De blauwe nacht

Siebelink herontdekt J.K Huysmans in clichématige roman

In 1884 verscheen wat genoemd wordt de Bijbel van het decadentisme: À rebours van de Franse auteur J.K. Huysmans. Deze geschiedenis over de neurotische edelman Des Esseintes die zich afkeert van de burgermaatschappij was program en roman ineen en inspireerde menig auteur tot nieuwe verhalen.

Ook voor Jan Siebelink bleek het een belangrijk boek. Hij ontdekte À rebours tijdens zijn studie en vertaalde het. Bijna 100 jaar na publicatie verscheen het onder de titel Tegen de keer (1976).

Goeddeels is het de verdienste van Siebelink geweest dat deze tekst toegankelijk is gebleven voor een nieuw publiek. Bijna vier decennia later brengt hij het werk van Huysmans opnieuw onder de aandacht. In zijn roman De blauwe nacht volgen we Simon Aardwijn die hoopt te promoveren met onderzoek naar het werk van Huys-mans en diens tijdgenoten onder wie Emile Zola, Odilon Redon, Gustave Moreau.

Siebelinks roman speelt zich af in het Parijs van de jaren zestig. Politiek gezien is het een onrustige tijd. Voor- en tegenstanders bevechten elkaar om de onafhankelijkheid van Algerije. Aanslagen zijn aan de orde van de dag. Het lot van de 4-jarige Delphine Renard, die bij een aanslag op de schrijver/politicus André Malraux zwaar gewond raakt, trekt Aardwijn zich zo sterk aan dat hij zich met haar vereenzelvigt, wat op den duur best larmoyant wordt.

Naast alle politieke deining is er veel amoureuze opwinding waardoor Aardwijn, gehuwd met Martha en vader van de volwassen Elsa, in beslag wordt genomen. Siebelink omschrijft zijn protagonist als iemand die altijd kijkt wat er 'mogelijk' is als hij een vrouw ontmoet. Merkwaardig genoeg is dat vrij veel. Een dame die hij op het terras ontmoet, Judith, wordt zijn minnares, evenals de vrouw van zijn promotor. Zelfs zijn dochter doet broeierig als Simon in de buurt is. En dan zijn er nog de zwarte prostituees die al even dol op hem zijn. Een dergelijke figuur werd door Siebelink eerder beschreven in Suezkade (2008), een roman over een leraar Frans die almaar bezig was met de liefde.

Wonderlijk is al die vrouwelijke aandacht voor de persoon van Simon wel. De man is sterk op zichzelf gericht, narcistisch en heeft ondanks zijn studie nauwelijks inhoudelijke conversatie. Zeker niet voor de geletterde meisjes die hij begeert. Tel daarbij op dat hij de ene na de andere Gauloise wegpaft, liters wijn drinkt en rondtuft in zijn Citroën DS en je houdt feitelijk een cliché van een vent over. Alleen het alpinopetje ontbreekt.

Dat clichématige is iets dat de hele roman aankleeft. Of het nu om seksuele escapades in hotelkamers gaat of om de talloze bistro's en terrassen die met naam en toenaam worden genoemd; het Parijs van Siebelink is een Parijs uit de verkleeddoos, een toeristische rondleiding. Opmerkingen van Elsa passen volstrekt in dit sjabloon. Wanneer vader en dochter in een restaurant zitten achter 'een rijk gegarneerde zuurkool' en 'een rode Beaune' zegt zij zonder enige aanleiding: 'Papa, wij, Sartre en De Beauvoir.' Hoeveel geloofwaardiger zijn de beschrijvingen van Parijs niet in het werk van bijvoorbeeld collega Remco Campert.

Siebelinks Simon verhoudt zich als een groupie tot een idool. Het leven van de decadente kunstenaars, Huysmans voorop, wordt nagebootst en kracht bijgezet met zinnen als: 'Ik voel me vaag en poëtisch.'

Maar zelfs een glimp van een proefschrift levert al Simons kennis niet op. Wat rest, is het relaas van een dweper in wiens spoor je naar de boekenkast schuifelt en op zoek gaat naar À rebours. Helaas. Die staat er niet. Wel tref je die magnifieke vertaling, een formidabele Siebelink.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden