De aquarel: Volwaardige werken in waterverf

Beschouwing: De Aquarel

De aquarel was in de 19de eeuw immens populair. Twee tentoonstellingen laten zien dat ons huidige dedain tegenover de techniek misplaatst is; in Haarlem en Den Haag hangen meesterwerken.

Willem Roelofs, Na het onweer, circa 1875. Uit de collectie van het Teylers Museum. Foto Teylers Museum, Haarlem

Water schilderen is best lastig. Wat nog lastiger is: bewegend water schilderen. Het deint en stroomt en is per definitie veranderlijk; probeer het te kopiëren en het oogt al snel houterig. Beter, zo las ik in een interview met een zeeschilder, is het om het via een omweg te proberen. Dat je de verf aanbrengt op een manier waarin beweging doorklinkt; dat je zoekt naar waterige effecten. Niet het ding proberen na te maken, maar het karakter van het ding - zoiets. Zo pakte ook Hendrik Willem Mesdag het aan op de aquarel Vissersschepen in de branding.

Levendig weergeven water

Dat werk toont wat de titel belooft: bootjes op een grijze zee die aan de einder blauwer wordt, onder een wolkenlucht waar het licht in stralen doorheen valt. Het is een perfecte illustratie van hoe je met weinig middelen veel kan oproepen. Ik bedoel: die wolkenlucht, wat stelt die nu helemaal voor? Twee laagjes grijs, dun en los uit de pols aangebracht, en papier dat voor zeelicht speelt - meer is het niet. En dan die golven, de lakmoesproef voor iedere zeeschilder. Daaraan is niets doorwrocht. Het verdunde grijs geeft ze precies het gezochte efemere karakter en in de plekken waar het penseel leeg begon te raken, herken je moeiteloos het schuim op de koppen. Een meesterlijke demonstratie van levendig weergegeven water. En een fijne aquarel.

Daar waren er meer van. In de 19de eeuw was de techniek immens populair. Het was in die periode dat de aquarel zijn transparante, expressieve vorm kreeg; het was toen ook dat het medium in achting steeg bij verzamelaars en dat het exposeren ervan werd bevorderd door een aparte vereniging, de Haagse Hollandsche Teekenmaatschappij. Een bloeiperiode. Teylers Museum en De Mesdag Collectie wijden er een dubbeltentoonstelling aan.

Hendrik Willem Mesdag, Vissersschepen in de branding. Uit de collectie van het Rijksmuseum. Foto Rijksmuseum, Amsterdam

Volgroeide kunstvorm

Die is mooi en zorgvuldig gemaakt en toont een kleine 130 werken op papier, afkomstig uit de eigen collecties en bruiklenen van onder meer het Rijksmuseum en het Groninger Museum; ook is er een selectie uit Mesdags album amicorum. De expositie toont de aquarel im Großen und Ganzen. Hier zie je de fijntjes uitgewerkte fantasietaferelen van romantici als Barend Cornelis Koekkoek en Willem Testas en wat daarna kwam: de vrijere en inmiddels meer gewaardeerde sfeerstukken van mannen als Jacob Maris en Jan Hendrik Weissenbruch werken die omwille van hun kwetsbaarheid zelden het depot verlaten. Er zit een element van opkomst, bloei en verval in. Hoe een veronachtzaamd medium volwaardig werd.

Nu was dat rijkelijk laat. In Engeland gold de aquarel sinds de 18de eeuw al als een volgroeide kunstvorm. Daar behoorde zij tot de standaardopvoeding van gegoede vrouwen en had men ter bevordering ervan in 1804 een vereniging opgezet: de Royal Watercolour Society. Het wierp vruchten af. Niemand maakte zulke fraaie vergezichten met heuvels en landhuizen als Paul Sandby of Thomas Girtin. Of William Mallord Turner, die de mogelijkheden van de techniek pas echt uitbuitte. Bezocht u het afgelopen najaar de expositie van diens late werk in Tate Britain in Londen, dan heeft u ze gezien, de watercolours die Turner op zijn reizen door Duitsland en Italië maakte. Studies in rood, geel en blauw met een minimum aan details en een maximum aan suggestie en expressie. Bergketens, meren en stukken architectuur, soms ook een vlot met mensjes; Turner maakte ze nog indrukwekkender dan ze er van zichzelf al uitzagen - en zij maakten hém miljonair.

De kunstbeschouwing

Zijn de aquarellen in de tentoonstelling er sinds hun ontstaan qua kleur en frisheid op achteruit gegaan? Het lijkt er niet op, en dat heeft veel te maken met de presentatie indertijd, die exclusief was en bekendstaat als 'kunstbeschouwing'. Hierbij nodigde een verzamelaar andere liefhebbers uit om, vaak bij kaarslicht en met een glas wijn onder handbereik, de werken te komen bekijken. Ook instituten organiseerden zulke kunstbeschouwingen. InTeylers Museum bijvoorbeeld werd er sinds de oprichting in 1778 elk jaar rond 25 maart een gehouden. Die traditie duurt tot op heden voort.

Tekenen met verf

Bij Nederlandse kunstenaars uit die periode zul je dergelijk werk niet snel treffen; hier diende waterverf indertijd nog vooral ter invulling van 'gecouleurde tekeningen'. Deze toonden botanische en ornithologische studies of reproducties van 17de-eeuwse meesters, en later ook autonome stillevens en genrestukken. Wybrand Hendriks' Twee dode patrijzen of Charles Rochussens ruiterstukken bijvoorbeeld, hypergedetailleerde en geduldig uitgewerkte prenten waarvan je je kunt voorstellen hoe men er tijdens de besloten bijeenkomsten, die de 19de-eeuwse kunstbeschouwingen waren, uren boven hing. Prenten die in hun onvermoeibare aandacht voor stoffen, gezichten en architectonische details bewondering wekken, maar ook altijd iets houden van tekenen met verf. De aquarel in z'n moderne hoedanigheid herken je er nauwelijks in.

Die ontstond later, in de tweede helft van de 19de eeuw, toen kant-en-klare verf voorhanden kwam en Franse en Nederlandse schilders meer naar de waarneming gingen werken. Veel van die schilders behoorden tot de Haagse School, indertijd om hun gebruik van gebroken tonen - bij critici bekend als de 'Grijze School'. Ze schilderden losser dan hun voorgangers en legden een grote gevoeligheid aan de dag voor het efemere en vliedende in een landschap: licht, lucht en atmosfeer, een onheilszwangere wolkenpartij, het klotsende water aan een kade. 'De adem der natuur', noemde voorloper Willem Roelofs dat, en het was aan zijn navolgers die adem te vangen. Aquarel was daarvoor een geschikte techniek.

Hoe werkte het? Je nam een stuk papier, bevochtigde het, bracht verdund pigment aan op het penseel en dan - splash, splash - werkte je je landschap of zeegezicht tevoorschijn. Tenminste, zo hóórde het te gaan. Had je geen vaste hand en vooruitziende blik, dan was het - splash, splash - huilen geblazen. Zeker als je tot de puristische beoefenaars behoorde (dus zonder dekverf werkte en het wit van het papier als lichtste plek gebruikte), bestonden er nauwelijks correctiemogelijkheden en moest het in één keer goed. Kon je dat, dan had je beschikking tot voorheen ongekende effecten: waterige verschieten, egaal gewassen luchten, wolken met schaduwranden. Werk zo licht als de luchten erop. 'Flaneeren op papier', noemde de criticus J.J. van Santen Kolff dat.

Weissenbruch, Strandgezicht. Uit de collectie van het Gemeentemuseum Den Haag Foto Alice de Groot

Haagse Scholers flaneren

In Haarlem en Den Haag wordt volop geflaneerd en nog het meest bij de Haagse Scholers. Raak zijn een kudde schapen van Anton Mauve, neergezet in zijn typerende hoekige handschrift, en Willem Roelofs geaquarelleerde uitvoering van diens beroemde olieverfschilderij Na het onweer (met die schuifelende koeien onder een regenboog); nog fraaier is Breitners fonkelende impressie van kinderen met felgekleurde hoedjes tijdens Hartjesdag. Jacob Maris, op z'n beurt, laat zich gelden met een stemmig duinlandschap dat haast van onder een paraplu moet zijn geschilderd, hetgeen ook op lijkt te gaan voor Paul Gabriëls al even grauwe veenderij. Wie niet vergeten mag worden: Weissenbruch. Die steelt hier de show.

Eigenaardige man, die Weissenbruch. Over hem wordt verteld dat de vloer van z'n atelier bedekt was met aquarellen waarvan hij er af en toe één oppakte en in een teil met water dompelde om een nieuwe voorstelling aan te vangen - een verhaal te mooi om waar te zijn. Geloofwaardiger is Johannes Bosbooms advies aan de jonge schilder, toen die door een romantisch werkende collega werd gevraagd in diens atelier te komen werken: 'Je moet het niet doen, Weiss, je moet uit je eigen lens blijven zien.' Dat gebeurde. En hoe. Weissenbruch tekende voor talloze strandgezichten in olie waarin het prettig uitwaaien is, maar ook in de aquarel kende hij zijn gelijke niet.

Anton Mauve, Schapen op de heide. Uit de collectie van het Teylers Museum. Foto Teylers Museum, Haarlem

Typisch Hollandse namiddag

Mooi in Teylers is Schemering, zo'n typisch Hollandse namiddag, druilerig en grauw, het soort weer dat je je medemens bekijkt en denkt: het zijn warempel net de ondoden. Van deze aquarel stel ik me voor dat hij meer is ontstaan dan bedacht; dat Weissenbruch het papier à la Van Goyen met vormen overzwachtelde en al poetsend uit die lichte en donkere vlekken dat haventje en die boten zag opdoemen. Nog eentje, Strandgezicht, een zeestuk, Weissenbruchs specialiteit. Het is een vrij leeg doek, verdeeld in drie stroken (land, zee en lucht), gestoffeerd met bootjes en strandjutters of vissersvrouwen, er ligt ook een stuk wrakhout. Effectief is de combinatie van nat-in-nat en nat-op-droog schilderen. Aan de onderkant heeft Weissenbruch een tekening in het zand aangebracht door scherpgerande watervlekjes op het droge papier te plenzen. De lucht daarentegen bestaat uit sterk verdunde verf op doorweekt papier, en dus zie je een zo goed als egaal blauwe hemel die naar links geleidelijk overgaat in wit, en de illusie vervolmaakt van een tintelende waterspiegel die de zonnestralen in duizenden kleine schitteringen weerkaatst. Een zee die je naar je zonnebril doet grijpen. Knap werk, Weiss.

Amateurschilders en hobbyisten

Hoe het de aquarel na Weissenbruch en de zijnen verging, is curieus. In de moderne kunst, die zich meer en meer afkeerde van de directe waarneming, speelde zij een steeds bescheidener rol, maar bij amateurschilders en hobbyisten daarentegen vierde ze hoogtij. Die voelden zich aangetrokken door haar toegankelijkheid en laagdrempeligheid, het feit dat je enkel een verfdoos, papier en een kommetje water nodig had om te beginnen, en met een aantal handigheden snel een bekijkenswaardig resultaat kon boeken. Die aantrekkingskracht is er nog altijd. Ga naar YouTube en ze zijn legio: de tutorials van hobbyisten die je in 19 minuten een bloemstuk of riviergezicht met bomen voor ogen toveren. Ze hebben de statuur van de aquarel gedevalueerd tot de tuttigste aller kunsttechnieken. Dat is slechts een helft van het verhaal.

De andere helft is minder bekend. Dat de techniek onder professionals al een paar decennia aan een opmars bezig is en in de Hollandse aquarellistenkring onder leiding van Sipke Huismans een gezaghebbend platform heeft gevonden. Een vrij platform, minder puristisch dan in de 19de eeuw. Eentje waar de aquarel wordt beschouwd als een van de vele technieken in des kunstenaars gereedschapskist. Sommige van de leden, zoals Gijs Assman, integreren het werken in waterverf in collage of sculptuur. Anderen, zoals Joanna Quispel, gebruiken eigentijdse onderwerpen. Klassieke buitenschilders zijn er ook. Harold Schouten brengt hele dagen door aan het strand om deinende zeeën op het papier te krijgen. Precies zoals Mesdag 150 jaar eerder deed. Zonder dekverf.

De Aquarel, Nederlandse meesters van de negentiende eeuw, Teylers Museum, Haarlem. De Mesdag Collectie, Den Haag, t/m 7/6.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.