De beschavende werking van domheid

'MATTHIJS VAN Boxsel heeft er zijn levenswerk van gemaakt alle facetten van de domheid in kaart te brengen.'..

Dat lezen we op de achterkant van het stofomslag van De encyclopedie van de domheid. Deze mededeling zou het idee kunnen doen postvatten dat met de publicatie van deze encyclopedie dat levenswerk als afgerond mag worden beschouwd. Niets is minder waar.

Weliswaar kwam de publicatie van dit omvangrijke boek over domheid als een verlossing voor degenen die het werk van Van Boxsel al enige jaren volgden - en mogelijk ook voor de auteur zelf - maar de domheid is zo dominant in de cultuur en in het menselijk gedrag aanwezig dat het nog maar de vraag is of één levenswerk van één auteur voldoende is om een min of meer definitieve anatomie of fysiologie van het begrip te construeren en te beredeneren.

'De domheid is het fundament van onze beschaving', schrijft Van Boxsel, en zijn zelfgekozen levenstaak is dus dat fundament, en niets minder, te verkennen, te beschrijven, en ten slotte te duiden in het licht van wat in ieder geval enige uitdagende vooronderstellingen zijn: dat domheid een voorwaarde is voor intelligentie, dat de blunder de vooruitgang stimuleert, en dat de mislukking de basis voor succes is.

Mogen dit stellingen lijken die gebaseerd zijn op een voorliefde voor paradoxen ('Geen mens is intelligent genoeg om zijn eigen domheid te begrijpen', is de treffendste), als de Encyclopedie ergens in slaagt, dan is het wel in het aanvoeren van een schier eindeloze reeks getuigen voor de verdediging van die paradoxen. Bijvoorbeeld: 'De encyclopedie van de domheid is zelf het product van een reeks min of meer mislukte pogingen de domheid te begrijpen.'

De resultaten van die pogingen werden in de tweede helft van de jaren tachtig voor lezers zichtbaar in de eerste uitgaven van De encyclopedie van de domheid. Het betrof een drietal kleine, zeer fraai vormgegeven boekjes waarin onder andere Robert Musils essay 'Über die Dummheit' uitgebreid aan bod kwam. De lezing van dat essay werd door Van Boxsel erkend als een voor hem beslissend inzicht: 'Het idee dat, naast wijsheid, waarheid en schoonheid, ook domheid een serieus onderwerp van studie kon zijn, kwam als een verrassing.'

De derde uitgave was gericht op Gustave Flaubert, wiens roman Bouvard en Pécuchet, en onderdelen daarvan onder de titel Woordenboek van pasklare ideeën gelden als hoogtepunten van ontmaskering van domheid. Toen werd het stil rond de Encyclopedie, een stilte die door Van Boxsel werd benut om zijn ideeën verder uit te werken. Hij gaf lezingen over domheid, schreef een essay in opdracht onder de titel 'Over de noodzakelijke domheid van de constitutionele monarchie', en moet ondertussen hard hebben gewerkt aan wat dan in 1999 de uitgave werd bij Querido: een omvangrijke, virtuoos gecomponeerde zoektocht naar en duiding van de domheid en haar samenstellende delen, hun samenhang, hun waarde voor onze cultuur en wetenschap.

Het werd een boek dat vooral maant tot bescheidenheid, zo niet intellectuele nederigheid, dat troost biedt inzake onze domheid: domheid heeft wel degelijk zin. Het is, kortom, een nieuwe Lof der zotheid. Gustave Flaubert hanteerde twee wapens tegen de domheid: de satire en de ironie. Van Boxsel, in het denkspoor van Musil, is niet langer tegen domheid, hij neemt domheid serieus. Daarmee sluit hij aan bij de Franse traditie, die onder anderen door Raymond Queneau en André Blavier is gecultiveerd, althans als we ons beperken tot domheid in geschrifte.

Ook in Frankrijk bestaat eigenlijk nog steeds wat we nu wel een scheiding der geesten mogen noemen: de scholastieke beschouwing van de domheid en de humanistische. De eerste klasseert evidente domheid, de tweede tracht domheid te plaatsen in de bredere samenhang van cultuur, psychologie, en filosofie. De eerste is eigenlijk het best getypeerd met woorden als bêtise en 'stommiteit' of 'blunder', de tweede is de beschouwende school van Queneau, Blavier, en uiteraard Van Boxsel. De scholastieken geven vrijwel onveranderlijk aanleiding tot kruisingen van dictionaires en bloemlezingen, alfabetisch of thematisch, waarin satire en cynisme voor het oprapen zijn bijeengebracht.

De Dictionnaire de la bêtise van Bechtel en Charrière is daarvan een voorbeeld, maar ook The Experts Speak van Cerf en Navasky. In zulke overzichten vinden we bijvoorbeeld brieven van uitgevers die een boek van Rudyard Kipling afwijzen, omdat zij menen dat de auteur de Engelse taal niet beheerst, of uitgevers die een boek van Marcel Proust weigeren, omdat hij te veel pagina's zou besteden aan de beschrijving van iemand die zich in bed omdraait. Dom, dom, dom, dat wel, maar alleen achteraf. De humanistische school heeft meer begrip, fantasie, en misschien ook medelijden.

In elk geval is zij altijd bereid om na te denken. In Frankrijk heeft Raymond Queneau voor die benadering de toon gezet met zijn publicaties over de 'fou littéraire', de 'geletterde zot'. We bevinden ons dan op het terrein van de domheid in boekvorm: boeken of brochures waarin bewezen wordt dat Troje in Zeeland lag, dat de maagd Maria in Engeland heeft gewoond, en dat cirkels terug te rekenen zijn naar vierkanten. Spraken Adam en Eva Vlaams in het paradijs? Is er leven op Mars? Is de planeet aarde toch niet plat?

In de reeks die De encyclopedie van de domheid is geworden, heeft Van Boxsel nu bij de Rijksuniversiteit Groningen een nieuwe aflevering het licht doen zien onder de titel Morosofie - Dwaze wijzen en wijze dwazen in Nederland. Hij volgt daarin de opzet die door Queneau werd aangegeven en die uiteindelijk geleid heeft tot Blaviers vuistdikke Les fous littéraires (1982).

Onderzoekt de morologie 'de wetten van de domheid', de 'morosofie' is dan uiteraard een boek dat de schrijvers van de domheid aan het woord laat. Schrijvers die in Nederland in de twintigste eeuw hun morosofische werk publiceerden. De grondwet wordt herschreven door een morosoof, de Elfstedentocht wordt geduid als een blauwdruk voor Palestina. Hunebedden zijn geen graven, het zuiden blijkt het noorden, en Shakespeare was eigenlijk niemand minder dan Francis Bacon.

Met deze bibliografische uitgave heeft Van Boxsel een begin gemaakt met de cartografie van de literaire zotheid in Nederland, een handleiding voor zelfstudie na de inleidende publicaties. Toch zal dit overzicht van nuttige domheid in de komende jaren moeten uitgroeien tot een even dik boek als dat van Blavier, want ik weiger te erkennen dat Nederlanders in domheid voor Belgen en Fransen tezamen onderdoen. De grootste winst van al die publicaties over domheid is eigenlijk nog wel deze: de hoge mate van uitdaging.

Denken over domheid als leerschool. Een echt geleerde universiteit zou Van Boxsel een leerstoel moeten aanbieden. Domheid zou onderdeel van ieders curriculum mogen zijn. Mits gedoceerd door Van Boxsel. En niet zomaar als een facultatief vak, maar met een behoorlijk aantal studiepunten, zoals dat tegenwoordig heet, in ons studiehuis.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.