Beestje van de week

De boerenzwaluw, een soepele vlieger

De populaire rubriek ‘Beestje van de week’ is na zeven jaar terug. Caspar Janssen schrijft weer iedere woensdag een miniportret van een dier dat op dat moment te zien of horen is in Nederland. Vandaag: de boerenzwaluw.

null Beeld Margot Holtman
Beeld Margot Holtman

Alweer een jaar of zeven, acht geleden schreef ik gedurende anderhalf jaar wekelijks een portret van een dier uit de Nederlandse natuur. Aan de hand van een interview met een kenner of onderzoeker van het betreffende dier. Dat resulteerde in 65 verhalen, waarin ik zowel de aard van het beestje als de aard, het werk en de betrokkenheid van de kenner probeerde te schetsen. De rubriek droeg de titel ‘Beestje van de week.’ De verhalen werden gebundeld in een boek met de titel In de ban van het beest.

Het is altijd de kunst om het goede moment te kiezen om met een rubriek of column te stoppen. Liever te vroeg dan te laat. De lijst aan nog te behandelen dieren was nog eindeloos toen ik ermee ophield, maar ik vreesde voor een gebrek aan bijbehorende kenners.

Dus bleef ik zitten met een flinke wensenlijst aan dieren. En af en toe kwam de gedachte op aan een vervolg. Enige urgentie zit daar wel bij, want zo goed gaat het niet met de meeste diersoorten, wereldwijd en in het bijzonder in Nederland. Daar kan niet genoeg aandacht voor zijn. Tegelijkertijd is het vermogen om zich aan te passen van dieren, om te overleven bij veranderende omstandigheden, minstens zo fascinerend. In deze nieuwe variant is het streven niet om het totale dier te schetsen. Ik zal me richten op een of meer kenmerkende of typerende elementen. Op basis van literatuur, eigen waarneming en gesprekken met kenners. Dat is al ambitieus genoeg.

null Beeld Margot Holtman
Beeld Margot Holtman

Het is wel de bedoeling om dieren te beschrijven op het moment dat ze ook het best te zien, te horen of te vermoeden zijn. Zo doen we toch ook een beetje recht aan de actualiteit, en heeft de geïnteresseerde wandelaar – en wie is dat tegenwoordig niet – er wellicht ook nog iets aan.

Het is altijd de kunst om het goede moment te kiezen om met een nieuwe natuurrubriek te beginnen. In de winter is de toestand nog overzichtelijk, dan zijn we namelijk blij met elk dier dat zich doet gelden. Met de spechten die er vanaf januari al op los roffelen, of met de hazen die gaan rammelen in februari. Maar je kunt ook gewoon met de deur in huis vallen, nu dus, als de lente volop losbarst. Dat geeft enige keuzestress, maar het is wel zo feestelijk.

null Beeld Margot Holtman
Beeld Margot Holtman

Over het dier in de eerste aflevering hoefde ik niet lang na te denken. Deze eerste extra lange aflevering moest gaan over een dier dat in april het landschap in Nederland in al zijn sierlijkheid en beweeglijkheid weer tot leven brengt. Hij is zo vanzelfsprekend aanwezig dat je bijna zou vergeten hoe bijzonder hij is (zie de illustratie van Margot Holtman).

Vanaf volgende week krijgt deze rubriek dan zijn vaste, bescheidener vorm. Met naast vogels en zoogdieren ook veel kleinere dieren, want die komen er vaak maar bekaaid vanaf in de publiciteit.

Boerenzwaluw

null Beeld Margot Holtman
Beeld Margot Holtman

Het begint druppelsgewijs, in maart, en dat maakt nog geen lente, maar in april vliegen ze in golven ons luchtruim binnen, honderdduizenden boerenzwaluwen, ze verspreiden zich over het land, nemen bezit van stallen, van schuurtjes, van de spanten en balken in de boerderijen, vrolijk kwetterend, althans in de ogen en oren van mensen. Opeens vliegen ze weer hun sierlijke vluchten vlak boven het maaiveld en boven sloten en vaarten, al jagend op insecten. Het plaatje is weer ingetekend, het land, het boerenerf komt tot leven. Je zou bijna het woord gezellig gebruiken.

Het is geruststellend, die terugkeer van de boerenzwaluwen uit Afrika, na een vlucht van achtduizend kilometer of meer: het klopt nog, ze zijn er weer, het is gelukt, ze hebben de reis overleefd, er is niets ernstigs aan de hand. Hij (zij ook trouwens) is een graag geziene gast. Altijd geweest ook. Geluksbrengers, volgens de overlevering. Met het broeden van de boerenzwaluwen in de stallen gaat het gewas weer groeien en krijgen de koeien gezonde kalveren, dat idee. En al werkt dat bij de hedendaagse industriële landbouw anders, de boerenzwaluw is nog altijd best welkom bij boeren, al is het maar omdat hij veel insecten eet.

Bij vogelliefhebbers is het altijd een momentje, de terugkeer van de zwaluw. Met de tjiftjaf, fitis en de zwartkop vormt hij de ‘voorjaarsvierling’, als die vier soorten zijn afgetekend dan volgen niet lang daarna alle andere trekvogels. In 2018, toen ik door het land liep, hield ik het een beetje bij. Mijn eerste boerenzwaluw zag ik op 6 april, in de Achterhoek. Echte vogelaars zijn er eerder bij.

Hij is wat je noemt een cultuurvolger. Een vogel die profiteert van menselijke activiteiten. Oorspronkelijk nestelde hij (zij) in rotswanden en grotten, daarna trok hij mee met de migrerende mens, duizenden jaren deed hij dat, hij kon nestelen in, op of onder de bouwwerken van de mens, op zolders, in stallen, onder bruggen, in schuurtjes. Hij ontwikkelde een voorkeur voor boerderijen met dieren, met een ruim aanbod van insecten. Hij komt wereldwijd voor, de echt koude streken uitgezonderd.

Je probeert het je voor te stellen, die honderdduizenden zwaluwen die in april ons land binnen vliegen, en die allemaal precies weten waar ze naartoe moeten, naar de broedlocatie van het jaar daarvoor. Want boerenzwaluwen zijn plaatstrouw, ook de jonge boerenzwaluwen zoeken hun nieuwe nestplek dichtbij hun geboorteplek, binnen de paar kilometer. Dat je als boer weet dat de terugkerende zwaluwen ook echt bekenden zijn, dat lijkt me mooi.

De boerenzwaluw geldt als één van de meest bestudeerde vogelsoorten. In Nederland gebeurde dat in de laatste dertig jaar vooral door Bennie van den Brink, hij deed het naast zijn werk op een school. Als kind al werd hij gegrepen door de boerenzwaluw, op de boerderij van zijn ouders. ‘Dat die zwaluwen ons opzoeken, dat ze bij ons willen horen, die vertrouwde aanwezigheid in de stallen en op het erf.’ Al op jonge leeftijd kreeg hij een vergunning om vogels te ringen. Als de zwaluwen in augustus ineens weer weer weg waren vroeg hij zich af: ‘Waar zijn ze heen?’ Naar Afrika, dat was al wel bekend, maar nog niet zo heel lang. Eeuwenlang geloofden mensen en ook natuurwetenschappers dat de zwaluwen in de winter gewoon in het land bleven, dat ze zich dan in de modder onderdompelden of dat ze op andere onzichtbare plekken in winterslaap gingen.

null Beeld Margot Holtman
Beeld Margot Holtman

Dat die iele vogeltjes duizenden kilometers, over zeeën en woestijnen, konden vliegen leek onvoorstelbaar. In Engeland liep het dispuut over de kwestie - waar zijn de zwaluwen heen? - hoog op, en bleef eeuwenlang onbeslist. Pas in 1912 werd het definitieve bewijs voor de vogeltrek geleverd middels een geringde vogel die in Zuidafrika werd aangetroffen.

Bij Bennie van den Brink riep de vraag een passie op voor de vogeltrek. Hij vroeg zich af: waar overwinteren de ‘Nederlandse’ boerenzwaluwen? Hij reisde verschillende keren naar de overwinteringsgebieden, in Zambia, in Botswana en in andere West-Afrikaanse landen.

Ook daar bleken ze plaatstrouw. De opwinding als hij in eerder jaren geringde vogels op precies dezelfde plek terugvond. En de aanblik van meer dan een miljoen zwaluwen, die allemaal tegelijk de lucht in gingen, vanaf hun slaapplaatsen in rietvelden, een miljoen zwaluwen jagend op mieren en termieten. ‘Ervaringen die je nooit vergeet.’ Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw kon de boerenzwaluw goed leven met de mens, maar in de jaren zeventig en tachtig kelderden de aantallen. Oorzaken, kortweg: de intensivering van de landbouw en het gebruik van gifstoffen. Nog in 2015 vonden onderzoekers van het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM) veertien soorten gif in niet uitgekomen zwaluweieren. De oorzaak kan deels in Afrika liggen. De laatste twintig jaar is het aantal broedparen in Nederland stabiel op een lager niveau. Wel ziet Bennie van den Brink nog iets zorgwekkends: ‘De gemiddelde leeftijd van de broedvogels daalt. Vroeger werden zwaluwen soms wel zeven of acht jaar oud, nu worden ze in mijn studiegebied niet ouder dan vijf jaar.’ Ook het aanbod van geschikte nestplekken is veranderd. Boerenzwaluwen moeten het hebben van open stallen, maar varkens- en kippenbedrijven zijn tegenwoordig hermetisch afgesloten, daar kan geen zwaluw meer in. Daar staat tegenover dat boerenzwaluwen profiteren van de explosie van het aantal paardenhouders, vanwege de bijbehorende lage stallen met balken en de kruiden- en insectenrijke paardenlandjes. Ideaal voor zwaluwen: de combinatie van open stallen met veel balken en beschutte en donkere hoekjes, en weilanden die ‘natuurlijk’ beweid worden, kruiden- en insectenrijke weilanden. Weilanden zonder koeien, waar slechts raaigras groeit, hebben de boerenzwaluw weinig te bieden. De boerenzwaluw staat dus ook een beetje symbool voor een mooi en soortenrijk boerenland.

En dan loop je op een boerenerf, of sta je in de loopstallen voor de koeien, de zwaluwen vliegen af en aan, druk kwetterend. Het doet gezellig aan, maar in werkelijkheid wordt er hard overleefd. Zwaluwen zijn vechtertjes als het moet, ze stellen zich fel te weer, vaak groepsgewijs, tegen echte of vermeende predatoren, zoals uilen en andere roofvogels, maar ook mussen. En ook onderling gaat het er hard aan toe, mannetjes kunnen elkaar om de gunst van een vrouwtje bestrijden tot de dood erop volgt. Doorgaans brengen boerenzwaluwen twee legsels groot, het eerste legsel heeft vijf of zes eitjes, gemiddeld vliegen er vier of vijf jongen ook werkelijk uit. Het tweede legsel is iets kleiner. Er wordt gewoon gewerkt, in die stallen maar ook daarbuiten, de hele dag door insecten verzamelen en dan ook nog het nest verdedigen.

De boerenzwaluw brengt de dag vooral vliegend en jagend door, hij zwenkt eigenlijk altijd uit beeld, maar soms lukt het om hem wat beter te bekijken. Roestrode kin en voorhoofd, de blauwzwarte bovenkant, vuilwitte onderkant. Maar vooral een ranke verschijning, met opvallend lange staartpennen en relatief grote vleugels. Als die vleugels tegen het lichaam liggen kun je er een lucifer in zien, zoals een importeur van lucifers deed. Wat je vooral ziet: een soepele vlieger, gemaakt om behendig te manoeuvreren, en om snel lange afstanden af te leggen, tot wel vierhonderd kilometer per dag, van en naar Afrika.

Dat soepel, behendige vliegen, het is nu overal te zien in het cultuurnatuurtheater. Tot in september. In mijn aantekeningen uit 2018 vind ik het terug, mijn laatste zwaluwen van dat jaar, in augustus, een hele groep, naast elkaar op een elektriciteitsdraad, ergens in de Krimpenerwaard. Wat ik pas later begreep: dat is wat ze doen, zich langzaamaan verzamelen voor de grote reis naar het zuiden.

Te zien: vanaf eind maart tot september. In het hele land, uitgezonderd bossen en steden.

(balkon). In de rubriek ‘Beestje van de week’ schrijft Caspar Janssen iedere woensdag een miniportret van een dier dat op dat moment in de Nederlandse cultuurnatuur te zien, te horen of te vermoeden valt. Met een illustratie van Margot Holtman. Volgende week: de aardhommel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden