De adel is de pineut

Michaël Zeeman

Wie terugkijkt, analyseert en duidt, wie erbij was en er gestalte aan gaf, rest slechts verwarring. Toen, later. De dynamiek van het leven past zich niet gemakkelijk aan de retoriek van de historiograaf aan.

Het jaar is 1919, de plaats een kleine stad in Rusland, de geschiedschrijving spreekt van 'de Russische Revolutie' - en het boek is Het naakte jaar van Boris Pilnjak. Hij heeft er met zijn neus bovenop gestaan, dat is wel duidelijk: de prikkelende geuren en de stank hangen nog in zijn kleren. Hij was van 1894, dus net volwassen toen een staat wankelde en een samenleving ineenzeeg. Daar heeft hij, zonder de afstand van de geschiedschrijver te willen nemen, goed naar gekeken en vervolgens over geschreven. Doordat hij ook een goede pen had, heeft hij die schrijverij in 1938 met de dood moeten bekopen. Stalin hield niet zo van pottenkijkers.

Er is wel gezegd dat zijn roman niet zozeer mensen, maar een stad en een jaar tot onderwerp heeft. Dat is een enigszins formalistische manier om het boek te karakteriseren, en het verdonkeremaant dat dat jaar en die stad alleen maar geboekstaafd kunnen worden door de mensen die in die stad dat jaar beleven, aan het woord te laten. Dat is wat hij doet, tamelijk chaotisch en zonder zich te bekommeren om herhalingen, wonderlijke beginnetjes en onvoltooide eindes. De verhalen van die mensen wisselen elkaar af als de gezichten van mensen die je tegemoet loopt in een drukke straat: je ziet er veel, je leert er weinig kennen. Het effect ervan is die smaak van chaos en verwarring.

Dat is ook wat hij wil laten zien: een revolutie is niet veel anders dan een reeks onbekookte ideeën, frasen veelal, in de hoofden van mensen die er bovenal zin in hebben om de wereld te veranderen. Daar horen wel wat nauwkeuriger geformuleerde programmapunten bij, maar zodra die worden losgelaten op de straat en de mensen, blijft daar niet zoveel van over. De revolutie richt zich op de instituties, de mensen zelf komen pas later aan de beurt.

En dus weten die niet wat ze ermee aan moeten. In het stadje Ordynin vestigen zich de vertegenwoordigers van het Centraal Comité. Zij nemen de leiding over, dat wil zeggen: zij bezetten de bureaustoelen in de openbare gebouwen en grijpen de telefoon. De stadsbewoners worden overstelpt met maatregelen, maar moeten gewoon iedere dag eten, werken en slapen. Pilnjak heeft, waar zijn nieuwsgierigheid hem ook heen voert, een grotere belangstelling voor het alledaagse dan voor het verhevene. Wat de revolutionairen ook betogen of beweren, hij noteert vooral de bloempotten in de vensterbank, de grime van de typisten en de grauwheid van de morgen. In de geschiedenis staat wat eeuwig is buiten beeld, in de literatuur mag dat in het centrum staan.

Chaos, verwarring. Vooral de adel is de pineut. Eeuwenlang voortgeborduurd op het maaswerk van een geordende samenleving, nu ineens van dat maaswerk beroofd. Ze staan met naald en draad in de lucht te zwaaien. Ze dragen de naam van het stadje, 'Ordynin', maar dat stadje is het hunne niet meer. Ze klampen zich vast aan de godsdienst, de fles of hun geslachtsorgaan - en soms aan alledrie tegelijk.

In de mate waarin vooral zij zichzelf verloren hebben, komt Pilnjaks scepsis over de Revolutie tot uitdrukking. Hij laat ze delibereren en filosoferen over de allesbepalende karakteristieken van hun land. Dat gebeurt met een grote verscheidenheid aan stilistische middelen: herinneringen, volksliedjes, waanzinnige theorieën en zware beelden. 'China-stad' is er daar een van, een wijk van stegen en sloppen in Moskou die onder Stalins bewind is afgebroken. Dat 'China-stad' staat voor het onaangepaste, het niet-Europese, het Aziatische in Rusland - de cultuursociologische karakteristiek die een generatie later wel is aangeduid met 'Oriëntaals despotisme'. In die zin, door een stadswijk te gebruiken om een aspect van het karakter van een volk en zijn geschiedenis te benoemen, is de stad inderdaad een voornamer personage dan al die figuranten die langstrekken. Maar ook die wijk is een woonwijk, een oord van menselijke bedrijvigheid.

De revolutionairen tasten in de toekomst en vinden daar voorlopig geen houvast, de onttroonde adel probeert het door terug te blikken. Kan het zijn dat de traditie de toekomst bepaalt, wat er ook gebeurt? Pilnjak zoekt daar naar het antwoord, en heeft op een tragische manier gelijk gekregen: van Iwan de Verschrikkelijke naar Stalin was niet zo'n grote stap. De Revolutie haalde het maaswerk uit en gaf vrij spel aan atavistische krachten.

Boris Pilnjak: Het naakte jaar. Vertaald uit het Russisch door Arthur Langeveld. De Arbeiderspers; 204 pagina's; ¿ 19,95. ISBN 90 295 3682 9.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden