Recensie De Bokser

De biografie van Max Moszkowicz is door Haenen voortreffelijk gedocumenteerd (vier sterren)

Echte smeerlappen bestaan niet, gelooft de roemruchte strafpleiter Max Moszkowicz ondanks alles. Marcel Haenens biografie is voortreffelijk gedocumenteerd en deels adembenemend.

Beeld bij Het leven van Max Moszkowicz, Beeld Martyn F. Overweel

Marcel Haenen: De bokser – Het leven van Max Moszkowicz

Querido; 463 pagina’s; € 22,50.

Het filmpje was het hoogtepunt uit die toch al geweldige ‘Even Apeldoorn bellen’-reeks. Joyridende puber knalt per ongeluk tegen een Jaguar aan. Max Moszkowicz en zoon Bram, beiden strak in het pak, stappen kalmpjes uit. Waarna Bram een hand in de nek legt, terwijl Max de knaap een veelbetekenende blik toewerpt.

In 1999 waren de beide strafrechtadvocaten al zo beroemd dat de grap werkte zonder enige toelichting. Hoe ze aan die status kwamen is een van de vele thema’s die NRC Handelsblad-redacteur Marcel Haenen behandelt in De bokser, zijn voortreffelijk gedocumenteerde biografie van de nu 92-jarige Max Moszkowicz. Zeker het eerste deel – dat diens wederwaardigheden tot en met de oorlog beslaat – is ronduit adembenemend.

Moszkowicz kwam op 5 oktober 1926 ter wereld in het Duitse Essen, als eerste kind van Abraham en Feiga. Het echtpaar was daar drie jaar eerder neergestreken, op de vlucht voor de Jodenhaat in Polen. In Duitsland bleek de situatie niet veel beter. In het omineuze jaar 1933 werd Abraham korte tijd vastgezet. Vanuit de gevangenis gaf hij zijn vrouw opdracht het land onmiddellijk te verlaten. Later zou Moszkowicz zich de vlucht zo herinneren: ‘We liepen gehaast over straat. Ik had Helga, mijn jongere zusje, op mijn rug. Er werd met stenen naar ons gegooid. Onder die stenengooiers waren geen bekenden. Het waren zomaar mensen die kennelijk wisten of vermoedden dat we Joden waren.’

Het jonge gezin kwam terecht in Amby, een dorp bij Maastricht met een burgemeester die zich het lot van de Joodse vluchtelingen aantrok. Dat was verre van vanzelfsprekend. Speciaal de Ostjuden baarden de Nederlandse autoriteiten zorgen. ‘In een beschaafde Westersche samenleving’, schreef een hoge ambtenaar, ‘zijn zij niet op hun plaats.’

Het leven in Zuid-Limburg was in die jaren naar Moszkowicz’ eigen zeggen gelukkig en redelijk onbezorgd. Hij kon goed leren, zat nooit om een woordje verlegen, was een charmeur, een einzelgänger die beslist niet over zich liet lopen. Toen een medeleerling zijn zusje ‘zo’n Jodenmeid’ noemde sloeg hij hem vakkundig knock-out. Boksen deed hij van jongs af als de beste.

Na de Duitse inval sloot het net zich voor alle Nederlandse Joden, dus ook voor Abraham, zijn vrouw en kinderen. Eind augustus 1942 ontvingen ze de oproep voor het ‘werkkamp’. Iemand van de Maastrichtse Joodse Raad adviseerde de familie om zich te melden in plaats van onder te duiken. ‘Nou, dat hebben we dus geweten’, zei Moszkowicz later.

Op maandag 21 september 1942 gingen ze met ruim zevenhonderd lotgenoten vanuit Westerbork op transport naar Auschwitz.  Bij de selectie moesten Moszkowicz’ moeder (39), zusje (12) en broertje (2) naar links; zij werden meteen vergast. Zijn vader moest net als hijzelf naar rechts; beiden belandden in het werkkamp. Lange tijd zou diens nabijheid de zoon tot enorme steun zijn. Tot de vader vlak voor de bevrijding, 42 jaar jong, met een injectie werd vermoord.

In totaal bracht Max Moszkowicz 954 dagen door in gevangenschap. Hij overleefde niet alleen Auschwitz (als enige van zijn transport), maar ook Mauthausen, Melk en Ebensee.

Mooi beschrijft de biograaf hoe het ‘de Joodse tiener’ lukte om in deze helleoorden overeind te blijven. Instinctief begreep hij dat hij zijn zelfrespect moest bewaren. Hij probeerde zich elke dag te wassen en zo netjes mogelijk te kleden, zodat hij niet de vieze, onderdanige Jood werd die de nazi’s in hem wilden zien. Bovendien bleek hij een meester in ‘organiseren’, kamplingo voor stelen. Extra eten ritselde hij ook door mee te doen aan bokswedstrijden, een sport waar de Duitse kampbewakers verzot op waren. Heel slim was het ten slotte om in Mauthausen een niet-Joodse identiteit aan te nemen.

Geen zwakte tonen – het zou altijd zijn motto blijven.

Na de oorlog vertelde Moszkowicz ‘weinig tot niets’ over wat hij had meegemaakt. Over de afgrijselijke laatste maanden zou hij volgens Haenen zelfs altijd blijven zwijgen. Of zoals hijzelf ooit zei: ‘Het is niet uit te leggen en het kan niet worden begrepen.’

Terug in Limburg (‘Zesenveertig kilo verdriet’, aldus de biograaf) wist hij verbluffend snel een nieuw bestaan op te bouwen. Hij trouwde met Bertha Bessems, dochter uit het boerengezin dat hem in eerste instantie opving. Met haar zou hij vier zoons krijgen. Vanwege hun katholieke moeder waren zij ‘vaderjoden’ – halachisch niet-Joods, in eigen ogen én in die van de buitenwereld wel. Maastricht hield hen op afstand omdat ze Joods waren, voor de Joodse gemeenschap waren ze niet Joods genoeg.

Eenmaal advocaat besloot Moszkowicz zich te richten op het strafrecht, toentertijd een niche met zeer weinig aanzien. Kieskeurig was hij niet; alleen oorlogsmisdadigers en kinderverkrachters weigerde hij te verdedigen. Opmerkelijk: hij geloofde dat er geen echte smeerlappen bestonden. Wie een levensdelict pleegde was volgens hem simpelweg ziek in het hoofd.

In korte tijd maakte hij furore – tot afgunst van de confrères, dat spreekt. Oeroud antisemitisme deed de rest. Een collega in de advocatenkamer zei: ‘Ik heb het idee dat ze er eentje vergeten hebben in de oorlog.’ Menigeen beweerde dat Moszkowicz’ nogal creatieve manier van declareren getuigde van ‘Jodenstreken’. En tot op de dag van vandaag circuleert in Limburg de leugen dat hij nooit in Auschwitz zat en zelf een kampnummer op z’n onderarm tatoeëerde.

Gepaste aandacht besteedt Haenen aan Moszkowicz’ despotische wijze van leidinggeven, aan zijn juridisch vernuft, aan zijn groeiende roem en rijkdom, aan zijn hang naar mooie kleren, auto’s en mevrouwen, aan zijn steeds kortere lontje, aan zijn warme betrekkingen met een stoet criminelen – dit laatste naar mijn smaak soms wat al te gedetailleerd.

Moszkowicz’ werkdrift bleef tot op hoge leeftijd onaangetast. ‘Ik moet werken om te vergeten’, verklaarde hij zelf. De deconfiture van de Moszkowicz-dynastie – drie van zijn vier advocatenzoons werden van het tableau geschrapt – zou hij niet meer bewust meemaken. In juli 2004 trof hem een beroerte, zijn geestelijke vermogens namen af. Sindsdien leeft hij met zijn tweede (Joodse) vrouw teruggetrokken in het Belgische Lanaken.

‘Hij vegeteert’, zei derde zoon Max Moszkowicz jr. onlangs in een interview met het Nieuw Israëlietisch Weekblad. ‘Soms roept hij: ik wil niet dood, ik wil niet dood.’

Cover van De Bokser – Het leven van Max Moszkowicz van Marcel Haenen.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden