AnalyseCars in V&A

De auto heeft onze samenleving tot in de haarvaten geïnfecteerd

Franse reclamefoto voor de Tatra 77 (1934).Beeld Radim

De expositie Cars in het Londense V&A toont de opkomst en ondergang van het vooruitgangsgeloof dat de auto losmaakte.

De auto is aan het begin van de 21ste eeuw zo’n zorgelijk ding geworden dat je haast zou vergeten dat het ook de knapste uitvinding is van de hele vorige eeuw. Cars: Accelerating the Modern World is een tentoonstelling die je meeneemt in het ongebreidelde vooruitgangsgeloof dat de auto bij de mens heeft losgemaakt.

Zonder die auto en het daarmee gepaard gaande verlangen naar snelheid en mobiliteit zou onze alledaagse omgeving er totaal anders hebben uitgezien. Het Londense Victoria and Albert Museum (V&A) toont dat in een gevarieerde verzameling van aerodynamisch vormgegeven huishoudelijke voorwerpen, briljante achtervolgingsscènes in films, futuristische autolandschappen in strips, gestroomlijnde mode en een zorgvuldige selectie van de hoofdverdachte zelf: vijftien auto’s die van grote invloed zijn geweest op de stijl en het design van de 20ste eeuw.

Er staat een prachtige druppelvormige Tatra 77 uit 1934, de Firebird I van General Motors uit 1953 die zo kan opstijgen, de idioot compacte Fiat 600 Multipla maar ook een Paykan, de trots van de Iraanse auto-industrie. Toch vormen deze modellen in zekere zin een voetnoot. Dit verhaal gaat over alles rondom de auto: de snelheid, de schoonheid, de vrijheid en vooral over de verleiding die de automarketeers schaamteloos over potentiële kopers uitstorten. De ene keer met meer succes dan de andere.

Neem de Dodge La Femme uit 1955, de eerste auto die volledig was ontworpen voor vrouwen. Er kwam standaard een beautycase bij: met lipstick, poederdoos en spiegeltje: zodat de bestuurder zich in hetzelfde zalmroze kon opsmukken als de auto. La Femme was een onbeholpen versierpoging, inclusief de slogan: ‘By special appointment to her majesty... the American woman’. Er zaten alleen mannen in het ontwerpteam. De auto werd nauwelijks verkocht.

De Chrysler Newport La Comtesse (1954) en de Dodge La Femme (1955).Beeld Imageselect/Alamy

De mobiliteitsindustrie begon op een sukkeldrafje met de proefrit van een Benz Patent-Motorwagen in 1886, die 16 km/u haalde en meer op een paardloze koets leek dan op een auto. Maar al voor de eeuwwisseling stuurde de Belg Camille Jenatzy een torpedo-achtig vehikel dat hij Jamais Contente had gedoopt tot boven de 100 km/u. Vanaf dat moment ging de ontwikkeling van de auto pijlsnel.

De aantrekkingskracht van snelheid was enorm. Verrassend genoeg hielden de allereerste autobouwers meer van elektrisch rijden dan van benzine. Benzine was eind 19de eeuw een relatief nieuwe brandstof en de verbrandingsmotor was nog onbetrouwbaar. Maar omdat de benzinemotor zo veel vermogen had en je er grote afstanden mee kon afleggen, brak begin 20ste eeuw de heerschappij van het duo Auto & Olie aan.

Tot de eerste jaren van de vorige eeuw was de handgebouwde auto een speeltje van de superrijken. Hoe Henry Ford (1863-1947) zijn T-Ford op een lopende band ging assembleren en zo de betaalbare auto uitvond, is een verhaal dat al talloze malen is verteld. Maar op Cars: Accelerating the Modern World is ook te zien waar hij het idee vandaan had. Ford zag in een slachthuis lange rijen tafels, waarbij niet de slagers zich verplaatsten, maar het varken in steeds kleinere portionering werd doorgeschoven langs mannen die de godganse dag op dezelfde plaats dezelfde handeling verrichtten. Efficiënt, goedkoop en je had er geen vakmensen voor nodig. De assemblagelijn was geboren.

De T-Ford kostte bij introductie nog geen 800 dollar; de prijs daalde later zelfs naar 500 dollar, wat nu zou neerkomen op een bedrag van 11 tot 17 duizend euro. De eerste echte fabriek spuugde in 1913 elke 90 minuten een complete auto uit, een spektakel waar de wereld met open mond naar keek. Ford betaalde zijn werknemers soms 5 dollar per dag, veel geld voor die tijd. Dat maakte van de arbeider in één klap ook een potentiële Ford-koper. Binnen twintig jaar had de helft van de Amerikaanse gezinnen een auto.

Chevrolet Corvair Corsa Sports Coupe (1965)Beeld Getty Images

Waar Ford de auto bereikbaar maakte voor de massa, maakte General Motors er een Amerikaanse designdroom van. Onder leiding van ontwerper Harley Earl kregen de Cadillacs hun karakteristieke tail fins en Dagmar bumpers, genoemd naar de borsten van tv-ster Dagmar Egnor. Earl vond ook de concept car uit: geen productieauto maar een prototype, een belofte van een nieuw model, vol nieuwe snufjes. Cadillac lanceerde elk jaar een nieuwe auto, een nieuw design, nieuwe kleuren en trok ermee door het land. De roadshows van General Motors waren in de jaren vijftig reizende kermisattracties, waarbij de stad uitliep voor dansers, futuristische decorstukken, show en natuurlijk glanzend blik: getuned naar de laatste mode.

Al dat aerodynamische design uit de jaren veertig en vijftig – dat synoniem was voor snelheid en moderniteit – vormde een grote inspiratiebron voor wat nu een cliché is van Amerikaanse cultuur: je vindt het terug in broodroosters en ijskasten, de klassieke diner, treinen en caravans en de casino’s van Las Vegas. In het V&A hangt een serie tekeningen van Raymond Loewy, de beste industrieel ontwerper van zijn tijd. Loewy ‘bewijst’ met een simpel evolutieschema hoe design in al zijn vormen – van auto, trein, wekker en stoel tot aan de aangeklede mens –  is voorbestemd zich te ontwikkelen van hoekig en lomp naar slank, druppelvormig en stijlvol. Alsof stroomlijning biologisch is bepaald.

Hoger dan in de jaren vijftig en zestig is de status van de auto niet gestegen. Die stroom van vooruitgangsoptimisme, het geloof dat de toekomst alleen maar mooie en betere dingen in petto zou hebben, werd ruw verstoord door twee factoren: de oliecrisis van de jaren zeventig en een boek uit 1965 van de Amerikaanse activist Ralph Nader, Unsafe at Any Speed. Dat boek, een aanklacht tegen de auto-industrie waarvoor veiligheid nul prioriteit had, maakte veel los. Vooral General Motors moest het ontgelden met zijn Chevrolet Corvair, die door heftig onderstuur veel ongelukken zou veroorzaken. Niet alles in het boek klopte, maar General Motor maakte zich hopeloos belachelijk door privédetectives op Nader af te sturen. Al snel kwamen er strengere wetten, die zowel bestuurders als voetgangers moesten beschermen. In 1965 vielen er nog vijf doden per 100 miljoen gereden kilometers, in 2004 was dat er één.

Cars: Accelerating the Modern World had ook in de jaren zeventig kunnen ophouden. Het tomeloze vooruitgangsgeloof doofde in die jaren langzaam uit. Het naïeve feest der fossiele brandstoffen – olie is niet alleen spotgoedkoop, je kon er handige plastic spullen van maken – werd ruw verstoord. Bizar in retrospectief is een reclame van het oliemerk Humble, een voorloper van Exxon,  uit 1962, waarin onder een foto van een ijsberg de trotste tekst prijkt: ‘Each day Humble supplies enough energy to melt 7 million tons of glacier!’ Dat was dichter bij de waarheid dan de tekstschrijver had kunnen vermoeden.

Hoe erg vooral de Amerikanen aan hun auto zijn verslingerd, wordt geïllustreerd door een tv-fragment uit de jaren zeventig. President Carter verschijnt op het scherm en spreekt de natie toe met een begrafenisgezicht. ‘I want to have an unpleasant talk with you.’ Er is niemand dood, er is geen oorlog. Het is een oproep aan autorijdend Amerika om het zuiniger aan te doen met benzine.

Het knappe van de tentoonstelling is dat de auto niet moralistisch wordt neergezet of blind op een voetstuk wordt geplaatst. De auto is een fenomeen dat onze samenleving tot in haar haarvaten heeft geïnfecteerd: in ons werk, onze vrije tijd en ook in de manier waarop onze steden en de landschappen zijn ingericht. Uit die auto zijn de prachtigste dingen voorgekomen, maar het is ook een weg naar de afgrond gebleken. De zorgeloze toekomst wordt nooit meer wat het geweest is.

Cars: Accelerating the Modern World, tot 19/4, Victoria and Albert Museum, Londen. Catalogus: € 28,95

Druppelvormig design

De Tatra 77 uit 1934 wordt gezien als de eerste in een windtunnel ontworpen auto. Hij komt uit de Tsjechische autofabriek Tatra – die nog steeds bestaat – en haalde dankzij zijn geringe luchtweerstand bijna 150 km/u. De Tatra 77 is gemaakt op basis van een ontwerp van de Hongaar Paul Jaray, die in de Zeppelinfabrieken in Duitsland had geleerd om ontwerpen in windtunnels te testen. De druppelvormige T77 zou van grote invloed zijn op al het gestroomlijnde design dat volgde.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden