Beschouwing Rebel Lives, Photographs from inside the Lord’s Resistance Army

De alledaagsheid van de foto’s van het Oegandese LRA-leger in Rebel Lives maakt ze extra verontrustend

De amateurfoto’s die de rebellengroep LRA van zichzelf maakte (nu te zien in FoMu Antwerpen), geven in al hun alledaagsheid een nieuw beeld van de gewelddadige strijders. 

Uit de tentoonstelling Rebel Lives, Photographs from inside the Lord’s Resistance Army. Fotograaf onbekend. Beeld © ARLPI

De entree van de tentoonstelling Rebel Lives, Photographs from inside the Lord’s Resistance Army geeft de bezoeker het gevoel aan de poorten van de hel te staan. Hij weet dat hij hevig verontrustende foto’s gaat zien, want wie de gevreesde afkorting LRA hoort, denkt aan de bloeddorstige leider Joseph Kony, aan ontvoeringen en kindsoldaten, aan verkrachtingen en verminkingen. Maar wat we te zien krijgen is in wezen veel angstwekkender dan de bewijzen van gruweldaden: foto’s van grote alledaagsheid. Groepjes kleuters, stoere binkies, vrouwen op hun paasbest gekleed, mannen weliswaar vaak in uniform en voorzien van wapens, maar ook: in ontspannen sfeer, loom leunend tegen een boom of met hun kind op de knie.

Waarom juist die alledaagsheid de bezoeker ongemak bezorgt, heeft wellicht te maken met de beeldvorming rond het Lord’s Resistance Army, het rebellenleger dat sinds de jaren negentig in Noord- en Oost-Oeganda verantwoordelijk is voor massaslachtingen en vele duizenden ontvoeringen. Over het LRA werd destijds geschreven dat het de Afrikaanse pendant was van de Cambodjaanse massamoordenaars van de Rode Khmer. Joseph Kony, getooid met dreadlocks, liet zich fotograferen in een T-shirt met de tekst Born to be wild, een beeld dat door de Oegandese overheid veelvuldig werd verspreid om te benadrukken dat het LRA bestond uit ‘hyena’s’ –de belichaming van het absolute kwaad. Kony’s Leger van de Heer zei te streven naar een wereld waar de bijbelse Tien Geboden werden nageleefd. Maar in de praktijk gaf de leider aan die geboden zijn eigen, macabere invulling.

LRA

De foto’s van Joseph Kony’s Lord’s Resistance Army, dat in 1987 werd opgericht, zijn gemaakt in de periode 2002-2003. In die periode, waarin het leger op drift nieuw territorium zocht in Oost-Oeganda, zijn naar schatting vijfduizend kinderen ontvoerd en aldus onder dwang toegetreden tot het LRA. In 2006 werd het aantal ontvoeringen door het LRA geschat op 38 duizend kinderen en 37 duizend volwassenen. Kony, die zichzelf als een profeet beschouwt en aan wie door medestrijders bovenmenselijke kwaliteiten worden toegedicht, is nog steeds voortvluchtig. Het LRA is na jaren strijd met regeringstroepen intussen teruggebracht tot een splintergroepering.

Wie de foto’s gaat zien die door die onmensen zélf zijn gemaakt, bereidt zich dus voor op het ergste. Maar waarmee de bezoeker in de eerste ruimte van de expositie op driehoog in het Antwerpse fotomuseum FoMu wordt geconfronteerd: printjes op 13 x 18 cm-formaat uit de periode 2002-2003, de exacte opnamedatum af te lezen van de digitale getallen die in de het lab als service toentertijd werden meegeleverd. Ze doen even denken aan de vakantiefoto’s van een willekeurige toerist. Honderden zijn het er, in die benauwde ruimte: strijders, vrouwen en kinderen, in de Oegandese wildernis van dunne boompjes en hoog grasland – niet de geheimvolle Heart of Darkness-jungle waar Kony’s LRA in internationale media vaak ten onrechte werd gesitueerd.

Bij een tentoonstelling als deze is context onontbeerlijk. Want als die ontbreekt, vraag je je al gauw af waarom je voor deze foto’s naar het museum zou gaan. Het zijn overduidelijk amateurkiekjes en ze variëren bij eerste aanblik steeds op het thema (groeps)portret, sommige grimmig, andere getuigend van saamhorigheid en genegenheid. Nee, geen doden, geen gewonden.

Samensteller van de tentoonstelling (en het bijbehorende boek) Kristof Titeca heeft als hoogleraar aan de Universiteit van Antwerpen, kenner van Oeganda en de voormalige Belgische kolonie Congo jarenlang onderzoek gedaan naar de herkomst van de foto’s en naar de mensen die erop staan. Hij ondervroeg hen, en de nabestaanden van de talrijke omgekomen strijders, over de omstandigheden waarin ze leefden – en nam de relevante foto’s pas op in expositie en boek nadat hij hun toestemming had verkregen. Hun status als ex-strijder van het LRA is begrijpelijkerwijs in Oeganda nog steeds een precaire aangelegenheid.

De foto’s hebben, zo blijkt in de tweede zaal in het FoMu, velerlei doelen gediend: persoonlijke, sociale, propagandistisch-militaire. Op het persoonlijke vlak hadden ze de functie die elk familiealbum heeft: herinneringen koesteren, hoogtijdagen markeren. In omstandigheden zonder zelfs maar de meest basale faciliteiten, laat staan een fotolab, kreeg een ‘familiekiekje’ algauw grote emotionele waarde. De filmpjes werden vaak via-via, langs een netwerk van strijders en burgers, naar de ontwikkelcentrale ver weg vervoerd, de printjes keerden op gelijksoortige wijze bij het LRA terug.

De foto’s dienden dus ook een ‘hoger’ doel, bijvoorbeeld als wisselgeld in de onderhandelingen over een staakt-het-vuren die in 2002, 2003 op gang kwamen. Kony’s leger was in het defensief geraakt, het werd om strategische redenen verjaagd uit Zuid-Soedan. Daar was het eerder, net als Al Qaida-leider Osama bin Laden, gastvrij onthaald en van wapens voorzien om van daaruit Oeganda binnen te vallen. De verzwakte Kony had er belang bij rivaliserende groeperingen te paaien, en één manier om dat te doen was door de uitwisseling van foto’s. Doodgewone mensen zijn we, vredelievend en als ieder ander bezig een normaal leven te leiden: dat was de impliciete boodschap.

Maar foto’s werden even makkelijk ingezet om vijanden schrik aan te jagen. Fotografeer goed getrainde, bloeddorstige strijders met zwaar wapentuig en de tegenstander raakt geïntimideerd. Laat zulke foto’s rondslingeren in de buurt van een legerbasis, en je bezorgt de soldaten van het regeringsleger een slapeloze nacht. Het zijn beproefde propagandamiddelen, waarvan de effectiviteit voor niet-betrokkenen niet is na te gaan.

In die tweede zaal is een aantal foto’s groter afgedrukt. Die bieden meer inzicht dan die op het formaat van vakantiekiekjes. Je kunt de gezichtsuitdrukkingen beter bekijken, sociale interactie tussen de geportretteerden waarnemen (soms zijn de onderlinge tensie en hiërarchische verschillen voelbaar) en beter de omgeving zien waarin de strijders leefden: een houten stoel leek er zo ongeveer de grootst denkbare luxe. Kleine kinderen, kleuters soms al in camouflagepakjes, zijn er volop. Een schooltje of iets wat daar in de verste verte aan doet denken? Nergens te zien. Sommige foto’s roepen een onbestemde spanning op, zoals die waarbij op de voorgrond frontaal een vrouw staat geportretteerd – ze kijkt weg van de camera – en op de achtergrond een man, op de rug gezien.  Het lijkt alsof we getuige zijn van schuldbesef. 

Uit de tentoonstelling Rebel Lives, Photographs from inside the Lord’s Resistance Army. Fotograaf onbekend. Beeld © ARLPI

Waar de bijschriften veel in het ongewisse laten, bieden video’s van voormalige LRA-strijders en -aanhangers de schokkende verhalen die onontbeerlijk zijn om door te dringen tot de ware aard van het leger. De getuigenissen gaan over de manier waarop de strijders bij het LRA terechtkwamen: ze werden ontvoerd, vaak nog als kinderen, gehoorzaam, makkelijk plooibaar, moedig in de strijd en meedogenloos in het gebruik van geweld. Wie probeerde te ontsnappen aan het leger moest dat met de dood bekopen. Geen snelle dood, vertelt een voormalig strijder, maar eentje waarbij kindsoldaten hun slachtoffer met bajonetten staken, waardoor het sterven wel drie kwartier in beslag kon nemen.

Strijders ‘bezaten’ vaak meerdere vrouwen, die in de mate waarin hun gunsten werden verleend afhankelijk waren van hun populariteit bij hun echtgenoot. Wie in de smaak viel, kon als presentje weleens een mooie jurk krijgen van haar man – de herkomst van zo’n op de foto trots gedragen trofee doet het ergste vrezen.

Naast verhalen over de gruwelen, zijn er ook de herinneringen aan het alledaagse leven, met het gezin, met maaltijden, voetbalpartijtjes en dansavondjes met live-muziek die voor het nageslacht werden vastgelegd. En zo ga je je als bezoeker steeds meer realiseren hoezeer die strijders óók doodgewone mensen waren die slachtoffers waren, die zelden uit vrije wil het pad van de gruweldaden opgingen maar daartoe werden gedwongen. Ze hadden domweg geen keuze.

Behalve de video’s getuigen ook tekeningen van kindsoldaten van de gruwelijke LRA-methoden en de traumatische uitwerking die ze hadden: er is een kleurschetsje van een gezien de basale stijl nog zeer jong kind waarop het moorden met bajonetten en het vloeien van bloed expliciet is verbeeld. Je vraagt je meteen af wat er van zo’n kleintje moet zijn geworden, mocht het nog in leven zijn.

Rebel Lives toont overtuigend aan hoezeer gruweldaden mensenwerk zijn, en niet, althans niet alleen zijn ontsproten aan de geest van psychopaten en exotische sadisten. Dat besef is niet nieuw, maar toch telkens weer verontrustend en deprimerend.

Rebel Lives, Photographs from inside the Lord’s Resistance Army door Kristof Titeca. Hedendaagse foto’s van voormalige LRA-leden door de Congolees George Senga.
Fotomuseum Antwerpen, t/m 6/10.
Gelijknamige catalogus: Hannibal, € 39,95.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden