De Beeldenstorm als Japans poppentheater

Wat was de inzet van de opstand tegen Spanje? Hoe haalden de Nederlandse rebellen het in hun hoofd de van God gegeven macht van de vorst niet langer te erkennen?...

In oktober 1555 deed Karel V, die als keizer van een wereldrijk onder meer de hoogste positie bekleedde in de Lage Landen, tijdens een plechtige vergadering afstand van zijn functies en dus van de macht. Tot de aanwezigen bij die duchtig geregisseerde bijeenkomst behoorden talrijke edelen, kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders en gedelegeerden van een onafzienbaar aantal steden die samen de Staten Generaal vormden. Een volk nam, in de gestalten van zijn elites, afscheid van zijn vorst. Zo plechtig als dat was, zo feestelijk was het ook.

Iets meer dan een kwarteeuw later, op 26 juli 1581, verscheen, onder verantwoordelijkheid van diezelfde Staten Generaal, een verhandeling die de geschiedenis is ingegaan als Het Plakkaat van Verlatinghe. Daarin meldden de politieke en bestuurlijke elites van de Lage Landen, dat het uit was met het vorstelijk gezag. Zij namen korzelig afscheid van de zoon en opvolger van Karel V, Filips II, en gaven hem daarvoor een reeks redenen op. Het Plakkaat van Verlatinghe, een kroonjuweel uit onze geschiedenis, was wat twee eeuwen later The Declaration of Independence voor de Verenigde Staten zou zijn, de motivering en de bezegeling van een breuk en de zelfrechtvaardiging van een soeverein initiatief.

Wat was er nou toch gebeurd tussen 1555 en 1581, dat de zaken voor de vorst zo uit de hand had kunnen doen lopen en tegelijkertijd de politieke en bestuurlijke bovenlaag van de Nederlanden, danig gesteund door de bevolking, de moed had gegeven voor zichzelf te beginnen? Waar ging, anders gezegd, de Nederlandse Opstand precies over, hoe had het zo ver kunnen komen dat een natie de van God gegeven soevereiniteit de vorst ontnam en aan zichzelf trok?

Dat is de vraag die de eerste historici van de Nederlandse Opstand zichzelf al stelden, nog voor het einde van de zestiende eeuw en royaal voor de afloop van de oorlog die zowel de procedure was om die onafhankelijkheid en autonomie te vestigen, als het gevolg van alles dat tot de opstand had geleid. Die vraag is sedertdien onophoudelijk opnieuw gesteld, maar telkens vanuit nieuwe invalshoeken. Met elkaar aflossende historiografische en levensbeschouwelijke benaderingen en met een kennis van zaken waarin de accenten verschoven tegelijk met de academische of politieke modes. De Amerikaanse historicus Peter Arnade stelt haar opnieuw, en in Beggars, Iconoclasts and Civic Patriots probeert hij er een antwoord op te vinden. Gedegen, gecompliceerd en geheel in de pas met de nieuwste geschiedsfilosofische opvattingen van de avant garde van de huidige geschiedswetenschap. The Political Culture of the Dutch Revolt is de ondertitel van zijn studie, en het gebruik van het begrip ‘politieke cultuur’ verraadt voor ingewijden al meteen zijn invalshoek: politiek is gedrag, bepaald door onuitgesproken culturele opvattingen en verwachtingen.

Arnade is een Amerikaan, hoogleraar geschiedenis aan de California State University. Onder enkele vaklui, gespecialiseerd in de vroeg-moderne geschiedenis van de Lage Landen, geniet hij bekendheid en ontzag op grond van het boek dat hij ruim tien jaar geleden publiceerde en dat een studie was over de rol van rituelen en ceremoniën in het openbare leven in Gent tijdens de nadagen van de Bourgondische Nederlanden, dat wil zeggen, het einde van de middeleeuwen.

De belangstelling voor de rol en de betekenis van rituelen is ook in zijn nieuwe boek volop aanwezig. Arnades voorkeur gaat uit naar het beschrijven van de wijze waarop Karel V en meteen na hem Filips II hechtten aan hun van God gegeven en daardoor onaantastbare positie in; graag belicht hij ook de behendigheid waarmee de opstandelingen de scheldnaam die hun werd toegevoegd, ‘geuzen’, dat wil zeggen: bedelaars, wisten om te zetten in een aansprekende betiteling, ja, ‘een geuzennaam’. Het resultaat is een beschrijving van de veelal vertrouwde gebeurtenissen van de Nederlandse Opstand die soms doet denken aan Japans poppentheater: alle bewegingen, alle posities, alle onderlinge verhoudingen hebben een diepere betekenis, de handelingen van de hoofdfiguren bevestigen een verwachting of verstoren die juist.

De achtergrond daarvan ligt in de invloed die de antropologie de afgelopen decennia op de denk- en werkwijze van historici heeft gekregen. Dertig jaar geleden beschreef Emmanuel Le Roy Ladurie de middeleeuwse lotgevallen van het Zuid-Franse dorpje Montaillou alsof hij daar als antropoloog een kijkje was gaan nemen. Die benadering had een beschouwelijke context in de debatten die historici, bovenal de filosofisch ingestelden en de methodologisch geïnteresseerden, toentertijd al enige tijd voerden. En zij had enorme consequenties: voortaan was die blik toonaangevend. Sindsdien is het begrip ‘representatie’ niet meer weg te denken uit de geschiedschrijving.

Die nadruk op beeldvorming is zo gek nog niet bij het beschrijven van een reeks gebeurtenissen waarvan de Beeldenstorm van 1566 het hoogtepunt vormde. Als Philips Moreel in het West-Vlaamse dorp Watou op 10 augustus 1566 de beelden waarmee de plaatselijke kerk was verlucht met een hamer kapot begint te slaan, zet hij een beweging in gang die algauw het karakter van een vloedgolf krijgt. Zijn oogmerk was de met eerbied beklede beelden terug brengen tot wat zij waren, voorwerpen van hout, steen of metaal – en in het verlengde van die specifieke onderneming ligt een idee over de wijze waarop de macht zich manifesteert. Zo bekeken drijft de beeldenstorm de vraag naar de legitimiteit en de functie van de macht op de spits. Het Plakkaat van Verlatinghe zal vijftien jaar later formuleren waar het aan schortte en waardoor de macht zijn gezag verspeeld heeft.

In Arnade’s visie drong dat tot niemand beter door dan tot Willem van Oranje, die daar het beeld van ‘Vader des Vaderlands’ en burgerlijk patriottisme tegenover stelde. In Arnade’s benadering: Willem van Oranje begreep wat de nieuwe samenleving, de cultuur waarin burgers en drukwerk een belangrijker positie hadden verworven, van de macht en het gezag verlangden.

Arnade’s nadruk op de uitdrukkingsvormen en functies van een politieke cultuur, wordt niet alleen gesteund door nieuwe opvattingen, maar ook door de uitkomst van onderzoek waarin die opvattingen centraal stonden. Zij maakt in elk geval een beduidend zinniger indruk dan de eenzijdige interpretatie van de Nederlandse Opstand in termen van sociaal-economisch oproer, de enthousiast beleden versie die dominant was bij een generatie sociaal-democratische en communistische historici, en die de geschiedschrijving ervan tijdens het derde kwart van de twintigste eeuw kleurde.

Michaël Zeeman

* * * *

Peter Arnade: Beggars, Iconoclasts & Civic Patriots. The Political Culture of the Dutch Revolt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden