De biograaf als dagboekschrijver

LODEWIJK VAN DEYSSEL heeft gedurende hele periodes van zijn leven opgeschreven wat hij deed of vaak ook wat hij niet deed en wat hij zou doen en meestal ook niet deed....

Zijn beschrijvingen zijn vaak zelfbeschrijvingen. Dat wil zeggen: beschrijvingen van zijn aandoeningen. Hij registreerde feiten, maar ook zijn geestelijke en lichamelijke reacties erop en die twee waren voor hem onscheidbaar. Hij tastte met een oververfijnd instrument zijn lichaam en geest af, onderzocht zijn geweten en zijn ingewanden, en deed daarover in een even nauwkeurige als verheven taal verslag. Geen waarneming bij Van Deyssel zonder beleving. Met dat zelfonderzoek en de beschrijving daarvan heeft hij veel papier gevuld. Hij liet ons ook de werking van zijn geest en gevoelens en van zijn lichaam na, van de ogenblikken dat hij boven zichzelf leek uit te stijgen en hij in de genade van het hoge kunstenaarschap verbleef, tot de uren, de dagen van constipatie.

Veel van die zelfwaarnemingen waren gericht op levensverbetering, niet zozeer in de morele als wel in de artistieke zin. Wij weten niet alleen wat hij was, maar ook wat hij wilde zijn, wat hij maakte en (vooral) wat hij wilde maken. En wij kennen zijn voortdurend terugvallen en de onbereikbaarheid van het ideaal. Dat ideaal was de hogere literatuur; een aantal keren heeft hij die kunnen bereiken, die literatuur en de staat daarvoor nodig. Na veel voorbereidingen; het geestelijke schoot uit uit het ideale materiële, en dat houdt zowel de uiterlijke omstandigheden als het lichaam in. Hij was een naturalistische sensitivist, een artistieke psycho-somaticus.

Wat die 'hogere literatuur' is, is moeilijk te omschrijven. Ik vermoed dat het de literatuur is waarin het wezen van de dingen zich manifesteert; de hogere ervaringen bewerkstelligen hetzelfde. De wijze van schrijven kan het soms verraden. Niet de geringste en de meest vergeefse inspanning van Van Deyssels schrijverschap is deze geweest: in de beschrijving van iets het wezen ervan tegenwoordig te stellen of in een passage tot een omschrijving van dat wezenlijke te komen, van zaken of situaties, maar ook van gewaarwordingen. Dat geeft aan zijn proza een uiterste precisie, met vele detailleringen als gevolg, maar ook een grote ritmische gedrevenheid en uiteraard het gebruik van neologismen. Het gaat niet om indrukken - al heeft het vroege proza impressionistische trekken - maar uitdrukken.

KAREL ALBERDINGK THIJM was een nakomertje. Zijn vader was tweeenveertig bij zijn geboorte. Hij had twee broers en een zus boven zich. Met zijn oudste broer (die jezuïet zou worden) scheelde hij zeventien jaar, een jaar minder met zijn zus (die zeven jaar kloosterzuster zou zijn) en tien jaar met zijn jongere broer, Frank. De stelling is verdedigbaar dat de vader en de broer Frank de grootste invloed op hem hebben uitgeoefend: zijn - bewonderde - vader als schrijver, cultuurdrager, nationale persoonlijkheid en vooral rooms-katholiek, de - eveneens bewonderde - broer als dandy. Twee tegengestelde invloeden, die de gecompliceerde geest van Lodewijk van Deyssel kunnen verklaren: de eenheid van geestelijke en lichamelijke kant samen, het ontstaan van een kunstenaarsleer die de methoden van de traditionele katholieke heiligsheidsleer kent voor het bereiken van de verfijnde verrukking waarvan de dandy de uiterlijke tekenen draagt. De hogere staat waarnaar hij streefde - met alle voorbereidingen van dien - heeft veel van een mystieke staat. Het voortdurend zelfonderzoek, mede om tot verbetering te komen, lijkt in veel opzichten op het dagelijks gewetensonderzoek, bekend uit de katholieke vroomheidscultuur. En de tot op de top doorgevoerde lichamelijke sensaties - ook in lichamelijke uitspattingen - beogen hetzelfde als de traditionele ascese (die ook een vorm van uitspatting is!). Nil nisi per Christum, was het motto van Jozef Alberdingk Thijm, 'niets tenzij door Christus'. De volstrektheid ervan is in het leven van de zoon terug te vinden. Maar die werd zijn eigen Christus.

Met de dood van Jozef Alberdingk Thijm en het hernieuwde vertrek van de broer Frank naar Amerika eindigt, haast symbolisch, In de zekerheid van eigen heerlijkheid, 'Het leven van Lodewijk van Deyssel tot 1890' van Harry G. M. Prick. Dit eerste deel van een tweedelige biografie telt, met bibliografie, noten en register mee, bijna 1100 pagina's. In Thijms sterfjaar, 1889, wordt Van Deyssel vijfentwintig jaar. Hij zal in 1952 op 87-jarige leeftijd sterven. Het tweede deel zal dus tweeënzestig jaar behandelen. Het grootste deel van Van Deyssels leven moet dus een naleven zijn geweest. De eerste vijfentwintig de belangrijkste uit zijn leven. Pas lezing van het tweede deel kan de omvang van het eerste rechtvaardigen, het belang ook van alle daarin opgestapelde gegevens. En die zijn verbijsterend groot in aantal. Een meer gedetailleerde biografie heb ik zelden gelezen. De geest van de grote detaillist die Van Deyssel zelf was, is op haast elke bladzijde van het boek aanwezig, de geest van concentratie op het ene, een vorm van momentalisme, evenzeer. Een biografie in de geest van de hoofdpersoon, in de vorm van diens geschriften welhaast. Dat is uniek. Het tot nu toe verborgen tweede leven van Deyssel - het papieren - krijgt mede gestalte, want al dat ongepubliceerde materiaal waarover ik boven schreef, stond Prick ter beschikking. En een, dunkt mij, nauwelijks overzienbare correspondentie.

Bij de dood van Van Deyssel werd Prick diens literaire erfgenaam. Hij stond al een aantal jaren in schriftelijk en persoonlijk contact met de Tachtiger. En die had hem sterk gesuggereerd dat hij, Prick, de biograaf van Van Deyssel moest worden. Jaren heeft Prick eraan besteed, de nalatenschap te ordenen, tot een volmaakt archief, dat hij, naar ik denk, van buiten kent. Hij heeft talrijke publicaties over Van Deyssel geschreven, diens belangrijkste werken heeft hij opnieuw uitgegeven, hij heeft briefwisselingen verzorgd, promoveerde in 1977 op het zeer omvangrijke proefschrift De Adriaantjes. Een onderzoek naar wording en achtergronden van Van Deyssels Kind-leven. De biografie moet de afronding zijn van Pricks levenswerk, dat ook het werk is aan het tweede leven van Lodewijk van Deyssel. Met Pricks toewijding aan Van Deyssel is in de geschiedenis van de Nederlandse letterkunde niets te vergelijken.

Dit is het ongewoonste aan deze biografie: de zeer vele citaten, voor een belangrijk deel uit geschriften van Van Deyssel zelf, leiden niet tot een stijlbreuk of gewoon een onderbreking. Het boek is een bewonderenswaardige eenheid geworden door gelijkheid van toon. Prick heeft zich niet aangepast, het lijkt eerder het omgekeerde: iedereen begint te schrijven in zijn taal! Natuurlijk heeft Pricks taal een uitvoerigheid die Van Deyssel niet vreemd was, een woordgebruik ook dat, vaak niet ongeestig, wat archaïstisch is; in precisie doet Prick niet voor Van Deyssel onder, ook waar het trivialiteiten betreft als adressen van winkels, het aantal treden van een trap, onderdelen en stof van kleding, datum en uur. Dat laatste hoeft niet triviaal te zijn, maar vaak worden ook vrij onbelangrijke of onbeduidende zaken met de exactheid van een chronometer vermeld. Soms is die precisie moeilijk anders dan als bezwaarlijk te ervaren: de exactheid is niet in overeenstemming met het belang van een gebeuren. De precisie en de gedetaillerdheid bij alles - van scheppen tot schoenen, van boeken tot bordeelbezoek - ontnemen de gepreciseerde zaken een hiërarchie, die ze, binnen het geheel van het verhaal, ook later niet krijgen. Als alles van belang lijkt, kan tenslotte niets van belang blijken.

DE GEDETAILLEERDHEID en de concentratie hebben nog een ander effect: dat van de isolatie en daarmee van de fictionalisering van de levensbeschrijving. De kring waarin zich van Deyssels leven afspeelt, is betrekkelijk klein. Er is een vrij gering aantal min of meer constant aanwezige figuren. Er lijkt nauwelijks een buitenwereld te bestaan. Dat kan in overeenstemming zijn met de zelf-concentratie waaraan Van Deyssel leed. De biografie zou - in de ruimtelijke en geestelijke beperktheid - op schitterende wijze de kleine republiek van Van Deyssels leven verbeelden. Ik vraag mij voorzichtig, want in de schaduw van deze grote prestatie, af of de biograaf zich zo moet vereenzelvigen met het wereldbeeld van een auteur, dat het verhaal, haast vanzelf, bij gebrek aan afstand of reflectie, fictief van karakter wordt. Niet alleen de ongewone persoonlijkheid van Van Deyssel kan het vermoeden wekken dat men met een verzonnen verhaal te doen heeft!

Met die afwezigheid van afstand bedoel ik ook dit. Prick is wel kritisch, maar toch de meeste tijd in het corrigeren van onjuiste details in de geschriften of herinneringen van Van Deyssel zelf. Zijn geheugen slaat dat van zijn hoofdfiguur. Maar de hele opzet van de biografie - het verhaal verloopt haast van uur tot uur, feiten stapelen zich op feiten, citaten op citaten - is zo, dat het leggen van andere verbanden dan feitelijke onmogelijk is. De biografie hoeft geen explicateur te zijn, maar pogingen tot samenhangende verklaringen hoeven niet uit te blijven. En dat gebeurt hier.

Een enkel voorbeeld. Op donderdagmorgen 1 februari 1883 schrijft Van Deyssel een bewonderende brief aan Zola. Hij realiseert zich daarna dat 1 februari de feestdag is van de heilige Ignatius, Hij schrijft vervolgens een sonnet voor zijn broer Jan, de jezuïet, veertien regels vrome gemeenplaats. Die avond zal hij zijn eerste bezoek aan een bordeel brengen, zoals hij zich al had voorgenomen. Hij moet de Ignatius voor de stichter van de jezuïeten, Ignatius van Loyola hebben gehouden. Prick corrigeert van Deyssel: 1 februari is de feestdag van Ignatius van Konstantinopel. Ik moet hem met spijt corrigeren: het gaat om Ignatius van Antiochië. Na de beschrijving van die drie activiteiten, waarvan de laatste twee met elkaar in strijd lijken, volgt een verklaring van Prick, maar die is weinig afdoende, juist doordat de daden niet worden gezien in die grote samenhang van tegendelen, geestelijke en lichamelijke, verhevene en banale, hogere en lagere, die voor Van Deyssel typerend is en die zijn leven heeft bepaald en die waarschijnlijk meer met de essentie van zijn kunstenaarsopvattingen te maken heeft dan de biografie te verstaan geeft.

Het meest waagt Prick zich nog aan interpretatie - die overigens vaak een rechtzetting van feiten of aanvulling van het ontbrekende is, in de in het boek voortdurend aanwezige polemiek met Michel van der Plas' visie op Van Deyssel in diens twee jaar geleden verschenen biografie van Jozef Alberdingk Thijm.

Van Deyssel was een wonderkind. Zijn allereerste publicatie, onder bescherming van zijn vader gedaan, is meteen ongewoon van kwaliteit. Hij is dan 16 jaar. Hij beheerst het vermogen zijn indrukken en gevoelens, zijn meningen ook, in eigen taal weer te geven, vrijwel onmiddellijk. Het begin van zijn schrijverschap lokt onmiddellijk polemieken uit: hij zal altijd omstreden blijven. Men moet zich in het tweede deel van de biografie voortdurend de leeftijd van de auteur realiseren om de ongewoonheid van zijn literaire prestaties, zijn 'naam', maar ook zijn 'dagelijks' leven, niet minder zijn grote twijfels en impasses in het schrijven, te beseffen. Door de opzet van Pricks biografie komt de overvolheid van de periode tussen Van Deyssels zestiende en vijfentwintisgte, heel goed uit. In 1889 is hij, volgens zijn vrienden, de bekendste schrijver, in Amsterdam dan, zoals zijn vader het tot dan was.

PRICK neemt de tijd, ook in de opbouw van zijn boek. Op zijn achttiende kreeg Van Deyssel een verhouding met de toneelspeelster Theo Mann-Bouwmeester (die toen nog Théo Frenkel-Bouwmeester heette). De aanloop tot de climax van de eerste nacht (gevolgd door negenenzestig andere, alles is geteld) is bij Prick heel lang en op zich een knap stuk vertelkunst. Door aankondigingen, meestal aan het einde van een paragraaf, houdt de verteller op ouderwetse wijze de spanning erin. Zoals hij met geestigheden het leesplezier in stand houdt. Misschien zijn al die literaire kunstgrepen wel overbodig, want door zijn opzet (en daar gaat die lonen!) werkt de biografie verslavend, zoals ik dat alleen van dagboeken en briefuitgaven ken. En die laatste associatie kan erop wijzen hoe dicht de schrijver bij de tijd is gebleven, van dag tot dag soms. De biograaf als dagboekschrijver van een andermans leven. Misschien is met dit laatste het boek nog het best getypeerd.

Van Deyssel was zeker een genie, maar misschien meer in wat hij wilde dan in wat hij tenslotte realiseerde. En bij dat eerste komt men in deze biografie heel dicht. Prick heeft tenslotte een bewustzijn in beeld gebracht, gesteund door die ontelbare dagboekbladen, handpapieren, aantekeningen die Van Deyssel achterliet. Daarin lijkt zijn geest vaak scherper en meer visionair te werken dan in het officiële werk. Er wordt uit die papieren heel veel geciteerd. Gelukkig, want onvoltooid werk is zeker in dit geval vaak boeiender dan het voltooide. Van Deyssel was de grootmeester van, want het meest geslaagd in, de gemiste kans. De zekerheid van eigen heerlijkheid is een innerlijke. (De uitdrukking is overigens bijna een typische roomse gemeenplaats, een overledenene vaak toegedicht). Zijn staat van geluk waren zijn mogelijkheden. Hij is door Pricks biografie nog meer geworden een der fascinerendste figuren uit onze letterkunde. (En we weten nu ook bijna alles over het dagelijks leven in de betere burgerij en onder de bohème van het einde van de vorige eeuw. Men at, men bad, men las men werkte, men zoop en men hoereerde en men maakte kunst).

Harry G. M. Prick, In de zekerheid van eigen heerlijkheid, Het leven van Lodewijk van Deyssel tot 1890, Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam, ¿. 75.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden