De aanstekelijke belangstelling voor het insect in de 17e eeuw

De vroegste insektentekenaars krijgen hun eigen tentoonstelling

Twee heerlijk gedetailleerde tentoonstellingen over de vroegste insektentekenaars.

'Heilig en schrikbarend is zijn naam', noteerde Joris Hoefnagel boven de tekening van de neushoornkever (gemaakt rond 1578 - 1592) Foto Kupferstichkabinett, SMB

Ze deed een mooie vondst, toen op die nazomer-middag in het jaar 1700. Op het blad van een zuurzak ving Maria Sibylla Merian, natuuronderzoeker en schilder te Amsterdam, neergestreken in de Hollandse kolonie Suriname, een 'schoone groene rups'. Uiteraard besloot ze het beestje te bewaren. Enkele weken deed het zich tegoed aan de 'spyzen' van groene bladeren, totdat het op een dag was veranderd in een 'bruin poppetje' waaruit na enkele maanden verrees: een 'swart witte uil' (vlinder), het lichaam 'harig als een beer', een snuitje als 'de strot van eene gans'.

Rups, pop en vlinder zijn terug te vinden in Merians bij leven gepubliceerde magnum opus, Metamorphosis insectorum surinamensium, een boek zo groot als de naam lang is, vorig jaar uitgegeven als facsimile, maar ook integraal op internet te bekijken, en wel op een schaal die me niet helemaal waarheidsgetrouw lijkt, en in vreemd psychedelische kleuren als geel en gifgroen. De ets getuigt van die verrukkelijke Merianstijl: precies zonder pietepeuterig te zijn; nauwkeurig, maar niet op een slaafse manier.

Ze houden het midden tussen stripachtig en uit het leven gegrepen, deze insecten, alsof ze uit een andere prent komen, of beter: uit een kijkdoos. In de schitterende expositie Maria Sibylla Merian und die Tradition des Blumenbildes in het Kupferstichkabinett in Berlijn ( die tot 2 juli viel te bezichtigen) is het deze poëtische exactheid die hen onderscheidt van die van andere insectentekenaars.

Deze expositie (in oktober in Frankfurt te zien) past in een trend. Zij is de recentste in een reeks exposities over (vroeg) moderne vrouwelijke kunstenaars: de Vlaamse voedselstilleven-schilder Clara Peeters in het Prado in Madrid, de Italiaanse barokschilder Artemisia Gentileschi in het Museo Roma in Rome (beide afgelopen winter) Élisabeth Vigée-Le Brun in het Metropolitan Museum (vorig jaar). De reeks wordt voortgezet met de solo-presentatie van de Vlaamse Michaelina Wautier volgend jaar in het Rubenshuis in Antwerpen. Deze exposities zijn belangwekkend in hun streven een andere blik op de geschiedenis te bieden. Merians reputatie onder kunsthistorici is al langer gevestigd.

Dit is geen monografische expositie. Meer dan over de kunstenaar zelf gaat zij over de evolutie van het bloemstilleven in de brede zin, van de 15de tot de late 18de eeuw, een ontwikkeling die verliep van florale ornamenten in verluchte manuscripten via illustraties in kruidenboeken en farmaceutische geschriften naar eigenstandige studies van planten en insecten zoals gemaakt door Albrecht Dürer en Georg Flegel. Tot die laatste rekenen we ook Merians werk.

Foto RV

De tentoonstelling is Duits, en dus valt er veel te lezen en minstens zoveel te zien. Dat is fijn en ook wat vermoeiend op den duur. Planten en insectenschilders waren vaak pietje preciezen die het liefst elk sprietje en vleugeltje op microniveau wilden afbeelden, huzarenstukjes die allemaal afzonderlijk erom vragen bewonderd te worden, en wie dat ook doet gaat het duizelen. Niet doen dus. Kiezen, luidt het devies.

Over Merians leven heeft u kunnen lezen in de Sir Edmund van 3 juli: de jeugd in Frankfurt, de tijd in de streng-religieuze sekte in het Friese dorpje Wieuwerd, de vriendschap met de geleerde heren van Amsterdam, de winkeltjes in geprepareerde dieren en sapverftekeningen in de Amsterdamse Spiegel- en Kerkstraat, de expeditie naar Suriname, de vriendschap met haar slavin in Suriname.

Wat eraan fascineert is de transformatie die Merian ondergaat, van religieuze zeloot naar verlichte, enkel op haar eigen ervaring en kennis vertrouwende vrouw. Als Amsterdam in de 17de eeuw een aanzet gaf tot de Verlichting, dan maakte Merian mede deel uit van die aanzet. En de aanzet tot die aanzet was haar interesse in de kleine dierkens.

De reis naar Suriname

Maria Sibylla Merian ging in 1699 op reis naar Suriname en ze nam mee: haar twee dochters. Ze maakte expedities naar de binnenlanden waarbij ze insecten en planten verzamelde en talloze aquarellen van allerhande dieren maakte; ook had ze oog voor het onbarmhartige leven van de slaven.

Het werk van Merian is precies zonder pietepeuterig te zijn; nauwkeurig, maar niet op een slaafse manier. Foto Hollandse Hoogte / Mary Evans Picture Library Ltd.

Ze was niet de enige. Het onderzoek naar insecten had sinds de late 16de eeuw een hoge vlucht genomen. Met onderzoek wordt overigens bedoeld: empirisch onderzoek. Niet navertellen wat er in de Bijbel stond of wat die goede, oude Romeinen erover hadden geschreven. Een onderzoeker als de Zeeuwse entomoloog avant la lettre Johannes Goedaert (zie kader op pagina 22) zwoer bij kennis uit 'eygen ervarentheyd', en zijn bevindingen (een sluipwesp die eieren legt in een verpoppende rups, het hol van de veenmol) legde hij vast in waterverftekeningen, die hem indertijd beroemd maakten. Wat tussen de aquarellen van kakkerlakken, rupsen, neushoornkevers, sluipwespen en ander ongedierte opvalt, is de status aparte die zij binnen de dierschilderkunst genieten: anders dan hun zogende en gevleugelde medebeesten zijn ze in het geheel niet antropomorfisch.

Ik bedoel: een pauw geschilderd door d'Hondecoeter is óók altijd een beetje een kijvende helleveeg, zoals een papegaai door Frans Snyders een olijke conciërge is, maar een vlinder door Merian of een kever door Hoefnagel is nooit iets anders dan een vlinder of een kever. Al het menselijke is hun vreemd.

Wie de meest tot de verbeelding sprekende insecten zoekt, komt uit bij Maria Sibylla zelf. Van haar sprinkhaan tot haar harlekijnvlinder: ze hebben precies de goede mix van details en verdichting. Vraag me of ze kunst of wetenschap zijn, en ik rol met m'n ogen. De tweedeling is anachronistisch (de disciplines waren indertijd niet gescheiden), en slaapverwekkend bovendien. Ze zijn én wetenschap én kunst, of beter gezegd: ze zijn én interessant én mooi.

Wie de indrukwekkendste insecten zoekt, moet zijn bij de schilder, etser, dichter, koopman en miniaturist Joris Hoefnagel (1542-1601). Als hofkunstenaar van de hertogen van München was Hoefnagel verantwoordelijk voor de illustratie van een vierdelig manuscript met naturalia, waarvan de folia zijn verspreid over instituten als de National Gallery of Art, Washington en het Louvre, Parijs.

In die hoedanigheid maakte hij duizenden gedetailleerde tekeningen van dieren: vissen, amfibieën, zoogdieren enzovoort, dieren die Hoefnagel soms met eigen ogen had gezien, en die hij soms kopieerde uit het werk van andere kunstenaars.

Via de etsen van zijn zoon Jacob raakten de beeltenissen van Hoefnagels insecten wijd verspreid. Zijn neushoorn-kever behoort tot de bekendere uit die reeks. In Berlijn stonden er de hele tijd mensen naar deze kever te wijzen, en daar kun je inkomen: mamma mia, wat een engerd is dat.

Maria Sibylla Merian Foto BPK

Hoefnagel heeft hem heel gedetailleerd geschilderd. Als je er met je neus op gaat staan, zie je dat hij is opgebouwd uit duizend kleine stipjes en lijntjes, maar zet je een stap terug, dan is het weer dat bonkige dier dat ieder moment van het papier lijkt te kunnen springen, nou ja, schuifelen.

'Heilig en schrikbarend is zijn naam' noteerde Hoefnagel in blokletters boven de tekening. Ik keek ernaar en stelde me de 19-jarige voor die afreist naar Cambodja om kleuterscholen te bouwen en tijdens de eerste nacht zo'n knaap onder zijn matje vandaan ziet kruipen. Niet alleen zijn naam is schrikbarend, Joris, niet alleen zijn naam.

Maria Sibylla Merian und die Tradition des Blumenbildes, Kupferstichkabinett Städel Museum, Frankfurt, 11/10/ t/m 14/1/2018.

Maria Sibylla Merian, Metamorphosis insectorum Surinamensium, Lannoo,euro 119,-.

Uyt eygen ervarenheyd: de wondere insectenwereld van Johannes Goedaert, Zeeuws Museum, t/m 29/10.

Johannes Goedaert, grondlegger van insectenkunde

De man die Maria Sibylla Merian en Jan Swammerdam heeft beïnvloed.

Maria Sibylla Merian wordt vaak beschouwd als de eerste schilder die de voortplanting van insecten natuurgetrouw weergaf. Die reputatie is onjuist. Al in de eerste helft van de 17de eeuw bestudeerde de Middelburgse schilder en natuuronderzoeker Johannes Goedaert (1617-'68) de metamorfosen van insecten. Zijn bevindingen beschreef en illustreerde hij in het driedelige Metamorphis Naturalis, een boek dat hij desgevraagd inkleurde met waterverf. Het werd een bestseller en beïnvloedde andere natuuronderzoekers, onder wie Jan Swammerdam en waarschijnlijk ook Maria Sibylla Merian. Het legde het fundament voor de entomologie.

De gepensioneerde leraar Kees Beaart vond in 1996 in een antiquariaat in Kopenhagen een exemplaar van de Metamorphis Naturalis en spant zich sindsdien in voor een herwaardering van Goedaerts verdiensten. Beaart stelde een grondige publicatie samen over de productieve Zeeuw. Tevens is hij de drijvende kracht achter de lopende expositie in het Zeeuws Museum ter ere van Goedaerts 400ste geboortedag.

Deze expositie is aardig maar klein. Er zijn schilderijen (een bloemstilleven), er zijn geprepareerde insecten, er zijn enkele edities van de Metamorphis Naturalis waarin men niet mag bladeren. Een volwaardig eerherstel kan men het misschien niet noemen, maar een goede inleiding op Goedaerts werk. Hij blijkt een onvermoeibare en eigenzinnige man. Grensverleggend ook. Zijn empirische analyses van insecten waren pionierswerk. Kennis omtrent het 'onnut ongedierte' kwam indertijd uit de Bijbel en uit de geschriften van Aristoteles en Plinius. Goedaert bestudeerde de beesten, waarvan hij er thuis duizenden hield in glazen bakken en beenderen doosjes, met eigen ogen.

Wat voor dieren onderzocht hij? De rups van de hermelijnvlinder, onder andere. Het beestje, dat Goedaert op een duinpalm vond, veranderde op zeker moment in vijf 'huiskens', waaruit naar negen maanden en vijf dagen 'vijf vette vliegen' tevoorschijn kwamen. Het stelde de onderzoeker voor raadselen; dat een sluipwesp eieren had gelegd in de verpoppende rups kwam niet bij hem op. De tekeningen van deze beesten hebben wel iets weg van het vroege werk van Maria Sibylla Merian.

Goedaert vergaarde er fortuin en roem mee. Er verschenen lofdichten aan zijn persoon; de Staten van Zeeland schonken hem een bedrag dat gelijkstond aan twee jaarsalarissen voor elk deel van de Metamorphis Naturalis. Belangrijker was dat zijn werk navolging kreeg. Nog tijdens Goedaerts leven gingen allerlei onderzoekers, onder wie Jan Swammerdam (van de bijen), zich bezighouden met het empirisch onderzoek naar insecten; latere generaties bouwden voort op Goedaerts methoden zonder zich bewust te zijn van diens werk en zijn persoon.