens cursist, docent en middelpunt was van festivals in nieuwemuziekcentra als Darmstadt en Donaueschingen, en dat hij van daaruit, gewapend met onderzoekersinstinct en een verbluffend intellect, het Europese avant-gardeklimaat volledig naar zijn hand zette en samen met Stockhausen en Luigi Nono een complete stroming catalyseerde, wordt door DG kennelijk van minder belang geacht. Met bijzaken als Structures pour deux pianos (1952), of randinformatie over het epochmakende Le marteau sans maître voor alt en ensemble (1953-'57) wenst men de lezer/koper in ieder geval niet te vermoeien.

Liever houdt DG het op Boulez' dirigeren. 'Ik was boven de dertig toen ik voor het eerst voor een orkest stond', zo wordt Boulez goedmoedig geciteerd. 'Dus een 'jonge dirigent' ben ik nooit geweest.'

Het verloop van Boulez' dirigentencarrière heeft inderdaad zijn verbazingwekkende kanten. Debuut in 1956 in een onmogelijke plaats als Caracas; invalbeurten voor de zieke maestro en held van de avant-garde Hans Rosbaud in Brussel, bij de Südwestfunk en bij het Concertgebouworkest in Amsterdam (het Residentie Orkest wordt even over het hoofd gezien). Gastdirecties op uitnodiging van George Szell in Cleveland; invallen met Wagners Parsifal in Bayreuth '66; chef in New York en een post bij de BBC; eeuwfeest-Ring in Bayreuth. Steeds weer was er een spectaculaire stap, tot en met de oudedagsbekering tot Mahler en Bruckner, op uitnodiging van de Wiener Philharmoniker.

Dat het unieke van Boulez' vertolkerskunst - zijn borende, vaak voor 'analytisch' versleten manier van benaderen - zijn verklaring heeft in Boulez' existentie als componist, is een chapiter dat de geïnteresseerde op eigen houtje mag uitdenken.

De sleutel tot beide is Anton Webern. Weberns oeuvre, een 'essentiële toetssteen', zoals Boulez zelf aangeeft in een voorwoord bij zijn nieuwe Webern-integrale op cd, heeft 'mij en veel andere musici als het ware gedwongen stelling te nemen, en onszelf aan onszelf te onthullen'. Het is Boulez-de-musicus die dit schrijft. Boulez-de-componist schrijft er onzichtbaar aan mee.

Als het componeren van Boulez ondenkbaar is zonder het voorbeeld van Weberns 'extreme concentratie van idee en expressie', dan is het dirigeren van Boulez ondenkbaar zonder de extreme passie voor het detail van de componist Boulez - zoals die zich bijvoorbeeld manifesteert in de Dialogue de l'ombre double (samen met Boulez' Répons te vinden in een DG-project met nieuwe muziek, de serie '20/21').

Boulez nam al eens een complete Webern op. Ditmaal is het een 'complete complete Webern', met inbegrip van stukken zonder opusnummering. Zoals het vroege Im Sommerwind en de vijf orkeststukken uit 1913.

Nu de romantische wortels van de twintigste-eeuwer Webern royaal in het beeld zijn opgenomen, hebben ook de ascetische, modernistischer monumenten van Webern, zoals de orkestvariaties opus 30 en de symfonie opus 21, in Boulez' nieuwe uitvoering een onnavolgbaar sensitieve, romantisch angehauchte uitdrukking. Dat viel te verwachten, maar de mate waarin het Boulez en de Berliner Philharmoniker is gelukt, zonder Weberns ascese geweld aan te doen, is verbluffend. Het geheim zit in een absolute aandacht voor het individuele motief, in een onkreukbare scheiding van hoofd- en bijzaken, maar op zo'n manier dat ook de bijzaak zich met opperste bezieling profileert.

Dat maakt ook Boulez' wandelingen door het oeuvre van Mahler - wiens Symfonie nr 4 nu ook 'Boulez 2000' heet - tot adembenemende excercities. Dat Boulez de Psalmensymfonie en de Symfonie in drie delen van Stravinsky neerzet volgens een onnavolgbaar recept van transparantie en zware voortgang, is 'on-Frans' te noemen. We vergeten Montbrison en de Loire.

Boulez 2000: Webern, compleet werk (6 cd's). Stravinsky, Psalmensymfonie e.a. (1 cd) Mahler, Symfonie nr 4. (1 cd) Pierre Boulez, The Artist's Album (cd en boekje). Deutsche Grammophon.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden