ACHTERGRONDautobiografie Oliver Stone

De autobiografie van Oliver Stone toont de twee gezichten van de regisseur

Oliver Stone op de set van Platoon in 1986.Beeld Getty

Filmmaker Oliver Stone (74), regisseur van Platoon, JFK en Wall Street, heeft zijn autobiografie uitgebracht. Chasing the Light is een verrassend nuchter boek, waarin de regisseur veel zelfinzicht toont.

Als 20-jarige gesjeesde student schreef Oliver Stone een roman, zoals wel meer dolende adolescenten doen. Hij stuurde het manuscript naar twee uitgevers, die het beleefd weigerden. Kort daarna, in april 1967, meldde hij zich vrijwillig bij het Amerikaanse leger. Hij liet zich als soldaat uitzenden naar Vietnam, waar hij vijftien maanden vocht in een chaotische, gruwelijke oorlog.

Het is een nogal drastische reactie op een afwijzing. In Chasing the Light: How I Fought My Way into Hollywood - From the 1960s to Platoon, zijn recent verschenen memoires, beschrijft de Amerikaanse filmmaker Stone (74) zijn keuze voor het leger niettemin als een logische stap. Nadat hij voortijdig was gestopt met zijn studie aan de universiteit van Yale (tot groot verdriet van zijn vader) en zijn schrijversdroom in rook had zien opgaan, voelde hij zich compleet mislukt. Vietnam leek een aantrekkelijke plek om te verdwijnen. Het lot moest maar beslissen of hij levend uit de oorlog zou komen.

Stone, zo blijkt uit zijn boek, is een man van grote gebaren, diepe dalen en hooggestemde dromen. Zijn werk maakte dat natuurlijk ook al duidelijk. Films als JFK, Wall Street, Born on the Fourth of July, The Doors, Nixon en World Trade Center staan niet bekend om hun subtiliteit. Als chroniqueur van de moderne Amerikaanse geschiedenis baseert Stone zich op de werkelijkheid, maar altijd voegt hij een flinke toef drama en spanning toe. Een karaktertrek, zo blijkt. Het alles-of-nietsscenario dat hij in zijn eigen leven toepaste – je wordt óf succesvol schrijver, of anoniem kanonnenvoer – keert in veel van zijn films terug.

Verrassend genoeg beschrijft Stone het allemaal zonder opsmuk. Chasing the Light is een uitstekend geschreven, onderhoudend en prettig nuchter boek, waarin de regisseur veel zelfinzicht toont. Hij zal best weleens overdrijven (sterke verhalen genoeg in deze autobiografie), maar als zelfportret is zijn boek opvallend genuanceerd. Nergens betrap je hem op de neiging zijn fouten goed te praten. Stone, niet bepaald de makkelijkste in de omgang, komt er rond voor uit dat hij vaak een bullebak is. Tegelijk weet hij zijn beweegredenen duidelijk te maken.

Wie Chasing the Light leest, snapt waar het vandaan komt: die verbetenheid waar Stone om bekendstaat, de felheid van zijn overtuiging, die maakt dat zijn films vrijwel altijd controversieel zijn. Stone is immers de regisseur die een uitgebreide complottheorie opdiende rond de moord op John F. Kennedy in JFK, die met Snowden een eerbetoon maakte aan de nog altijd verbannen klokkenluider Edward Snowden, die met Platoon een Vietnamfilm regisseerde die volgens velen te gewelddadig en grimmig was. Hij bekritiseerde de verheerlijking van geweld in de Amerikaanse samenleving met Natural Born Killers en hij belichtte de graaicultuur in de financiële sector met Wall Street en het vervolg, Wall Street: Money Never Sleeps. Natúúrlijk is hij geen aardige man.

Het was hem nooit gelukt zijn films van de grond te krijgen zonder een zekere hardvochtigheid. Het succes kwam hem niet aanwaaien. Op zijn 30ste werkte hij nog als taxichauffeur. Hoewel hij een paar jaar daarna al een Oscar won voor zijn scenario van Midnight Express (Alan Parker, 1978) duurde het nog zo’n tien jaar voor hij ook als regisseur erkenning kreeg. Zijn eerste twee speelfilms, Seizure en The Hand, werden nauwelijks opgemerkt. Ook de derde, het met een veel te krap budget gemaakte politieke drama Salvador, leek in eerste instantie geen succes te worden.

Oliver Stone (links) met Kyra Sedgwick en Tom Cruise op de set van Born on the Fourth of July (1989).Beeld Getty

Met opzet beperkt Stone zich in zijn boek tot die moeizame beginfase. Hij kreeg vaak de vraag van filmstudenten hoe je dat nou doet, aan de weg timmeren in Hollywood. Chasing the Light zou voor inspiratie moeten zorgen, al is het de vraag welke lessen beginnende filmmakers eruit kunnen trekken. Stones verhalen hebben een hoog probeer-dit-niet-zelfgehalte, van zijn ruzies op de set (tot doodsbedreigingen door een crewlid aan toe) tot zijn manier om kosten te besparen op oorlogseffecten (gewoon zelf afsteken, die bommen).

Met de huidige strenge regels zou het allemaal niet meer mogen, geeft Stone toe. Wel leerzaam is zijn beeldende beschrijving van de traagheid en de willekeur van de productiemolen in Hollywood, waar zo veel filmplannen op stuklopen. De meeste van Stones projecten bleven steken in ‘het langzame, saaie verstrijken van de tijd, dat je leert dat er geen film is en geen film zal komen, dat we alleen maar naar de begrafenissen gaan van de dromen die we nooit meemaakten’.

Ook na het succes van Scarface (Brian De Palma, 1983), waarvoor Stone het scenario schreef, bleef het moeilijk zijn filmplannen te realiseren. Na iedere triomf volgde teleurstelling. Jarenlang voelde hij zich als een konijn in Alice in Wonderland, schrijft hij, ‘rondrennend, holen induikend die me groter of kleiner maken, nooit wetend wat er gaat gebeuren’. Zijn drugsgebruik in die periode, waar hij openhartig over schrijft, maakte het er niet beter op.

De obligate les ‘trek je niets aan van kritiek’ blijft overigens achterwege, want dat is er een die Stone zelf niet heeft geleerd. Wanneer hij schrijft over de negatieve recensies die hij kreeg, stijgt de pijn op uit de pagina’s. Eerzucht en de drang naar erkenning lijken zijn grootste succesfactor. En natuurlijk valt dat – net zoals bij veel van Stones filmpersonages – grotendeels te herleiden tot zijn veeleisende vader, waar Stone een haat-liefdeverhouding mee had.

Zijn ouders, een Joods-Amerikaanse bankier van de oude stempel en een frivole Française van eenvoudige komaf, pasten niet bij elkaar. Dat wisten ze voor hun zoon knap te verbergen, net als hun buitenechtelijke affaires. Ze scheidden toen Stone 15 jaar was, zonder waarschuwing vooraf. Stone, enig kind, was plotseling op zichzelf aangewezen: zijn vader en moeder beschouwden zijn opvoeding als voltooid en bouwden een nieuw leven op.

De ineenstorting van het gezin, veel te vroeg voor een kwetsbare puber, legde de basis voor Stones argwanende levenshouding. Zijn ouders hadden nooit moeten trouwen, schrijft hij. ‘Kinderen als ik worden geboren uit een leugen. We leren dat we niets en niemand kunnen vertrouwen.’ Woest is hij om de hypocrisie en de valse lessen van zijn ouders, die hem wilden wijsmaken dat het goed is om te liegen. Voeg daarbij zijn ervaringen in Vietnam, waar hij met eigen ogen zag dat de Amerikaanse overheid loog over de burgerslachtoffers en de oorlogsmisdrijven, en Stones obsessie voor het blootleggen van de waarheid is verklaard.

Oliver Stone (rechts) met Charlie Sheen op de set van Wall Street (1987).Beeld Getty

Met Salvador, een bloederige thriller over een fotojournalist (James Woods) die in El Salvador betrokken raakt bij de guerrilla-oorlog, wilde Stone laten zien dat de Verenigde Staten achter de schermen een vuile oorlog steunden in Centraal-Amerika. In Platoon, zijn Vietnamfilm, verwerkte hij zijn eigen oorlogservaringen. De jonge soldaat Chris (Charlie Sheen) moet partij trekken tussen de twee sergeanten tegen wie hij opkijkt: de nietsontziende oorlogsheld Barnes (Tom Berenger) en de kalme klokkenluider Elias (Willem Dafoe). Het mondt uit in een Griekse tragedie, waarin Chris de ene vaderfiguur vermoordt om de ander te wreken.

Het is duidelijk dat Stones sympathie bij de eerlijke Elias ligt, die een oorlogsmisdrijf wil rapporteren. Toch kun je Elias ook zien als een verrader, schrijft hij, zoals het grootste deel van Amerika ook Edward Snowden als een verrader ziet. Op Snowdens onthulling over de illegale afluisterpraktijken van de Amerikaanse overheid valt niets af te dingen, maar de meeste mensen vinden loyaliteit belangrijker dan een waarheid die ze toch niet willen horen. Dat leerde Stone ook als worstelend filmmaker, op zoek naar financiering. Patriottisme verkoopt. Een nederlaag, zoals in Vietnam, niet.

Roddels

Een filmbiografie is niet compleet zonder Hollywoodroddels: welke acteurs zijn onmogelijk om mee te werken, welke geheimen bleven achter op de set? Oliver Stones openhartige memoires Chasing the Light stellen in dat opzicht niet teleur. Zo vertelt hij dat acteur James Woods zich zo misdroeg tijdens de opnamen van de film Salvador (1986) in Mexico, dat de autoriteiten dreigden hem het land uit te zetten. Al Pacino belazerde hem toen Stone als scenarioschrijver van Scarface in conflict kwam met regisseur Brian De Palma (die hij beschrijft als ‘ijskoud’). Uiteindelijk neemt hij beide acteurs trouwens weinig kwalijk: Hollywood is nu eenmaal een harde wereld.

Zo schetst Stone in Chasing the Light een verhaal over twee tegenpolen, Barnes en Elias. Ze staan voor het gepolariseerde Amerika (‘meer Barnes dan Elias’), maar ook voor zijn eigen gespletenheid. Stone is allebei: de rouwdouwer en de waarheidszoeker. De soldaat die militaire onderscheidingen kreeg voor zijn betoonde moed in Vietnam en de filmmaker die van anti-Amerikaanse sentimenten wordt beticht. En ook: de schrijver die zoekt naar nuance en de regisseur die houdt van bombast. De man met een hekel aan oorlog, die filmmaken ziet als een gevecht.

Het is een fascinerend relaas, opgeschreven zoals alleen een rasverteller dat kan. Wie Stone vooral ziet als een recalcitrante complotdenker – iets waarvan hij sinds JFK (1991) wordt beticht – zal na Chasing the Light misschien anders over hem denken. Waarheidsvinding is niet hetzelfde als overal samenzweringen zien, al kun je er natuurlijk in doorschieten. Duidelijk is dat Stone zich niet voor elk karretje laat spannen. In zijn film World Trade Center, over 11 september 2001, liet hij nog geen sprankje complotdenken toe, tot teleurstelling van iedereen die meende dat de CIA achter de aanslagen zat.

In 1987 wint Platoon vier Oscars, waaronder die voor beste regie. Stone is 40 en eindelijk waar hij wil zijn. Daar stopt zijn boek. Zonde, want wat zou het fijn zijn om verder te lezen: over het maken van Wall Street bijvoorbeeld, of over zijn geflopte film over Alexander de Grote. Ook zou Stone dan kunnen uitleggen waarom hij de laatste jaren vooral documentaires maakt over omstreden staatshoofden: Fidel Castro, Hugo Chávez, Vladimir Poetin.

Is dat de Elias in hem, of zijn Barnes-kant? Welke geheimen wil hij nog opgraven? En heeft hij na zo veel onverzettelijke jaren in de filmindustrie eigenlijk nog wel vrienden over? Het is te hopen dat Stone een vervolg schrijft op zijn memoires, want Chasing the Light, hoe verhelderend ook, roept nieuwe vragen op. En smaakt absoluut naar meer.

Oliver Stone - Chasing The LightBeeld Octopus Publishing Group

Oliver Stone: Chasing the Light: How I Fought My Way into Hollywood - From the 1960s to Platoon. Octopus Publishing Group; 342 pagina’s; € 25,99.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden