Achtergrond Sportboeken

De beste sportboeken voor sporthaters

Jawel, het gaat weer gebeuren. Het WK voetbal (vanaf 14 juni),  Wimbledon (vanaf 2 juli), de Tour de France (vanaf 7 juli). Wat moet de sporthater in zo’n sportzomer? Lezen natuurlijk. Een sportboek. Dat kan prima want goede sportboeken, schrijft Bert Wagendorp, gaan dus niet over sport. 

Foto Olivier Heiligers

In juni 1951 verscheen in het Amerikaanse mannentijdschrift True het verhaal van de journalist en schrijver W.C. Heinz, met de titel ‘Brownsville Bum’. Het ging over een bokser, Al ‘Bummy’ Davis, die in november 1945, na een toch al niet al te vrolijk leven, op 25-jarige leeftijd werd doodgeschoten op de stoep voor Dudy’s bar in Brownsville, een slecht deel van Brooklyn, New York.

Je zou het vanwege het boksen een sportverhaal kunnen noemen. Maar als we verhalen en romans gaan typeren aan de hand van de bezigheden van de hoofdpersoon, is Knielen op een bed violen een tuindersroman. ‘Brownsville Bum’ gaat niet over boksen, het boksen is bijzaak. Het onderwerp van het verhaal is het korte, tragische leven van Bummy.

De selectie uit de verhalen van W.C. Heinz die in 2015 verscheen in de prestigieuze Library of America, heet The Top of His Game – The Best Sportswriting of W.C. Heinz. De Amerikanen doen niet moeilijk: het onderwerp van W.C. Heinz is sport, dus hij doet aan sportschrijven. Daar kan dat ook, want sportschrijven staat in de VS in hoog aanzien – veel van de grootste Amerikaanse schrijvers hielden zich ermee bezig, van Mark Twain tot Norman Mailer – en wordt daarom opgenomen in de Library of America, in 1979 opgericht ‘om Amerika’s literaire erfenis te bewaren door het publiceren en in druk houden van gezaghebbende edities van Amerika’s beste en belangrijkste schrijvers’.

Kom er hier maar eens om. In Nederland moet je een omweg maken om lezers met een vurige sporthaat ervan te overtuigen dat een boek waarin sport voorkomt tóch de moeite van het lezen waard is: ‘Oké, ik begrijp wat je bedoelt, maar dit is een goed sportboek, omdat het niet over sport gaat. Ja, dat is het punt. Goeie sportboeken gaan niet over sport. Er zijn natuurlijk ook aardige sportboeken die wel over sport gaan, maar die zijn niks voor jou. Daarvoor moet je echt van sport houden en iets van sport begrijpen. Maar dit sportboek gaat niet over sport. Ja, dat klinkt heel erg raar, dat vind ik zelf ook, maar probeer het nou maar.’

Meestal helpt het niet.

Wij missen de Amerikaanse traditie, waarin Norman Mailer in 1974 voor Playboy naar Kinshasa in het huidige Congo reisde om verslag te doen van het gevecht tussen Muhammad Ali en George Foreman (‘The Rumble in the Jungle’) en thuiskwam met een verhaal van twintigduizend woorden waarvoor een hele Playboy-editie moest worden uitgeruimd – wat ook gebeurde. The Fight is nu een Penguin Literary Classic en een sportnovelle die niet over sport gaat, maar over Norman Mailer.

Tien sportboeken voor sporthaters (en vijf in de bonus)

1: David Halberstam: Playing for Keeps  Michael Jordan and the World He Made
Over de opkomst en invloed van de beste basketballer aller tijden. 

+ Andere sportboeken voor sporthaters van Halberstam: Summer of ’49, The Amateurs.

2: Erik Brouwer: Spartacus – De familiegeschiedenis van twee joodse olympiërs
Over het joodse Amsterdam van voor de Eerste Wereldoorlog en twee gymnasten. + Ook fijn voor sporthaters: De Walthours – De Kennedy’s van het wielrennen, over Amerika.

3: Benjo Maso: Wij waren allemaal goden
Over de Tour de France van 1948, maar vooral een tijdsbeeld. Maso schreef ook Het zweet der goden, maar dat is meer voor de pure wielerliefhebber.

4:Jan Boesman: De fiets van Lautrec
Over een kunstenaar, een wielrenner en een monsterrace. 

+ Nog een mooi Boesmanboek voor sporthaters: De vliegende neger & de kleine koningin.

5: Michel van Egmond: Deal – Met Rob Jansen achter de schermen van het topvoetbal
Over een voetbalmakelaar, maar eigenlijk een roman over een fixer in een krankzinnige wereld.

6: Laura Hillenbrand: Seabiscuit  De legende van een renpaard
Over een renpaard, maar vooral over het Amerika van de jaren dertig.

7: William Fotheringham: Sunday in Hell  Behind the Lens of the Greatest Cycling Film of All Time
Over de legendarische documentaire van Jørgen Leth over Parijs-Roubaix.

8: Tim Krabbé: De renner
Over een wielerwedstrijd, maar in feite een zelfonderzoek.

9: David Storey: This Sporting Life
Een klassieke roman uit 1960 over een rugbyspeler in een Noord-Engelse industriestad.

10: Chad Harbach: De kunst van het veldspel
Roman over een honkballer en de consequenties van een foute bal. 

+ Ook mooi over honkbal en de mens: The Natural van Bernard Malamud: 

De Amerikaanse schrijver weet dat sport uitstekend materiaal voor een roman kan leveren, zonder dat dat afbreuk doet aan de kwaliteit van zijn werk. Amerikaanse recensenten noemen een boek waarin sport voorkomt niet automatisch een jongensboek.

In Nederland maakt sport geen integraal deel uit van de cultuur, in de VS wel. Daar kun je van alles van vinden (‘Gelukkig maar, ik word nu al gek van al die sport’), maar feit is dat het gevolgen heeft voor de houding tegenover sportboeken. En dat is jammer. Want dat wil ik hier wel even vaststellen: wie zich boeken ontzegt omdat ze worden geafficheerd als ‘sportboeken’, mist veel.

Zijn er sportboeken die interessant zijn voor lezers die niets met sport hebben en die veel liever met een boek in de tuin gaan zitten dan op de bank met de Tour de France of een WK-voetbalwedstrijd op tv? Is er een boek waarin wordt getennist dat interessant is voor iemand die zich niets saaiers kan voorstellen dan urenlang kijken naar twee types die een bal over het net slaan op Wimbledon, die het geen bal interesseert wie Wimbledon wint – ja, voor wie topsport met ingang van vandaag voorgoed mag worden afgeschaft en de sportverhalen in de krant erbij?

Sport, daar ben ik na een halve eeuw sport volgen en tien jaar sportverslaggeving wel achter gekomen, gaat helemaal nergens over. Het ene jaar degradeert club A, het volgende club B. Dit jaar wint X de Tour de France, volgend jaar Y. Over het wereldkampioenschap voetbal wordt erg opgewonden gedaan, maar na het tamelijk intensief volgen van veertien WK’s weet ik het eindelijk: er is geen enkele goede reden te bedenken om je kostbare tijd te vergooien met het kijken naar de wedstrijd van Land 1 tegen Land 2, zelfs niet als het de finale betreft.

Sport is onzin. Het is leegte gevuld met illusies. De sportwedstrijd is een bedachte werkelijkheid, een toneelstukje. Op de eerste rij zitten de verslaggevers die ons ervan proberen te overtuigen dat wat we zien echt is en belangrijk, maar ze weten nog beter dan wij dat ze lucht verkopen. Er zou niets, helemaal niets veranderen als de wedstrijd niet zou plaatsvinden.

Dit wil allemaal niet zeggen dat ik de komende zomer sportloos zal doorbrengen. Dat komt doordat ik van verhalen houd. Niet per se van sportverhalen, maar van verhalen. En wanneer die verhalen zich vormen in de sport – soms een lang verhaal dat drie weken Tour de France nodig heeft, soms een kort verhaal dat zich ontspint in één fatale seconde in een voetbalwedstrijd – dan ben ik geïnteresseerd.

Sport is een verhalenmachine. Je hebt genoeg mensen die denken dat sport op zichzelf de reden is dat sport bestaat: sport for sport’s sake. Vooral menig topsporter verkeert vaak in die veronderstelling. Wat ook wel weer logisch is, want de topatleet is voortdurend omringd door trainers, medesporters en sportverslaggevers die maar al te graag bereid zijn het waandenkbeeld te bevestigen.

Maar ik weet zeker dat niet de zwetende sporter en zijn gevecht met de tegenstander de verklaring is voor de voorname rol die sport speelt in de moderne samenleving. Het is onze behoefte aan verhalen. De held van vandaag wordt moeiteloos ingeruild voor die van morgen, zijn prestaties verdwijnen in de mist en zijn records worden verbeterd, maar de verhalen die hij heeft geschreven blijven bestaan – als ze tenminste een beetje knap zijn genoteerd.

Als van topsport wordt gezegd dat het zo belangrijk is, bijvoorbeeld omdat het ons verbindt, is de eigenlijke boodschap dat de verhalen over sport ons verbinden. Sport zelf doet niks.

De Amerikaanse verhouding tot sport kan gemakkelijk in één woord worden samengevat: heldenverhalen. Zegevierende helden, tragische helden: helden. Ik had voor ik het verhaal van W.C. Heinz las nog nooit van Al ‘Bummy’ Davis gehoord. Er liep geen lijn van het verhaal naar een mij bekende werkelijkheid – meestal de aanleiding voor een sportverhaal. Een sporter heeft iets gedaan wat enige opzien baarde en een schrijver – vaak een sportjournalist – komt op het idee dat zo snel mogelijk uitgebreid op te schrijven. Hij weet hoe het ervoor staat: zodra de prestatie naar de achtergrond verdwijnt, verliest ook het verhaal snel aan waarde en kan hij een bestseller wel vergeten. Meestal leiden dit soort pogingen nergens toe; de schrijver en de atleet, samen op weg naar de vergetelheid.

Maar het gaat niet altijd zo. Soms is een verhaal zo krachtig en vervolgens ook nog zo sterk opgeschreven dat het overleeft, ook als de sportieve voorvallen die aan de orde komen allang zijn vergeten. Op dat moment vindt een opmerkelijke transformatie plaats: de non-fictie treedt het terrein van de fictie binnen. Als er voor de lezer geen referenties meer zijn naar personen en gebeurtenissen die hij nog kent uit de werkelijkheid, wordt een feitelijk relaas fictie. En wanneer de schrijver dan ook nog eens de verteltechnieken van de fictie gebruikt om zijn non-fictieve verhaal te vertellen, wordt het verhaal boven zichzelf uitgetild.

Je hebt nog nooit van Al Davis gehoord en je vindt boksen een afschuwelijke sport – maar je leest het verhaal, er is geen ontkomen aan. Journalistieke non-fictie is fictie geworden. De titels van Heinz’ verhalen in de verzamelbundel The Top of His Game zijn de titels van korte verhalen, alsof Heinz wist wat de teksten te wachten stond: ‘How They Told Charlie Keller’, ‘The Fighter’s Wife’, ‘The Man Who Belongs in Blue Jeans’, ‘The Artist Supreme’.

Foto Olivier Heiligers

Heinz beïnvloedde de schrijvers van het New Journalism: Talese, Wolf, Mailer. Alle drie schreven ze over sport en alle drie stelden ze het verhaal ver boven het verslag – sport leverde de onderwerpen en de hoofdpersonen, maar deed er verder niet zoveel toe.

Zo begint Ali  Een leven van Jonathan Eig, de eerste volledige biografie van Muhammad Ali, de bokser, The Greatest, Cassius Clay, de wereldkampioen, de eerste rapper: ‘Een lange, zwarte Cadillac glijdt langs wuivende palmbomen en stopt voor het Surfside Community Center. De namiddagzon blikkert op de chromen bumpers van de auto. Cassius Clay stapt uit. Hij draagt een op maat gemaakt spijkerjasje en zwaait met een pedant wandelstokje.

‘Hij kijkt of iemand hem al heeft opgemerkt.

‘Nog niet.

‘Hij roept: ‘Ik ben de grootste in de geschiedenis. Ik ben de koning!’’

Het kan zijn dat je nog nooit van Cassius Clay hebt gehoord, dat het bestaan van de beroemdste sportman van de 20ste eeuw je volledig is ontgaan; het kan zijn dat je niets weet van zijn bemoeienis met het racisme in zijn land, met de oorlog in Vietnam. Mogelijk heb je geen idee wie Joe Frazier was en moest je ten tijde van ‘The Thrilla in Manila’ nog geboren worden. Dat zijn allemaal geen redenen om Ali – Een leven niet te lezen.

Ali – Een leven mag je als een romantitel in de oren klinken en er is ook niets op tegen het boek te lezen als een roman over een geniale bokser die de weg kwijtraakt. Een sporter die in het hart van de Amerikaanse geschiedenis van de jaren zestig en zeventig staat, die een land doormidden splijt, die wordt misbruikt door de aasgieren om hem heen en die zelf de talloze vrouwen in zijn omgeving behandelt als oud vuil. Een man die weigert zich neer te leggen bij de status quo, die de macht tart, die 200 duizend stoten tegen zijn hoofd krijgt en eindigt als een trillende parkinsonpatiënt. Die van rabiate moslimfundamentalist een milde soefi wordt.

Dat is een romanverhaal, al zou je het misschien een ongeloofwaardig verhaal hebben gevonden als Eig het allemaal had verzonnen.

Ali  Een leven gaat over een bestaan dat vorm heeft gekregen via de sport, het onderwerp is roem – vergaard via de sport. En toch is dit typisch een sportboek voor sporthaters, een sportboek dat niet over sport gaat – de vuist op de cover is geen boksersvuist, maar een mensenvuist.

Eig schreef een bizar verhaal en een aanklacht. De hoofdpersoon is groter dan hij in het echte leven ooit heeft kunnen zijn, en toch is er niets aan gelogen. Over vijftig jaar kun je het lezen en weet je hoe het was, in Louisville, Kentucky, in 1964. Hoe het was om zwart te zijn in de Verenigde Staten. Hoe het was om Muhammad Ali te zijn, The Greatest.

Je hoeft niet eens van boksen te houden om Ali – Een leven te waarderen. Sterker: de kans is groot dat zelfs de boksliefhebber na lezing walgend een andere favoriete sport gaat kiezen.

Er zijn veel meer geweldige sportboeken die niet over sport gaan. Dat komt juist door de aard van sport: het is niks, dus alle betekenis moet er van buitenaf in worden gelegd. Soms gebeurt dat knullig, soms subliem. Geef één wielerkoers in handen van een begenadigd schrijver, en hij maakt er een verhaal van dat alles en tegelijkertijd niets met sport te maken heeft, en des te meer met de menselijke staat. Sport is een pijnlijk scherpe spiegel met winnaars en verliezers, hoop en wanhoop, glorie en frustratie, poseurs en echte mensen.

Wat dat tennisboek betreft: dat bestaat. Het heet String Theory en het is van de in 2008 overleden Amerikaanse auteur David Foster Wallace. String Theory, in 2016 ook gepubliceerd in de Library of America, bevat vijf sublieme essays over tennis – of juist niet over tennis. De essays van Wallace worden door sommigen gezien als het beste wat ooit over sport is geschreven – ze gaan niet over sport.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.