Kunst reportage

De Belgische kunstenaar Éric Van Hove laat motorblokken van voertuigen nabouwen. Stukje voor stukje, in landen over de hele wereld, in allerlei materialen. Waartoe?

Éric Van Hove, D9T (Rachel's Tribute), 2015. Collectie Fries Museum, Leeuwarden. Beeld Éric Van Hove / Copperfield Gallery

Hij zet ambachtslui aan het werk in Marokko, Indonesië, Zweden en Friesland. En dat terwijl Van Hove ‘eigenlijk niets heeft met auto’s en motoren’. 

‘Ik wil platte dingen’, had houtsnijwerker Erno Korpershoek (62) van tevoren gezegd, en platte dingen heeft hij gekregen. Hij wijst naar de vensterbank van zijn werkplaats annex museum(pje) Het Snijpunt in De Knipe, vlak bij Heerenveen, waar het naar zaagsel ruikt en waar hij de afgelopen jaren een unieke verzameling Fries houtsnijwerk bijeen heeft gebracht. Daar liggen vijf vlakke stukjes groen geverfd metaal met gaten erin, afkomstig uit het motorblok van een Claas Jaguar veldhakselaar, een landbouwmachine met de naam van een romanpersonage. Korpershoek maakte ze, in opdracht van de Belgische kunstenaar Éric Van Hove, heel precies na uit lindehout en kerfde er toen naar eigen ontwerp rozetten en andere geometrische figuren in. Precies zoals hij dat al twintig jaar doet in tafelbladen, stoelzittingen en snijplanken. Als het maar plat is.

Beeld Foto Pauline Niks

Je verwacht het niet, maar boven de werkplaats Het Snijpunt van Erno Korpershoek in De Knipe, vlakbij Heerenveen, is een piepklein museum gevestigd. Je hebt er geen museumkaart voor nodig, slechts de toestemming van de Friese houtsnijder om de houten uitklaptrap te beklimmen tot vlak onder de zoldering. Daar stalde hij zijn bijzondere verzameling Fries houtsnijwerk uit: antieke lindehouten voorwerpen, zoals stoofjes, krantenhangers en mangelplanken, waarvan het oppervlak (soms meer dan een eeuw geleden) liefdevol en geduldig werd voorzien van gekerfde rozetten en andere Friese volkskunstmotieven.

Korpershoek is niet de enige ambachtsman die, aangestuurd door Van Hove, stukjes van het binnenste van het landbouwvoertuig kopieert. Ruim 2,5 duizend kilometer verderop, in een stoffig atelier aan de voet van het Marokkaanse Atlasgebergte, leunt Abdelkader Hmidouch (49) uit Marrakech in kleermakerszit tegen een groot rond kussen. Speciaal voor hem werd boven zijn hoofd een dakraam gemaakt, zodat hij de enige is die in de donkere werkplaats in het licht zit. Dat is niet voor niets. Zoals de motor het hart is van de Claas Jaguar veldhakselaar, zo is Hmidouch, een beer van een man met een overrompelende lach, het hart van deze ambachtscoöperatie. ‘Dragon’ is zijn eerste bijnaam. Hij overziet de werkzaamheden van de negen andere ambachtslieden die hier dagelijks zitten te schuren, slijpen, boren, vijlen, hakken en liters mierzoete muntthee drinken. Niets ontgaat zijn blik, elk onderdeel gaat door zijn handen. En wat voor handen. ‘Five kilo bananas’ is Hmidouch’ tweede bijnaam, omdat elke hand zo groot is als een tros bananen. Oké, bijna dan.

Hmidouch en Korpershoek kennen elkaar niet. Maar ze weten wat vakwerk is en herkennen kwaliteit van grote afstand. Kunstenaar Éric Van Hove (43) verbindt vanuit zijn werkplaats in Marrakech de beste ambachtslieden van over de hele wereld met elkaar via motorblokken. Jazeker: ambachtelijk gemaakte motorblokken, het hoe en waarom komt zo. Eerst die veldhakselaar.

Beeld Foto Dim Balsem

In de werkplaats van Éric Van Hove aan de rand van Marrakech staan de deuren altijd open. Ook ’s winters, wanneer de woestijnlucht verraderlijk koud is. Binnen is het donker en stoffig. Onder het toeziend oog van Abdelkader Hmidouch, en altijd voorzien van bungelende sjekkies en mierzoete muntthee, werken een stuk of tien Marokkaanse ambachtslieden aan diverse kunstprojecten van Van Hove. 

Marokko, Zweden, Indonesië en Friesland

Van Hove bedacht het plan met de Claas Jaguar voor zijn tentoonstelling Fenduq, die vanaf morgen te zien is in het Fries Museum in Leeuwarden. De expositie duurt een jaar. Gedurende die tijd worden de meer dan 600 onderdelen (het exacte aantal wordt pas later bekend) van het motorblok van de machine, ook wel de ‘Fryske Motor’ genoemd omdat-ie zo geliefd is op het Friese platteland, in verschillende materialen met de hand nagemaakt en versierd door om en nabij 30 ambachtslieden (ook dat precieze aantal moet nog blijken) uit Nederland, Marokko, Zweden en Indonesië. En door een 3D-printer die in Van Hoves kantoor staat te zoemen. Er zijn onderdelen van Marokkaans hout- en koperwerk, Zweeds glaswerk, Indonesisch snijwerk, Fries houtsnij- en zilverwerk, Hindelooper schilderwerk – en van kunststof. In een speciaal ontworpen werkplaats in het museum kan het bezoek de komende tijd de vorderingen volgen tot aan het moment dat het  blok in het najaar in elkaar wordt gezet. Daarna zal het in zijn geheel nog een paar maanden geëxposeerd worden. Het Fries Museum hoopt de motor uiteindelijk aan te schaffen voor de collectie.

Het project leidt, zoals alle projecten van de Meester van het Motorblok, tot een hoop bedrijvigheid en georganiseer. Niet alleen verschaft het betaald werk aan vakmensen die de laatste jaren moesten toezien hoe (vooral in Marokko) hun ambacht steeds minder werd gewaardeerd en zelfs nagenoeg verdween. Ook reizen de onderdelen van het motorblok heen en weer tussen de landen, om in de gaten te houden of de diverse materialen wel op elkaar aansluiten.

In oktober vorig jaar deed Van Hove met een paar van zijn Marokkaanse werknemers, onder wie Abdelkader Hmidouch, Leeuwarden aan. Het motorblok van de veldhakselaar werd uit elkaar gehaald en het merendeel werd alvast verdeeld onder de ambachtslieden. Ook reisde een aantal Nederlandse journalisten begin januari op uitnodiging van het Fries Museum naar Marrakech om een bezoek te brengen aan Van Hoves atelier aan de rand van de stad, en nader kennis te maken met de mannen (geen vrouwen) die er werken.

Omslachtig gedoe, zou je kunnen zeggen. Maar al die bewegingen zijn onderdeel van Van Hoves internationale kunstenaarspraktijk. Die is inmiddels uitgegroeid tot een zelfstandig opererende organisatie, met een circulaire economie, een eigen digitaal betaalsysteem en een eigen taal (een mengelmoes van Berbers, Frans, Engels, handgebaren en zwijgend naar elkaar grijnzen met een sigaret tussen de lippen). De kunstwerken die eruit voortkomen gaan over de herwaardering van lokaal, ambachtelijk handwerk, over technologische innovatie en over het verschil tussen kunst en kunstnijverheid (zie kader). Ze raken ook aan grotere, globale thema’s, zoals de economische gevolgen van de industrialisatie, immigratie, identiteit en de verdeling van welvaart. Het zijn onderwerpen waarmee je boekenkasten kunt vullen en die bovendien moeilijk te verbeelden zijn, maar Van Hove vond de perfecte metafoor in het motorblok.

Beeld Foto's Dim Balsem

Hier zet een aantal van hen een rijk gedecoreerde vliegtuigmotor in elkaar, een replica van de propellermotor zoals die in 1927 in de Spirit of St. Louis werd aangebracht, het eenmansvliegtuigje waarmee luchtvaartpionier Charles Lindbergh in datzelfde jaar voor het eerst de Atlantische Oceaan overvloog.

Het motorblok als poëtisch object

‘Motoren, auto’s – ik heb er eigenlijk niets mee’, zegt de Franstalige kunstenaar. Hij ziet de humor er zelf ook wel van in. Zijn werkplaats is de natte droom van iedere brommersleutelaar; je struikelt er over het gereedschap en overal staan hele of halve motorblokken. Achter hem is een aantal mannen volop bezig aan een van zijn nieuwe projecten: het in elkaar zetten van een vliegtuigmotor die ook op de tentoonstelling in het Fries Museum te zien zal zijn. Lachend vervolgt Van Hove: ‘Maar. Het motorblok is wel een poëtisch, iconisch object. Het is een van de belangrijkste economische uitvindingen voor de mens: niet alleen geschikt om voertuigen mee aan te drijven, maar ook om water uit de grond te krijgen in de woestijn en oceanen over te vliegen. En alles aan het motorblok, zelfs het kleinste schroefje, is belangrijk. Als er ook maar één radertje hapert, werkt het geheel niet.’

Dat alles met elkaar verbonden is, en het ene afhankelijk is van het andere, was niet altijd zijn overtuiging. Van Hove werd geboren in Algerije, groeide op in Kameroen als zoon van Belgische ingenieurs, deed de kunstacademie in Namen en woonde in Brussel en Tokio. Hij leefde het leven van de vrije kunstenaar en ging waar de wind hem bracht. Zijn kunst bestond uit een mix van performances en installaties die nooit een lang leven beschoren waren. Tot hij zes jaar geleden in Marokko kwam. Hij werd er verliefd, kocht een huis en opende in de oude garage daaronder een werkplaats, die hij Fenduq noemde. Dat is een samenvoeging van ‘fenn’, het Arabische woord voor kunst, en ‘funduq’, een tijdelijke handelspost waar in vroeger tijden karavaanreizigers elkaar ontmoetten en hun waar verkochten. Hier ontstond in 2012 het idee voor V12 Laraki, een kunstwerk dat twee jaar later op de Biënnale van Marrakech werd bestormd door een meute nieuwsgierige stadsbewoners.

De inspiratie kwam van een verhaal dat zijn vader, betrokken bij welzijnswerk in Kameroen, hem ooit had verteld. Het ging over een klein woestijndorp waar de waterpomp kapot was gegaan. Omdat de ingenieur (Van Hoves vader) niet direct ter plekke kon zijn en het dorp niet zonder water kon, hadden de bewoners de pomp uit elkaar gehaald en alle onderdelen uitgedeeld aan de kinderen van het dorp. Die stonden op volgorde van leeftijd opgesteld en kregen de opdracht goed te onthouden waar hun stukje precies hoorde. Nadat het kapotte deel was gerepareerd, leverden de kinderen in omgekeerde volgorde hun onderdeel weer in en werd de pomp in elkaar gezet. Toen Van Hoves vader eindelijk aankwam in het dorp, werkte het ding tot zijn grote verbazing weer als vanouds.

Van Hove voor zijn atelier. Beeld Dim Balsem

Met dat verhaal in zijn achterhoofd had Van Hove het motorblok van een V12 Mercedes-Benz uit elkaar gehaald en de 465 onderdelen door zo’n zestig Marokkaanse ambachtslieden laten namaken. Het was een symbolisch gebaar. In 2004 ontwierp autoproducent Abdeslam Laraki een auto die volledig in Marokko gemaakt moest worden: de Laraki Fulgura. Dat lukte niet: de motor moest van het Duitse bedrijf Mercedes komen. Dat deed pijn. Door het motorblok nu alsnog door lokale Marokkaanse ambachtslieden te laten maken, wiste Van Hove die pijn uit. Tijdens de avondopenstellingen van de Biënnale van Marrakech, de uren dat de tentoonstelling gratis toegankelijk was, werd het motorblok bewonderd door honderden mensen die niet per se in beeldende kunst waren geïnteresseerd, maar wel trots waren op het vakmanschap van hun stadsgenoten. En op de motor, die nu ook 100 procent Marokkaans was.

‘Ik zag mensen de omheining wegduwen’, vertelt Van Hove grijnzend. ‘Ze wilden de motor aanraken, er waren kinderen die erop klommen. Ik zag een oude vrouw die het blok een kus gaf. Het was bizar: dat een werelds object zo’n heilige status kon krijgen. Ik vond het erg inspirerend.’

V12 Laraki werd aangekocht door de Nigeriaanse conservator van de kunstcollectie van het Dartmouth College in de Verenigde Staten. De aankoop gaf Van Hove de financiële impuls die hij nodig had om zijn Fenduq draaiende te houden. Hij kon zijn werknemers naar behoren gaan betalen. Sindsdien verdienen ze 25 dollar per dag, hetzelfde als een politieagent in Marokko. En dat terwijl ambachtslieden, samen met taxichauffeurs, doorgaans behoren tot de slechtst betaalde arbeiders van het land.

Beeld Pauline Niks

Het schildersatelier waar Titus Stallmann van Roosje Hindeloopen zijn dagen doorbrengt met het beschilderen van de meubelstukken die zijn broer Johan maakt, is gevestigd in de nok van een 17de-eeuwse commandeurswoning in het Friese Hindeloopen. Of ja – atelier. Sommige delen van de knusse houten kamer doen eerder denken aan een kleurige druipsteengrot, waar stalagmieten van brokkelige verf de lucht in priemen. De vloeren zijn bedekt met spetters van decennia terug, de muren zijn met geologische lagen oude foto’s, tekeningen en krantenknipsels. Stallmann werkt in de authentieke Hindelooper traditie. Trefzeker schildert hij klassieke motieven als bloemen en vogeltjes met een ragfijn penseeltje. Pas op dat je geen ‘kwast’ zegt.

Elektrische brommer

De kunstenaar ontwikkelde nieuwe projecten. In 2014 realiseerde hij D9T, de motor van de indrukwekkende Caterpillar D9 bulldozer, gemaakt van 295 onderdelen van onder meer Surinaams tatajubahout, cederhout uit de Atlas en parelmoer uit Indonesië. Het kunstwerk werd vorig jaar aangekocht door het Fries Museum. Ook herbouwde Van Hove de ‘typisch Marokkaanse’ Mercedes 240D met reserveonderdelen, en initieerde hij in 2016 een vierjarig ontwerptraject voor de Mahjouba, een elektrisch brommertje om verliefd op te worden. Als alles goed gaat, wordt de brommer over een tijdje in productie genomen. En als het niet goed gaat? ‘Dan heb ik er een mooi kunstwerk aan overgehouden,’ lacht Van Hove nonchalant.

‘Mijn werk wordt door mensen uit de kunstwereld weleens gezien als imperialistisch’, zegt hij. Hij zou niet meer zijn dan een handelaar die in het buitenland goedkope producten laat maken die hij voor veel geld verkoopt. Hij haalt er zijn schouders over op. Kun je nagaan hoe cynisch de kunstwereld is, zegt hij. En hoe beperkt. Hij buit niemand uit. Alle ambachtslieden signeren elke afzonderlijke sculptuur, die vervolgens gewaarmerkt wordt onder zijn naam. Het merendeel van het geld dat hij verdient, vloeit terug in de coöperatie.

Hij wijst om zich heen. ‘Wat de internationale kunstwereld vindt en wat ze betekent, is voor deze mannen niet belangrijk. Zij vinden het belangrijk om te doen waar ze goed in zijn en om hun gezinnen te onderhouden. Ze zijn gewoon trots op wat ze maken.’

‘Dat ik Éric ontmoette was een droom die uitkwam’, zal Abdelkader Hmidouch later zeggen, zwaaiend met die grote handen en in het Berbers. Zijn woorden worden door een vertaler omgezet naar het Frans en dan door een lichtelijk gegeneerde Van Hove in het Engels herhaald. ‘Ik was gefrustreerd: ik kan alles maken, maar niemand kocht mijn producten. Ik droomde van grote dingen.’ Die heeft hij gekregen.

Éric Van Hove: Fenduq. 2/2 t/m 5/1 2020 in het Fries Museum, Leeuwarden. Catalogus 25 euro (Jap Sam Books).

Eelco van der Lingen vertrekt bij Fries Museum

De tentoonstelling Fenduq van Éric Van Hove is het laatste grote project van conservator Eelco van der Lingen (48) bij het Fries Museum in Leeuwarden, voordat hij vanaf 1 maart aan de slag gaat als de nieuwe directeur van het Mondriaan Fonds. Van der Lingen ontdekte het werk van Van Hove op de Biënnale van Marrakech in 2014. Daar trok een ambachtelijk gemaakte replica van het motorblok van de Laraki Fulgura, een Marokkaanse superauto, veel bekijks van de plaatselijke bevolking. Fenduq, genoemd naar het atelier van de kunstenaar in Marrakech, is het eerste grote museale overzicht van Éric Van Hove.

Pluizenbol onder het motorblok

‘De liefde tussen Marokkaanse ambachtslieden en katten is al heel oud,’ zegt kunstenaar Éric Van Hove. ‘Elke werkplaats heeft een kat.’ In tegenstelling tot honden worden katten niet gezien als onrein. Rondom en in Van Hoves atelier in Marrakech lopen minstens een stuk of tien pluizenbolletjes rond. Ze stoeien in het gras, slapen op de zittingen van de brommertjes en strekken zich uit onder de diverse motorblokken. Ze worden niet aangehaald door de mannen die hier zitten te werken, en ook niet weggejaagd. Ze zijn er gewoon.

Rondom en in Van Hoves atelier in Marrakech lopen minstens een stuk of tien poezen rond. Beeld Dim Balsem
Éric Van Hove, V12 Laraki, 2013. Collectie Hood Museum, New Hampshire/USA. Beeld Foto François Fernandez.

Traditie hoeft innovatie niet in de weg te staan

Dat heel precies namaken en versieren van een motorblok – hoe vernieuwend is dat eigenlijk? Volgens Éric Van Hove wordt er vaak denigrerend gedaan over kopiëren. ‘Maar van kopiëren leer je ontzettend veel. En hier in Marokko maken ze überhaupt geen verschil tussen een ambachtsman en een kunstenaar.’ Tegelijkertijd heeft hij gezien hoe veel Marokkaanse ambachtslieden wegkwijnen door júíst dat kopieergedrag. Hoe ze vast komen te zitten in een gekmakend repetitief proces (en wéér een asbak) en hoe geen van hen iets nieuws durft te maken, omdat het dan meteen wordt overgenomen door de buurman, die het voor meer geld verkoopt. Door ze te laten doen waar ze goed in zijn en ze daarnaast uit te dagen tot iets groters, zonder dat ze bang hoeven te zijn dat hun ideeën worden gestolen, wil Van Hove zijn werknemers boven zichzelf laten uitstijgen.

Ook bij Roosje Hindeloopen in Friesland, een bedrijf in oude Hindelooper kunst sinds 1894, zoeken ze de innovatie binnen de eeuwenoude traditie. Dat kan heel goed, zegt schilder Titus Stallmann (49), die samen met zijn broer Johan, meubelmaker, het bedrijf leidt. Roosje doet ook mee aan Van Hoves project met het motorblok van de Claas Jaguar veldhakselaar. Het bedrijf werkt vaker samen met hedendaagse kunstenaars en ontwerpers. Zo kunnen de gebroeders Stallmann de Hindelooper meubeltraditie af en toe een slinger geven, zonder het unieke karakter van het ambacht geweld aan te doen. ‘Ik zeg altijd: stilstand betekent niet altijd achteruitgang,’ zegt Titus Stallmann. ‘Maar door af en toe wat uitdaging proberen we het Hindeloopen ambacht levend te houden.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden