De André Rieu van de literatuurkritiek

NA ZIJN DOOD in 1968 heeft Anton van Duinkerken de katholieke letteren gediend...

Die bestonden toen nog.

In eenvoudige leerboeken ten gerieve van het literatuuronderwijs werden ze in afzonderlijke paragrafen vernoemd en behandeld naast de bellettrie van protestantsen, humanistischen of socialistischen huize. De verzuiling had geen halt gehouden bij de kunsten. Elk van de denominaties had in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw ook haar eigen letterkundige tijdschrift. De Gemeenschap was rooms, Opwaartsche Wegen was protestants, De Stem was humanistisch. Alleen de socialisten zijn op dat punt vrijwel dakloos gebleven - die hadden (geldgebrek misschien) alleen het kleine literair-politieke strijdblaadje dat Links Richten heette.

Die eigenaardige periode van literaire apartheid heeft betrekkelijk kort geduurd. Voor die tijd had ze niet of nauwelijks bestaan. De grote Tachtigers waren van zichzelf misschien rooms, of rood, of niks, maar dat speelde geen rol: ze waren in de eerste plaats schrijver. Ook in de generaties na hen is nog geen sprake van 'afscheiding' op andere dan louter literaire gronden.

Pas gedurende het interbellum voltrekt zich de verschansing binnen de eigen religieuze of politiek-maatschappelijke overtuiging: de eindsprint van de onderscheiden emancipatiebewegingen is begonnen, en die zal ook na de jaren van de bezetting niet voltooid blijken. Nog in 1962 maakt Kees Fens zich als literair medewerker van het dagblad De Tijd zorgen over het schamele katholieke aandeel in de naoorlogse literatuur. Het is niet helemaal duidelijk wat hij van zijn schrijvende geloofsgenoten verwacht, en vanuit Nijmegen steekt de inmiddels hoogleraar geworden Anton van Duinkerken hem een hartje onder de riem door te verwijzen naar de nationale populariteit van de katholieke Godfried Bomans. Maar dat lijkt dan al definitief de laatste der mohikanen.

Katholieke letteren: verschijnsel uit een voorbije eeuw.

Anton van Duinkerken begon als katholiek dichter, maar hij was in het verzuilde literaire landschap van het interbellum van alle schrijvers de minst eenkennige. Hij kon in de onophoudelijke richtingentwisten van die dagen venijnig uitvallen naar andersdenkende collega's, maar tot bittere vijandschappen liet hij zich nooit verleiden. Hij gold alom - bij protestanten, humanisten en socialisten, en zelfs onder de onbarmhartige redacteuren van het 'ongebonden' tijdschrift Forum - als een aimabele man: 'bolle Ton van Brabant', zei Du Perron altijd, en dat klonk uit diens mond als een gemoedelijke typering.

Het respect van zijn kunstbroeders dankte hij aan twee dingen: de even koppige als verzoenende manier waarop hij zich links en rechts in de polemische arena weerde zonder de bigotterieën uit het eigen, roomse kamp te sparen, maar bovenal aan z'n verbazingwekkende productiviteit.

'Het wereldorgel', schreef de minzame J.C. Bloem al in 1932 over een kort tevoren verschenen dichtbundel, 'is maar een druppel in de oceaan van schrifturen waarmee de onvermoeide Van Duinkerken, die met de pen in de hand schijnt te leven, ons vaderland bespoelt.'

Met het woord veelschrijver zou hij tekort zijn gedaan. Hij was dichter, essayist, bloemlezer, biograaf, vertaler, cultuurhistoricus, reisverslaggever, Vondelvorser en boekbespreker, en in al die hoedanigheden publiceerde hij aan de lopende band boeken, bundels, monografieën, artikelen en recensies. Zijn levensbeschouwelijke thuishaven was De Tijd, waarin hij bijna een kwart eeuw lang twee, soms drie rubrieken per week verzorgde. Maar daarnaast roerde hij zich in De Gemeenschap, was hij nog een poosje de enige katholieke redacteur van de liberale Gids, korte tijd Leids hoogleraar in de Vondelwetenschap, en als bevlogen en veelgevraagd causeur meer dan gemiddeld actief in het vooroorlogse lezingencircuit.

Schrijven moet zijn tweede, misschien wel z'n eerste natuur zijn geweest, en van de krankzinnige hoeveelheid die hij produceerde stemt het gelijkmatige en overwegend melodieuze niveau van zijn stijl tot des te groter verwondering. Hij heeft heel veel nietszeggende, routineuze, overbodige en gemakzuchtige, maar zelden of nooit echt lelijke zinnen geschreven. Hij schreef zoals André Rieu viool speelt.

Maar wat is ervan beklijfd?

In de verantwoording van de methode die hij toepaste voor z'n geschiedenis van de Nederlandse literatuur tussen 1885 en 1985, schreef Ton Anbeek in 1990: 'In de jaren dertig van deze eeuw was Ter Braak niet meer dan een van de vele met elkaar bakkeleiende literatoren, en het tijdschrift Forum met zijn paar honderd abonnees, een van de vele tijdschriften. De keuze voor Ter Braak als belangrijk zegsman wordt (echter) verantwoord door het gegeven dat zijn ideeën tot ver na de Tweede Wereldoorlog een belangrijke rol in het literaire leven spelen - ook als visie om zich tegen af te zetten. (. . .) Een dergelijke doorwerking hebben de literaire ideeën van iemand als Van Duinkerken nooit gehad.'

Na Ter Braak waren er, anders gezegd, nog heel lang Terbrakianen en anti-Terbrakianen. Na Van Duinkerken was het afgelopen met de katholieke letteren.

Misschien is Van Duinkerkens verdwijning in de geschiedenis al meteen aan het eind van de Tweede Wereldoorlog ingezet. Een van de zwakke punten in het proefschrift van Mariëlle Polman over de betekenis van zijn werk als dagbladcriticus zit 'm in het feit dat ze doet alsof er tussen 1927 en 1952 sprake is geweest van een continuüm. Maar dat was er natuurlijk niet. Er lag een bezetting tussen, een onvrijwillige onderbreking van de publicatiestroom, een kort verblijf in het kamp Sint-Michielsgestel. En los daarvan: het betrekkelijk gezellige bakkelei-klimaat van voor de oorlog wordt nogal rauw verstoord door het aantreden van nieuwe dichters en nieuwe romanschrijvers met wie de criticus geen weg meer weet: de Vijftigers met een soort poëzie waarmee hij geen enkele verwantschap heeft, en vooral de prozaïsten door wie hij zich in zijn wereldbeeld haast gekwetst voelt.

'Nederland', schrijft hij bij de verschijning van De tranen der acacia's, 'wordt na de oorlog bevolkt door de lusteloze schimmen van Frits van Egters, Werther Nieland, Alide, Kosta, Peps, Arthur Muttah, Oskar Ossegal en om hen heen het onwaarschijnlijk aantal vrienden en vriendinnen, die hun instincten prikkelen en hun uitzichtloos leven vermoeien door verleidingen tot daden die zonden zouden kunnen zijn, indien ze niet zo vervreemdend waren van alle waarachtige intensiteit.'

Misschien zijns ondanks wordt de Van Duinkerken die door Ter Braak (in waarderende zin) nog een ware apologeet was genoemd, een zedenmeester, een moraalridder en een fatsoensrakker: van Du Perrons 'bolle Ton van Brabant' tot W.F. Hermans' 'brontosaurus van Vaticaanstad'. De stemming is radicaal veranderd. Er lijken geen amicale tegenstanders meer van protestantse, humanistische dan wel socialistische komaf, de literaire oecumene is voorbij en in de ogen van al die ondetermineerbare nieuwelingen die Reve, Hermans of Blaman heten, of die (zoals Aafjes) misschien goed katholiek zijn, maar poëzie schrijven voor wie de criticus van De Tijd tegenover zijn roomse lezers niettemin een 'voorbehoud' moet maken, slinkt in hoog tempo het vanzelfsprekende prestige dat Van Duinkerken tot 1940 heeft mogen genieten. Nog altijd apologeet - maar 'apologeet van kauwgummi', preciseert de in zijn eer aangetaste auteur van de Tranen.

Voorzover er een tragische kant zit aan die ontwikkeling, wordt daar in Polmans dissertatie met geen woord over gerept. Bij haar blijft Van Duinkerken als het ware opgesloten zitten binnen de kunstredactie van De Tijd, alsof er in de buitenwereld - ook de literaire - sinds 1927 niets is veranderd.

Dat heeft uiteraard met haar bijna exclusief kwantitatieve opzet te maken, met de opsommerigheid van al die achthonderd (uit duizenden) recensies die ze heeft gerangschikt naar een aantal weinig exacte, en dus wel erg verwisselbare criteria. De kleurrijke figuur (met z'n joviale sigaren' - nogmaals Hermans) die Van Duinkerken moet zijn geweest, is in het boek als het ware bedolven onder z'n eigen productiviteit; er wordt meer geturfd dan verhelderd.

Dat de schrijfster zich heeft beperkt tot Van Duinkerkens kritieken van Nederlandse boeken, is jammer (hij heeft zeer veel geschreven over Franse en Engelse literatuur, en dat zou interessant vergelijkingsmateriaal hebben kunnen opleveren), maar wat je vooral mist is een antwoord op de vraag wat zijn selectie bepaalde of beïnvloedde; je krijgt de indruk dat hij alles las (en besprak) wat hem werd aangereikt, maar wat sloeg hij over?

Van Duinkerkens liefde voor het boek was bijna even consistent als z'n voorkeur voor christelijke waarden en normen die niet per definitie een waarborg betekenen voor grote literatuur. Zoals hij Vondel verkoos boven Multatuli, prefereerde hij Anton Coolen, Felix Timmermans en Anthony Donker boven Bordewijk, Elsschot en Du Perron. Wie hem terugleest komt een opvatting tegen die voorgoed verouderd lijkt - wat op zichzelf geen reden zou zijn om hem, als exponent van een voorbije beweging, een biografie te misgunnen. Maar aan iets dat in de buurt had kunnen komen, heeft Mariëlle Polman zich niet gewaagd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden