De beste boeken van 2006

Vijftien recensenten van Cicero maakten een topdrie van de huns inziens beste boeken uit 2006...



De topdrie van Paul de Pondt

Jonathan Littell: Les Bienveillantes (Gallimard)

Alberto Manguel: The Library at Night (Knopf)

Peter Sloterdijk: Het kristalpaleis – Een filosofie van de globalisering (Boom)

Terecht kreeg de debuutroman Les Bienveillantes van Jonathan Littell dit jaar de Prix Goncourt en de Grand Prix du roman de l’Académie française. Zonder enige schroom of spijt biecht een voormalig Obersturmbahnführer zijn oorlogsverleden op. Het is een huiveringwekkend verhaal, meer dan negenhonderd pagina’s, over de nazistische moordpartijen en de holocaust. Les Bienveillantes, een kil en hard boek over de ‘dansmeesters van de dood’, is gecomponeerd als een muziekspektakel, met een strakke tijdmaat en een tergende melodie, het staccato van ‘bevel is bevel’. Verschijnt in 2008 in het Nederlands bij De Arbeiderspers.

Lezen, zegt Alberto Manguel, ‘geeft je vleugels’. Het is gelijk aan ademen. In The Library at Night vertelt hij over zijn eigen, grote bibliotheek, zijn duizenden boeken en over hoe het lezen zich hecht aan alles wat hij doet. Tegelijk is het ook een erudiet verhaal over de geschiedenis van de bibliotheken, al even schitterend en toegankelijk geschreven als het succesvolle Een geschiedenis van het lezen. In het boek, dat komende zomer in het Nederlands bij Ambo verschijnt, laat Manguel zich kennen als een eclectisch lezer. In zijn bibliotheek is het een en al geordende chaos, de boeken zijn er gerangschikt ‘als goede buren’.

In Het kristalpaleis – Een filosofie van de globalisering, een zijpaneel van zijn magistrale Sphären-trilogie, heeft Peter Sloterdijk het over de ‘globaliseringsnervositeit’. Niet in de oorlog schuilt het grootste gevaar, maar in de paniek. Op een provocerende manier toont hij aan waarom het wereldburgerschap een fictie is en hoe we onze plaatsgebondenheid, dat verlangen naar ‘de eigen plek’, schromelijk hebben onderschat. Sloterdijk verzet zich met veel taalacrobatiek en speelse argumentaties tegen lawaaiige globaliseringsliteratuur en de angstscenario’s van doemfilosofen en politieke publicisten.

De topdrie van H.J. Schoo

Sam Harris: Letter to a Christian Nation (Alfred A. Knopf)

Joseph Heath en Andrew Potter: Nation of Rebels – Why Counterculture Became Consumer Culture (Harper Business)

Willem Otterspeer: Orde en trouw – Over Johan Huizinga (De Bezige Bij)

Hoe gaan seculiere intellectuelen om met de terugkeer van religie in ons publieke leven? Met de opdringerige vestiging van de islam in onze streken en kwezelachtige christenen die onder dekking van Allah hun irrelevantie trachten te overwinnen? De stand van zaken record stemt niet gerust. Tegen het christendom was het voor Europese vrijdenkers makkelijk foeteren, de islam doet ze op eieren lopen. Sam Harris – als Amerikaan omspoeld door een grondzee van religiositeit – heeft geen last van die schroom. In zijn fraaie tirade Letter to a Christian Nation , een vervolg op het studieuzere The End of Faith, trekt hij ouderwets van leer tegen de gevaarlijke onredelijkheid van heel en half gelovigen, hun drogredeneringen en vijandigheid jegens de moderne wetenschap. Slechts op één manier toont Harris ‘respect’ voor hedendaagse zeloten: door hun opvattingen serieus te nemen en er vervolgens geen spaan van heel te laten. Opluchtend en opwekkend.

Het Canadese duo Joseph Heath en Andrew Potter reeg – al in 2004 overigens – een glanzende kraal aan het steeds langer wordende snoer van jaren zestig revisionisme. Na een wat moeizaam begin lokaliseren beide filosofen op overtuigende wijze – vaak met aan de economie ontleende argumenten – de wortels van het huidige consumentisme in de counterculture, die doorgaans juist geacht wordt de strijd te hebben aangebonden met Otto Normalverbraucher en ‘misselijkmakende middenstand’. Zonder schrilheid, intelligent, erudiet, geestig corrigeren zij die gangbare ‘romantische’ visie op het invloedrijkste decennium van de laatste halve eeuw. De counterculture bestreed de (bohémien) massacultuur niet, zij bracht haar onontkoombaar voort.

Een zeldzaam kleinood, zowel inhoudelijk als stilistisch, is de verhandeling van de Leidse (universiteits)historicus en Bolland- en Hermans-biograaf Willem Otterspeer over die andere Leidse geschiedkundige, Johan Huizinga. Orde en trouw is een daad van liefde, bewondering, identificatie zelfs, tot in de taal, maar – en dat is het ongehoord knappe – toch ook gedistantieerd en dus gespeend van dweepziekte. Nader tot Huizinga, hoe onvatbaar de man en zijn genie ook nu blijven.

De topdrie van Wineke de Boer

Colette: Chéri (Atlas)

Michèle Desbordes: De blauwe jurk van Camille (Van Oorschot)

Olivier Rolin: De uitvinding van de wereld (IJzer)

Dat vrouwen op leeftijd een veel jongere minnaar nemen, mag dan vooral onder celebrity’s een trend zijn, eigenlijk is de jonge hond als amant nooit ‘uit’ geweest. In het onlangs opnieuw vertaalde Chéri uit 1920 vertelt Colette over een dame op leeftijd die haar liefje volwassen ziet worden. Het verhaal is, ondanks de karikaturale aanzet van dat de mooie Chéri wat karikaturaal wordt aangezet, fris en eigentijds. Een heerlijk boek.

In en in treurig, maar hartverscheurend mooi is De blauwe jurk van Camille, een van de laatste romans van de begin dit jaar overleden Michèle Desbordes. De schrijfster verhaalt hierin over de periode van dertig jaar die beeldhouwster Camille Claudel doorbracht in het gesticht. Desbordes’ meanderende stijl vol herhalingen nodigt uit tot langzaam lezen, en sluit hierdoor perfect aan bij het trage voortkruipen van de jaren, het wachten van Camille op de schaarse bezoekjes van haar broer en een enkele brief.

Het meest ambitieuze boek dat dit jaar in vertaling uitkwam, is dat van Olivier Rolin. Voor het schrijven van De uitvinding van de wereld gebruikte Rolin 491 kranten, allemaal van dezelfde dag; 21 maart 1989. De hoofdpersoon, een schrijver, neemt zich voor om de hele wereld zoals die zich op die dag voordoet, te beschrijven. De schrijver is als een alomtegenwoordige god: onder zijn pen wordt het vlees Woord. Alsof dat nog niet genoeg is, maakt Rolin gebruik van de wereldliteratuur om zijn roman te vormen: hij citeert en pasticheert en put naar hartelust uit onder meer de Bijbel, Duizend-en-één-nacht, de Ilias van Homerus, Metamorphosen van Ovidius, werk van Jules Verne, George Perec, Rimbaud, James Joyce, Dante, Jorge Luis Borges. Het resultaat is een lyrisch getoonzet web vol verwijzingen en allusies, waarin verhalen als kralen aaneen worden geregen tot een bonte mantel waarin niettemin alles met alles in verbinding staat. Een genot, dit boek, om te lezen waarvan je alleen maar zin krijgt in meer lezen.

De topdrie van Ed Schilders

Matthijs van Boxsel: Deskundologie – Domheid als levenskunst (Querido)

Gerrit Komrij: Kakafonie – Encyclopedie van de stront (Bezige Bij)

Nicoline van der Sijs: Calendarium van de Nederlandse taal (SDU)

Ze hebben meer met elkaar gemeen, deze drie beste boeken anno 2006, dan het noemen van hun titels zou doen vermoeden. Bijvoorbeeld de jarenlange toewijding van hun auteurs voor hun onderwerp. Matthijs van Boxsel begon zijn onnavolgbare speurtocht naar het wezen van de domheid en de vele gedaanten waarin die gestalte heeft gekregen in 1986. Gerrit Komrij definieert zijn boek in het voorwoord als het resultaat van ‘een kwarteeuw ophoping’. En wie het omvangrijke taalbeschouwende werk van Nicoline van der Sijs kent, begrijpt dat haar Calendarium daarop een virtuoze index is in jaartallen.

De lezer zij gewaarschuwd: het zijn drie beulen van boeken. Alles willen ze ons vertellen over hun onderwerp. En om het nog wat erger, en dus aangenamer, te maken: je kunt ze het best alle drie tegelijk lezen. Want ‘babbelen’ komt van de toren van Babel, beweerde Goropius Becanus in 1569 (Van der Sijs), en ‘Babel’, schrijft Van Boxsel, is een woordspeling op ‘bab-el’ ofwel ‘hij verwart’. Het spreekwoord ‘Hij lijkt op stront’ komt in 1727 voor in het spreekwoordenboek van Carolus Tuinman (Van der Sijs), maar wie de ‘drekpoëzie’ van deze Tuinman wil lezen, moet daarvoor bij Komrij zijn.

François Rabelais en zijn helden Gargantua en Pantagruel komen in alle drie voor. Bij Van Boxsel strooit Pantagruel ‘handenvol bevroren woorden’; dat zal Van der Sijs aanspreken. In de dunne Komrij ontdekt Gargantua proefondervindelijk de perfecte ‘gatwisser’; een prototype, lijkt me, van deskundologie. En bij Van der Sijs lezen we dat in de eerste Nederlandse Rabelais-vertaling (1682) het woord ‘ezelsbrug’ voorkomt. Kijk in Van Boxsel voor afbeeldingen van de gatwisser die op elk kippenei een barcode plaatst. In Komrij voor afbeeldingen van kakhuisjes. En lees bij Van der Sijs hoe ‘kakhuis’ vanaf welk jaar werd uitgesproken op Ceylon en in India.

De topdrie van Jos de Beus

Stathis Kalyvas: The Logic of Violence in Civil War (Cambridge University Press)

Amartya Sen: Identity and Violence (Norton)

Philip Tetlock: Expert Political Judgment (Princeton University Press)

We zouden mogen spreken van normalisering van instabiliteit wanneer zelfs de oudste en rijkste democratieën worden getroffen door brandstichting, terreur en gifmoord in hun binnensteden. De fraaie studies in de politieke wetenschap gingen dit jaar over beschrijving, verklaring en voorspelling van gewelddadige opstandigheid.

Stathis Kalyvas’ The Logic of Violence in Civil War is een koele en indringende ontleding van geweld tussen burgers. Hoe komt het toch dat strijd tussen landgenoten zo grillig is (het ene dorp verwoest, het naburige dorp ongeschonden), zo bruut verloopt, zoveel nieuwe groepsverschillen opwekt en vaak samengaat met beschuldig- en afrekengedrag in de persoonlijke sfeer? Kalyvas beschrijft de collaboratie, gebiedsbeheersing, en lukrake, selectieve en intieme uitingen van geweld. Alles wat de ontzette kijker van Irakese televisiebeelden wil weten, staat in een nu al klassieke tekst over de Griekse Burgeroorlog tussen 1943 en 1949.

Amartya Sens Identity and Violence verklaart maatschappelijk geweld uit de politiek, en wel uit een politiek die een bepaald groepskenmerk van mensen verabsoluteert. Het essay van Sen is een bezinning op zowel het sektarische hindoeïsme in India tijdens het bewind van de Bharatiya Janata Partij (1998-2004) als het starre multiculturalisme in het Groot-Brittannië van Tony Blair. Sen bewijst dat de gewetensvrijheid, kansengelijkheid en wederkerigheid van een pluralistische samenleving in hun tegendeel veranderen zodra politici hun achterban opsluiten in een subcultuur. Gesloten groepsdenken vergoelijkt apartheid.

Expert Political Judgment van Philip Tetlock gaat over de vraag welke deskundigen de toekomst van geweld en pacificatie het best voorspellen. Dit speelse boek in de empirische psychologie toont aan dat deskundigen met gevoel voor ingewikkeldheid, scepsis en zelfkritiek (zogenoemde vossen) de beste voorspellers zijn, terwijl nieuwsmedia het liefst experts aan het woord laten met een simpel wereldbeeld en beperkte voorspelkracht, de zogenoemde egels.

De topdrie van Michaël Zeeman

Frits van Oostrom: Stemmen op schrift – Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300 (Bert Bakker)

Willem Otterspeer: Orde en trouw – Over Johan Huizinga (De Bezige Bij)

Auke van der Woud: Een nieuwe wereld – Het ontstaan van het moderne Nederland (Bert Bakker)

Terwijl er een tomeloze verwarring heerst over wat Nederland is, wat zijn cultuur en geschiedenis voorstellen en wat de zeggingskracht van de Nederlandse tradities is, wordt er door enkelen op zelden eerder vertoond niveau over de cultuurgeschiedenis van Nederland geschreven. Er kwam dit jaar een voorstel voor een historische canon van Nederland om de ergste bêtises die daarover worden gedebiteerd, te weerspreken en mogelijk in de toekomst te voorkomen. Maar er kwamen vooral drie boeken uit die demonstreren hoe superieur over die cultuurgeschiedenis nagedacht, geoordeeld en geschreven wordt.

Door zeer weinigen, dat wel.

Frits van Oostrom beoefent de literatuurgeschiedenis als ambacht en als intellectuele discipline; zijn boek brengt de vroegste geschiedenis van de Nederlandse literatuur beter en rijker in kaart dan enigerlei auteur vóór hem, maar doet dat bovendien op een aanstekelijk intelligente manier.

Willem Otterspeer maakt een reverence naar zijn grote voorganger Johan Huizinga, maar wel op gelijk niveau. Soms kent hij Huizinga, zijn inspiraties, ambities en obsessies beter dan Huizinga zichzelf gekend kan hebben. Zijn boek is cultuurgeschiedenis, stijl en levenswijsheid ineen.

Auke van der Woud, ten slotte, schreef op een fenomenale wijze de geschiedenis van het veranderende Nederland, met de gedrevenheid van iemand die weten wil wat er werkelijk gebeurd is. Niet alleen de oppervlakte telt voor hem, zijn belangstelling geldt de dieper liggende lagen.

De topdrie van Hans Bouman

Dave Eggers: What Is the What (Mc-Sweeney’s)

Benjamin Kunkel: Besluiteloos (Rothschild & Bach)

Claire Messud: De kinderen van de keizer (Anthos)

Drie romans die gemeen hebben dat ze op een fascinerende, literair zeer aanstekelijke manier morele vraagstukken aan de orde stellen. Dave Eggers, die zich al sinds jaar en dag als een buitengewoon maatschappelijk betrokken auteur opstelt, verraste met een gefictionaliseerde biografie van een Soedanese vluchteling. Velen zouden het een weinig sexy onderwerp vinden, maar in de handen van de auteur van A Heartbreaking Work of Staggering Genius wordt het, tja, een hartverscheurend boek dat niet gespeend is van – et cetera.

De publicatie van Benjamin Kunkels Besluiteloos bevestigt dat het wel snor zit met de aanzuigende werking van het door Eggers geïnitieerde en ook door een auteur als A.M.Homes gedeelde maatschappelijke bewustzijn in de VS. Kunkel schreef met Indecision hét (Engelstalige) debuut van 2006. Ook dit boek heeft, zijn boodschap ten spijt, niets van een handvest of traktaat. De humor en de snedige oneliners vliegen de lezer om de oren. Wat een schrijf- en vertelplezier!

Claire Messud brak dit jaar definitief door met de afwisselend fijnzinnige en scherpe post-9/11-zedenschets The Emperor’s Children. Voor haar personages vormen de verwikkelingen in het boek een even rauwe ontnuchtering als 11 september voor Amerika en de wereld was. Prettige overtuiging: Eggers, Kunkel en Messud gaan hun mooiste werk nog schrijven.

Een eervolle vermelding verdient, ten slotte, Hans Steketee, die met Eiland tussen de oren (Prometheus) prachtig en informatief over dat ongrijpbare Verenigd Koninkrijk schreef.

De topdrie van Maarten Doorman

Gunnar Decker: Gottfried Benn – Genie und Barbar – Biographie. (Aufbau-Verlag)

Kerstin Decker: Heinrich Heine, Narr des Glücksm – Biographie. (Propyläen)

F.M. Dostojevski: Aantekeningen uit het ondergrondse (Athenaeum-Polak & Van Gennep)

In ons land canonde men er het afgelopen jaar lustig op los. Voor een paar serieuze schrijversbiografieën konden we echter goed in Duitsland terecht.

Bij de familie Decker is er de afgelopen jaren flink aan gewerkt. Eerst kwam mevrouw Kerstin Decker bij Heines 150ste sterfdag met een biografie van de ‘schepper van operettelyriek, verpakt in cynisme’, zoals Karl Kra us hem noemde. De idealist zonder ideologie werd gehaat door conservatieven en gewantrouwd door revolutionairen. Zelf bleef Heine luchtig tot op zijn langdurige sterfbed te Parijs. ’s Ochtends werd hij ter verschoning opgetild en dan schreef hij zijn vrienden ’smiddags dat Parijs hem op handen droeg. Dat is de juiste toon voor een schrijver.

Meneer Gunnar Decker bleef niet bij mevrouw Decker achter en publiceerde later in het jaar ter herdenking van de dichter Gottfried Benn een even omvangrijke levensbeschrijving, Genie und Barbar. Deze soms morbide dichter zag aanvankelijk wel wat in de nazi’s. Benn werd gehaat door de schrijvers die het regime van Hitler moesten ontvluchten, en door de nazi’s werd hij al snel gewantrouwd. Ze noemden hem een geiler Mistfink. Vrouwen vielen voor hem, maar je mocht wensen dat hij zijn eigen uitspraak wat serieuzer had genomen, dat ‘goede regie beter is dan trouw’, zoals een criticus niet ongeestig schreef.

De derde biografie die mij trof, was een autobiografie, verzonnen door Dostojevski. De opnieuw vertaalde Aantekeningen uit het ondergrondse (1864) gaan over een man die gehaat wordt door iedereen en door zichzelf terecht wordt gewantrouwd. Dostojevski lijkt in dit boek op Houellebecq, schreef de Volkskrant: ‘een matig verhaal in verontrustend, cynisch proza. Proza, waar de filosoof Nietzsche van opveerde en dat Jean-Paul Sartre later zag als een voorloper van de walging die in zijn existentialisme een doortimmerde filosofische basis kreeg.’

De topdrie van Kees Fens

Frits van Oostrom: Stemmen op schrift – Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300 (Bert Bakker)

Eric Jorink: Het Boeck der Natuere – Nederlandse geleerden en de wonderen van Gods schepping 1575-1715 (Primavera Pers)

A.N.Wilson: Betjeman (Hutchinson)

Mijn verbeelding kan krimpen natuurlijk, waardoor ik een allochtoon word in de wereld van de roman, maar het is niet alleen mijn indruk dat de non-fictie boven de fictie begint uit te groeien in literaire grootheid. De geleerden gaan steeds beter schrijven, hun vermogen tot verbeelding wordt ook steeds groter: het wetenschappelijk proza begint, o geluk, essayistische karaktertrekken te krijgen, waardoor het wint aan gewaagdheid en literaire gelaagdheid. Het eerste deel van de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, Stemmen op schrift, van Frits van Oostrom is een voorbeeld van dat samengaan van wetenschap en essay in een boeiend proza, waarin een indrukwekkend beeld van de vroegmiddeleeuwse Nederlandse literatuur wordt opgeroepen. Ik acht dit boek het absolute literaire hoogtepunt van het jaar.

We worden verwend met beschavingsgeschiedenissen en de grote tradities daarin. Vorig jaar met Landschap en wereldbeeld van Boudwijn Bakker, dit jaar met Het Boeck der Nature van Erik Jorink. Met Constantijn Huygens en Swammerdam als schitterende hoofdfiguren wordt de paradoxale wetenschapsgeschiedenis van de Nederlandse 17de eeuw geschreven: een zeer progressief onderzoek der natuur vanuit een conservatief geworden religieuze gedrevenheid: de luis onder de microscoop verkondigt Gods glorie. En zal die bij nader wetenschappelijk toezien steeds luider verkondigen. De studie laat een vertrouwd beeld verschuiven. Het eerste hoofdstuk, over Huygens, reken ik tot het mooiste dat ik dit jaar heb gelezen.

Het was dit jaar honderd jaar geleden dat John Betjeman werd geboren, lange tijd Engelands knuffel, hofdichter, door iedereen verwende excentriek, verloren Victoriaan, beledigde vriend van velen. Hij kreeg van A.N.Wilson zijn tweede biografie, gewoon Betjeman getiteld,het geestigste boek dat ik dit jaar heb gelezen: zeer vilein, vol hogere roddel, met fraaie portretteringen van veel tijdgenoten van Betjeman. En met aan het slot het grote raadsel van Betjemans ongekende en nooit meer geëvenaarde populariteit.

Toegift: deze radeloosheid van een horlogemaker zal iedereen als spiegel van zijn bestaan of dat van God lezen. Tomas Lieske liet hem tot zijn ‘onderdelen’ spreken in het mooiste gedicht van het jaar (uit: Hoe je geliefde te herkennen). De eerste wanhoop:

‘Jullie kleine, zotte, vingernageldikke, hemellichte/ Onderdelen die in een schommelwankel schakelslinger tempo/ Tussen de tanden van het rad moeten grijpen, maar ontsnapt zijn/ Uit de gang’.

De topdrie van Arjan Peters

Arnon Grunberg:Tirza (Nijgh & Van Ditmar)

Saskia de Coster:@ Eeuwige roem (Prometheus)

Juli Zeh: @Speeldrift (Anthos)

Drie romans van dertigers troffen mij het meest. Bij Arnon Grunberg (1971) wordt een kneuterige scène in een gegoede Amsterdamse buurt ogenschijnlijk logisch uitgekleed, en blijkt die de aanvang te zijn van de onttakeling van een burgerman. Humoristisch, wrang en met een grillige fantasie tracht Grunberg de ondergrens van het nihilisme aan te boren. Ik beschouw de tweede helft van het boek als een droom, die de hoofdpersoon leert dat hij niet werkelijk nihilistisch kan zijn. Hij faalt. Als hij bijna niemand meer heeft en zichzelf in de woestijn kan ombrengen, is er toch nog iemand die hem daarvan weerhoudt. In leven blijven is doorgaan met falen, telkens opnieuw.

Saskia de Coster (1976) verdeelt zichzelf over een meisje dat droomt over het Boek vol Wijsheid, en een topzangeres die de wereld over reist. Pratende dieren en planten, pratende doden ook, agressieve kerels en loerend gevaar, spitse dialogen, plaatjes en tekstuele grappen, alles mag meedoen om de fictie leven in te blazen, die als schild kan worden gebruikt om het leven draaglijk te maken. Het komt aan op lenigheid, en die bezit De Coster in hoge mate.

De Duitse juriste en schrijfster Juli Zeh (1974) schetst in haar door John Breeschoten vertaalde roman een dilemma: de docenten op een gymnasium in Bonn verdedigen de aloude waarden en normen, maar stuiten op een muur van retorische begaafdheid onder twee van hun leerlingen, Ada en Alev, die besluiten nergens meer in te geloven. Wie kan hen dan ergens op aanspreken? Net als bij Grunberg en De Coster ontbreekt het geweld niet, ook bij Zeh wordt het spel levensgevaarlijk, en ook zij laat zien dat de actuele ideeënroman het spannendste onderzoek kan zijn.

De topdrie van Aleid Truijens

Hella Haasse: Het tuinhuis (Querido)

Esther Jansma: Altijd vandaag (De Arbeiderspers)

Alvaro de Campos: Gedichten 1913-1922 (De Arbeiderspers)

Er zijn van die jaren dat bijna alle lezen ondergeschikt is aan een groter project – het toegepaste, dienstbare lezen. Zo kom je van alles te weten over stoomtrams, forten en dinky toys, maar houd je zelden een versgedrukt boek in handen.

Wel liggen er boeken op het nachtkastje, de lievelingen. Daaruit drie.

Onlangs verscheen een bundel van Hella S. Haasse met nooit eerder in boekvorm verschenen verhalen, Het tuinhuis. Mochten er nog mensen bestaan die nog nooit iets van haar gelezen hebben: elk van deze verhalen is een samengebalde oer-Haasse. Telkens draait het om een geheim, een conflict uit het verleden, een verzwegen daad, een ongerijmde vondst die onbegrip tussen mensen pijnlijk onthult. Met haar grote verbeeldingskracht laat Haasse steeds dat ene oplichten, waarover niet gesproken kan worden. Welk verhaal is het mooiste? Het titelverhaal misschien, over een dochter die met tegenzin haar verslonsde moeder bezoekt. Of toch de smartelijke Indische verhalen ‘Een perkara’en ‘De Lidah boeaja’? Het duistere, keelknijpende ‘Genius loci’? Ik kan niet kiezen.

Verzamelde werken leiden vaak tot verveling door overvloed. Dat overkwam me niet bij Esther Jansma’s Altijd vandaag, een bundeling van haar gedichten tot nu toe. De verzameling toont een razendsnelle ontwikkeling: van een maakster van fraaie beelden tot een associatieve dichter die voelt met haar verstand, denkt in metaforen en omcirkelt wat onbenoembaar is.

Tot slot de Portugese dichter die zichzelf uitsmeerde over meer dan twintig anderen: Fernando Pessoa. August Willemsen vordert met zijn titanenklus, de vertaling van het gehele oeuvre. Afgelopen jaar waren de Gedichten 1913-1922 van Álvaro de Campos aan de beurt, Pessoa’s meest exuberante heteroniem, die met een stortvloed aan woorden, op het hysterische af, het Al probeert te omvatten. Maar ook hij komt, net als zijn schepper, niet tot de kern. Raadsels, ook hier weer.

De topdrie van Martin Sommer

Willem Elsschot: Lijmen/Het been (Athenaeum-Polak & Van Gennep)

Simon Jenkins: Thatcher & Sons – A revolution in three acts (Amazon.com)

Frank Furedi: Waar zijn de intellectuelen? (Meulenhoff)

De enige managementsroman uit de Nederlandse literatuur is Lijmen/Het been van Willem Elsschot, waarin alles al gezegd is over de oprichters van gratis kwaliteitskranten en soortgelijke helden van deze tijd. ‘Je bent een jaar of dertig, is ’t niet? Dan kan het nog gaan. Je komt bij mij in de leer met een of andere titel. Ik zal maar zeggen secretaris of hoofdredacteur. Zoek zelf maar eens naar een titel die in je smaak valt en vooral in de smaak van je cliëntèle. Of je getrouwd bent of niet kan mij niet schelen, evenmin wat je tot dusver hebt uitgevoerd. Maar je moet doen wat ik zeg.’ Meesterlijk.

Guardian-columnist Simon Jenkins kenden we als auteur van het briljante Accountable to none – The Tory nationalization of Britain (1995). Daarin beschreef hij precies hoe Mrs Thatcher het ene na het andere nutsbedrijf omtoverde in een half geprivatiseerde ‘quango’, tot directeurenvreugde en gebruikersverdriet. In 2006 publiceerde hij na ruim tien jaar een soort vervolg met Thatcher & Sons – A revolution in three acts . Ditmaal zet Jenkins uiteen hoe achter de ogenschijnlijke vermarkting onder Thatcher en haar ‘sons’ John Major en Tony Blair een ontzagwekkende samenballing van staatsmacht schuilgaat, geregisseerd door het ministerie van Financiën. Waarom hebben wij in Nederland niet dit soort boeken?

De Britse socioloog Frank Furedi wond zich op over het anti-intellectualisme in het onderwijs, aan de universiteiten, in de media en de cultuurinstellingen. Hij betoogt in Waar zijn de intellectuelen? dat de waarde van kennis en waarheidsvinding tegenwoordig onophoudelijk in twijfel wordt getrokken. Vooral aanbevolen voor aanhangers van het nieuwe leren zijn de passages over het courante idee dat kennis een sociale constructie is. Die gedachte leidt noodzakelijkerwijs tot debatten waarin elk argument wordt gekaatst met het tegenargument ‘dat vind jij’, ook wel ‘boeit me niet’. Onthutsend.

De topdrie van Wim Wirtz

Mark Kurlansky: @ Oesters van New York (Anthos)

Josef Bor:@ Requiem Theresienstadt (Wereldbibliotheek)

Philip Roth: @ Alleman (De Bezige Bij)

Veel boeken zijn (nog) niet gelezen en veel goede boeken vallen noodgedwongen af. In dit lijstje dan ook geen Tirza van Arnon Grunberg en Over de geest van de wetten van Montesquieu (nog op de stapel) of de fenomenaal geconstrueerde roman Buiten bereik (Cleaver) van Tim Parks (net buiten de boot gevallen).

Een podiumplaats in het genre van de non- fictie is voor Mark Kurlansky’s Oesters van New York (The Big Oyster), niet in het minst door de structuur en de stijl waarin de auteur over de geschiedenis van de stad vertelt. Het is een indrukwekkende oysters history die de stadsgeschiedenis vanaf de 17de eeuw tot in de kleinste details zichtbaar maakt, met leerzame, soms erg geestige uitweidingen over oesterkweek, soorten oesters, consumptie (inclusief recepten!), demografie, handel en ecologische gevaren. Een fascinerende studie.

Een onvergetelijk boekje is Requiem Theresienstadt van Josef Bor, een prachtig geschreven, ijzingwekkend verslag van een authentieke gebeurtenis in het concentratiekamp Theresienstadt, waar de dirigent Rafael Schächter joodse musici, zangers en zangeressen bijeenbrengt om Verdi’s Requiem in te studeren en zo te ontsnappen aan het perspectief van de verschrikking dat zich dagelijks aan hen opdringt. Gaandeweg valt een aantal van hen af en iedereen weet dat zij zijn weggevoerd naar wat zij allemaal vrezen, naar wat onzegbaar is en ook onzegbaar zal blijven. Het muziekstuk vindt z’n climax in een zaal vol nazi’s, waar koor en orkest aan het slot van hun concert met een rechtstreeks emotioneel appèl op de toehorende Eichmann en andere SS-kopstukken de vrijheid voor zich opeisen met een luid gezongen ‘Libera me’.

Ten slotte: Alleman van Philip Roth, een door het allegorische, 15de-eeuwse toneelspel Elkerlijc geïnspireerde roman over een oude man die geconfronteerd wordt met zijn lichamelijke aftakeling en in retrospectief met zijn leven, dat hij zich heel anders had voorgesteld. Een krachtig, universeel verhaal over verlies, spijt, dood en berusting.

De topdrie van Ranne Hovius

Douwe Draaisma:@ Ontregelde geesten. (Historische Uitgeverij)

Richard Powers: @ The Echo Maker (Farrar, Strauss & Giroux)

Sebastian Faulks: @ Human Traces (Hutchinson)

In de pioniersjaren van de psychiatrie en de neurologie vormden gevalsbeschrijvingen de kern van menig wetenschappelijk betoog. Hersenonderzoekers waren nauw betrokken bij het wel en wee van hun patiënten en gebruikten hun geschiedenissen om stoornissen af te bakenen. Douwe Draaisma kijkt in Ontregelde geesten met meeslepende nostalgie terug naar de tweede helft van de 19de eeuw, de tijd waarin de meeste hersenstoornissen de namen kregen die ze ook nu nog hebben. In dertien portretten schetst hij de mannen van wie de namen met een ziekte werden verbonden. Mensen als Alzheimer, Asperger, Parkinson en Capgras. Gevalsbeschrijvingen, stelt Draaisma, zijn tegenwoordig eerder een onderwerp voor romanschrijvers dan voor onderzoekers.

Als om zijn woorden te onderstrepen verscheen onlangs het prachtige The Echo Maker van de Amerikaanse schrijver Richard Powers, een roman die gelezen kan worden als een uitgebreide gevalsbeschrijving van het syndroom van Capgras. Een jongeman loopt door een auto-ongeluk hersenletsel op waardoor hij ervan overtuigd raakt dat zijn zus, zijn hond en zijn huis zijn verdwenen en vervangen door exacte kopieën. Met zijn vragen en angsten weet hij geleidelijk zijn hele omgeving in een staat van vertwijfeling te brengen over de eigen identiteit.

Ook in Human Traces van de Engelse schrijver Sebastian Faulk

\N
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden