DE BESTE WINT. SOMS

De kunstwereld schept met prijzen orde in de enorme hoeveelheid producties. Dé methode bestaat niet. Want wie weet wie een prijs verdient?...

‘Koehandel’, noemt Esmé Lammers, gelauwerd regisseuse, intendant van het Filmfonds, en in 2006 juryvoorzitter van de Gouden Kalveren, de gang van zaken tijdens haar jurylidmaatschap. ‘En dat bedoel ik niet negatief.’

Het was gewoon de beste oplossing, zegt ze, om de bekende gevaren die kunstjury’s in hun besluitvorming tegenkomen te vermijden: de patstelling, de ruzies, en vooral, de gevreesde compromiswinnaar.

Lammers bedacht een ‘politiek systeem’ waarin ‘hartstocht’ de doorslag moest geven. De zeven juryleden mochten allemaal een prijzencategorie kiezen waarin zij de winnaar konden bepalen. ‘De een wist het meest van het licht, de ander was helemaal wild van acteren.’ Iedere mogelijke ontevredenheid met de keuze van de ander werd zo onderdrukt door het besef ‘dat je zelf later voor je eigen categorie een keuze kon maken’. Met als basis een kwaliteitsovereenkomst van de top 5 per categorie.

Discutabel? Niet volgens Lammers: ‘De uitkomst was er nu eindelijk eens niet een waarmee iedereen ‘wel kon leven’, maar een waar de juryleden écht gelukkig mee waren.’ Ze wilde dat er niet werd gestreefd naar unanimiteit in de stemmen, maar ‘unanimiteit in passie’.

Lammers zoektocht naar de beste jury-tactiek tekent de problematiek. De kunstwereld schept met prijzen orde in de enorme hoeveelheid kunstproducties. Maar wie weet wie een prijs verdient? ‘Het streven is: de beste wint’, vat Roderick Hageman, filosoof en jurysecretaris van de AKO Literatuurprijs, het dilemma samen: ‘Maar wat ís ‘de beste’ eigenlijk?’

Zie hier de last op de schouders van het kunstjurylid. Hij moet ‘hoofdpijn en slapeloze nachten’ kunnen trotseren, zegt Janwillem Schrofer, algemeen directeur van de Rijksakademie en al meer dan 20 jaar betrokken bij de prestigieuze beeldende kunstprijs Prix de Rome, lang als voorzitter, nu als jurysecretaris. ‘Je moet iemand kunnen laten afhaken, maar je moet ook genereus genoeg zijn een prijs te kunnen geven.’ Die verantwoordelijkheid is enorm, zegt Schrofer.

Natuurlijk, zeggen de juryleden, het is leerzaam werk, een eer ook, en wil een jurylid goed kunnen kiezen moet hij belezen zijn (literatuur), veel gezien hebben (theater, kunst, film), en beschikken over een brede culturele kennis in het algemeen. Maar dat is niet genoeg. Voordat de camera’s inzoomen op de nerveuze genomineerden en stamelende bedankjes, vindt niet zelden een worsteling plaats. Het jurylid met zichzelf, maar vooral ook met zijn mede-juryleden.

Geniet van de opgetekende openbare beraadslagingen van de Prix de Rome -jury. ‘Subsidiekunst’, oordeelt kunstenaar en jurylid David Bade in 2007 snoeihard over een kunstwerk dat jurylid en museumdirecteur Chris Dercon net verzaligd als ‘poëtisch’ had geroemd. De sfeer? ‘Dercon zet verbeten zijn tanden in een Balisto en begint te malen. Bade zit inmiddels gebogen over een vel papier en pent als een bezetene. De stilte loeit aan.’

‘Vooral een beginnend jurylid kan nog wel eens emotioneel worden’, is de ervaring van Joost Nuissl, oud-directeur van de Kleine Komedie, veelvuldig juryvoorzitter van het Leids Cabaretfestival en nu jurylid van de VSCD-cabaretprijs: ‘En het ís ook emotioneel, als iemand merkt dat zijn oordeel niet doorkomt.’

Ieder jurylid in de kunstwereld moet er rekening mee houden dat een ander dan zijn eigen favoriet de prijs kan winnen. Sterker: de favoriet van geen enkel jurylid kan ook winnen. Weinig juryleden gaan ervan uit dat er – binnen de top van de shortlist – altijd zoiets als de unanieme ‘beste’ boven komt drijven. Meningen verschillen (3 tegen 2 is een veelvoorkomende situatie bij een jury van 5 leden), en dus kunnen jury’s ‘compromismachines’ worden, omschreef Rob Schouten, dichter, criticus en een van de meest gevraagde literaire juryleden in Nederland, vorig jaar zijn ervaringen op een debat in de Rode Hoed: een schrijver uit het middenveld wint volgens hem sneller dan een publiekslieveling of een experimentele schrijver. ‘Je hoeft maar een beetje wiskundig inzicht te hebben’, zegt Esmé Lammers, zelf afgestudeerd wiskundige, ‘om te begrijpen dat bij ontbreken van unanimiteit de winnaar al gauw richting de tweede of zelfs de derde plaats kan schuiven.’ ‘Het is inderdaad wel eens voorgekomen’, zegt Roderick Hageman van de AKO, ‘dat, toen ieder jurylid een andere favoriet had, ieders tweede keus de winnaar is geworden.’

Een juiste onderhandelingstechniek is daarom van belang. Het jurylid moet kunnen argumenteren, strategisch te werk gaan, en daarmee ook de groep richting zijn eigen keuze weten te sturen. ‘Ik raad aan: stel het oordeel uit’, zegt Janwillem Schrofer van de Prix. ‘Classificeer niet, zeg nooit in het begin wie de winnaar moet zijn. Anders verstolt het: dan blijf je steeds dezelfde argumenten herhalen. Als je je oordeel vastzet, wordt het een prestigekwestie. Pas op het eind, als iedereen alle argumenten heeft uitgewisseld, is er een magisch moment: het is als een geboorte, het kind kan geen kant meer op.’ Het oordeel is rijp, en de winnaar kan gekozen worden. Hoewel op dat einde van het proces, volgens Elsbeth Etty, het vleesgeworden jurylid van de literaire wereld, dan weer ‘een zekere compromisloosheid’ de belangrijkste eigenschap van het goede jurylid is, schreef ze onlangs in NRC Next.

Maar hoe goed een jurylid ook is, de uiteindelijke uitkomst is toch moeilijk volledig te sturen, denkt AKO-jurysecretaris Hageman: want een jury is een ‘massabeweging’, ‘een groepsdynamiek, die het individu overstijgt. De jury is meer dan de som der juryleden.’ Een jury-oordeel is ‘intersubjectief’, zegt ook Janwillem Schrofer. De samenstelling van de jury is daarom cruciaal. Maandenlang wordt aan de jurysamenstelling van het Leids Cabaretfestival gesleuteld, maar dan nog is het mogelijk dat de leden ‘niet matchen’, zegt juryvoorzitter Joost Nuissl: ‘Dat juryleden te belangrijk willen doen, hun persoonlijke smaak niet ondergeschikt willen maken.’

De Prix-de-Rome-organisatie houdt in haar maandenlange besluitvorming over de jurysamenstelling ook rekening met de psychologische balans. ‘Ze moeten weten wie ze zelf zijn’, somt Janwillem Schrofer de ideale kwaliteiten op: ‘Een goed jurylid moet zelfvertrouwen hebben om over anderen te kunnen oordelen. En je probeert verschillende karakters bij elkaar te brengen. Een rationele, een emotionele. Mooie praters zijn snel uitgeluld, maar je moet ook weer niet allemaal ‘betrouwbare zwijgers’ hebben.’

Het zijn de voorzitters die in deze precaire groepsdynamica onmisbaar zijn. Als een ‘procesmanager’, zegt Hageman, die de beraadslagingen richting successen stuurt. Dat de AKO-prijs bekende politici als Lubbers of Rosenmöller aanstelde als voorzitter-zonder-stemrecht, is niet alleen om de tv-waarde van de prijs te vergroten, maar ook om hun noodzakelijke politieke kwaliteiten.

Bij de Prix werkte Schrofer, voor hij secretaris werd, de voorzittersrol tot in de finesses uit. Joost Nuissl ontwikkelde als voorzitter van het Leids Cabaretfestival een al even ‘methodische aanpak’. ‘Als de emoties loskomen, moet je kunnen terugvallen op een gereedschapskist, vooral omdat bij de cabaretprijs op de avond van de finale zelf een beslissing moet worden gemaakt, terwijl het publiek wacht.’ Nuissl stelt daarom van tevoren met de jury een aantal criteria op, ‘prioriteiten’: ‘Wat vinden we belangrijk: de waarachtigheid, engagement, ironie?’ En als er dan nog niets uitkomt? ‘Dan hakt de voorzitter de knoop door.’

Het proces kan goed en eerlijk verlopen, de keuzes integer worden gemaakt, maar in ‘objectieve kwaliteitscriteria’ geloven maar weinig juryleden. De grootste scepsis is zelfs wel eens verwoord als: geef mij de postcode van een jurylid, en ik weet wat hij stemt – waarmee dan op de Amsterdam Oud-Zuid-achtergrond van het gros der literaire juryleden werd gezinspeeld.

‘Noem mij de prijswinnaar, en ik zeg u wie de jury is’, keert Lisa Kuitert, hoogleraar boekwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam, de stelling om. Volgens haar is dat niet eens zo vreemd. Harde criteria ontbreken immers bij kwaliteitsoordelen: het is niet ‘de beste’ die wint, want die bestaat niet. ‘De beste’ schrijver is volgens haar de keuze van de instituten waaruit de leden van literaire jury’s standaard gerekruteerd worden. ‘En dat zijn nu al jarenlang dezelfde clubs: de Nederlandse taalunie, de Raad voor Cultuur,

Zie verder pagina 7

IDEOLOGIE EN BELANG

IDEOLOGIE EN BELANG
vervolg van pagina 5

IDEOLOGIE EN BELANG
de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde; er zit een literair wereldbeeld achter zo’n club, een ideologie, en dat beeld komt tussen het kwaliteitsoordeel van de jury doorkijken. Je ziet dat bijvoorbeeld met de plotselinge opkomst van de Vlamingen bij de prijzen, daar is duidelijk de inspanning van de Taalunie in te herkennen.’

IDEOLOGIE EN BELANG
Deze gevestigde instituten bepalen volgens Kuitert in hoge mate wat er ‘goed wordt gevonden’. Het wordt volgens haar daarom tijd eens ‘de stofkam’ door het literaire jury-systeem te halen, ‘de verwevenheid van al die instituten eens achter te laten’. ‘Het zou goed zijn als nieuwe schrijvers eens het voordeel van de willekeur kunnen proeven.’

IDEOLOGIE EN BELANG
In de beeldende kunst – waar het kleine taalgebied geen rol speelt – kan dat probleem van de ‘kleingeestigheid’ eenvoudiger worden aangepakt. De Prix de Rome is om die reden samengesteld uit voornamelijk buitenlandse succesvolle kunstenaars, meestal zonder banden met Nederland. Janwillem Schrofer: ‘De gewoonte in Nederlandse commissies is om voor een balance of power te kiezen: dat bijvoorbeeld alle belangrijke instituten er in moeten: de Rijksakademie, De Ateliers, de Jan van Eijck-academie. Dan krijg je onderhandelingen, dan gaat men rekening houden met elkaars loyaliteiten. Van dat systeem ben ik bij de Prix afgestapt.’

IDEOLOGIE EN BELANG
Cabaretkenner Joost Nuissl is overtuigd dat er wel een aantal ‘meetbare criteria’ zijn: ‘Als mensen op het toneel samen aan het zingen zijn, en ze kunnen niet samenzingen, dan is dat een meetbaar criterium. Of waarachtigheid: een goed jurylid heeft nu eenmaal een opvatting over waarachtigheid.’ Het Leids Cabaretfestival heeft dan wel weer te maken met publieksprijzen, die in hun uitkomst soms lijnrecht tegenover die van de vakjury kunnen staan.

IDEOLOGIE EN BELANG
Ach, objectiviteit. Esmé Lammers vindt het gebrek aan objectieve criteria geen probleem in een jury. ‘Het is persoonlijk, je spreekt een voorkeur uit.’ Als filmer zelf is ze, door de ervaring van het jureren, niet sceptisch geworden over het prijzencircus. ‘Ook al weet ik nu hoe relatief een jury-oordeel is, je houdt nog steeds dat gevoel: ‘O, wat geweldig dat ze me goed vinden’. Hoewel... als ik nu verlies, kan ik tegen mezelf zeggen: ach, het is maar een mechanisme, die jurering.’

Recensenten zijn veelgevraagd in jury's van kunstprijzen. Wat denken drie Volkskrant-critici van het jureren?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden